Onderweg met André Testa; 'Jongens, jullie hoeven je niet lullig te voelen'

Iedere week rijdt deze krant met een ondernemer, en soms een ondernemer/ambtenaar, mee op de achterbank. In wat voor auto zit hij het liefst? Loopt hij nog weleens gewoon over straat? Deze week: André Testa, directeur van het Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam. (Met drie ton plus toeslagen is hij de best betaalde redder die ooit in de hoofdstad werd aangesteld.)

Auto donkergroene Ford Scorpio

Route van het hoofdkantoor aan de Prins Hendrikkade naar de aanlegsteiger achter het Centraal Station en van daaraf acht keer met de pont heen en weer over het IJ.

AMSTERDAM, 5 JUNI. Tussen hoge stapels papier staat André Testa, directeur van de Amsterdamse tram, bus, pont en metro. Hij haalt diep adem en roept: “Is Hans daar?”

Hans is de chauffeur. Hij zat te wachten bij de secretaresse, hij staat meteen in Testa's kamer.

“Hans, dit moet mee en dat moet mee en dat ook en ik bel je wel als ik terug ben.”

Testa wilde een eindje gaan rijden met de tram - “daar hoor ik” - maar het is zulk mooi weer dat de pont over het IJ hem een nog beter idee lijkt. En hij wil er lopend heen. Altijd maar in die auto - bàh. Maar hij wil eerst het zenuwcentrum van zijn bedrijf laten zien: het zaaltje van waaruit met computers de rijtijden van trams en bussen worden gecontroleerd en met camera's de drukste kruispunten. “Zien we een groene Rover”, zegt de man die ze bedient, “dan weten wij, daar gaat mijnheer Testa”.

“Groene Rover?”, zegt Testa. “Een Scorpio! Bij de gemeente rijden we in een Scorpio! Met zuinigheid en vlijt... Weten jullie dat ze niet eens meer gemaakt worden? Ze zijn te goedkoop. Ik heb net een nieuwe, dat was de laatste.”

Op straat vertelt hij over de auto's waar hij privé in rijdt. Eén: een zilvergrijze Alvis TD21 Park Ward Saloon uit 1961, met zeegroene leren bekleding. “Een genot! Hij heeft zo'n enorm lange neus dat je voor het stoplicht niet kunt praten met degene die naast je staat. Ik heb er van het weekend nog een tochtje mee gemaakt.” En twee: een donkerblauwe Triumph TR3 uit 1956. “De spaken zijn ook donkerblauw. Heel beschaafd, heel ingetogen.”

Het begon bij hem al jong, die liefde. “Maar hoe gaat dat? Je trouwt en dan moet je eerst een koelkast kopen en een stofzuiger enzo. Ik noem dat het appliancy-syndroom. Het heeft iets tragisch hè. Als je jong bent heb je geen geld voor mooie dingen en als je oud bent, krijg je het aan je rug.”

Heeft u het aan uw rug?

“Nou ja, gewoon van het harde werken, ja. Ik moet hier een heleboel achterstanden inhalen in beperkte tijd en dat is best moeilijk hoor.”

Heeft u ook nog een gewone auto?

“Nee. O ja, wel, verdomme. Voor als ik op reis moet en ik wil ook echt aankomen. Daar heb ik een BMW 730i voor, mosgroen. Prachtige kleur! Ik mag geen reclame maken, maar dat is echt een fantastische auto.”

En in welke zit u nou het liefst?

“Gevoelsmatig in die Alvis. Geschikt for all seasons, veel trekkracht, maar je kunt er niet mee scheuren. En hij heeft niveau hè. Er zijn er maar zeven van in heel Nederland.”

En u houdt wel van de aandacht.

“Ik hou van aparte dingen. Je leeft maar één keer, tenminste, dat geloof ik. En dan kun je er net zo goed iets lolligs van maken.”

Hij aarzelt, maar na drie keer heen en weer varen - op het bovendek waar je eigenlijk niet mag komen - heeft hij het zo warm dat hij toch zijn jasje maar uittrekt. “Je hoeft”, gaat hij verder, “toch niet altijd alleen maar hard te werken?”

U ziet zo bleek, u ziet er niet uit als iemand die nog wat anders doet.

“Ik heb Iers bloed”, zegt hij. “Daar komt dat door. En ik moet nu even een heleboel bordjes tegelijk in de lucht houden. Toen ik hier net kwam was mijn eerste opdracht: stop the bleeding. Deze firma was out of control. Het was niet eens bekend hoeveel mensen er in dienst waren en waar ze zaten. Nu kunnenwe in ieder geval weer betrouwbare cijfers produceren. Voor het eerst in tien jaar komt er een goedkeurende accountantsverklaring. Nou moet het GVB weer zelfvertrouwen krijgen. En dat heeft weinig met winst of verlies te maken. Bij Ferrari hadden ze heel veel geld, maar ze zaten jaren in de ellende, totdat Niki Lauda kwam. Toen begonnen mensen weer in zichzelf te geloven.”

U bent de Niki Lauda van het GVB?

“Mijn theorie is: vijftig procent van mijn werk is inhoud en vijftig procent is presentatie. Corpsgeest kweken. Familygevoel. Jongens, jullie hoeven je niet lullig te voelen, wij hebben de markt. Als je dat een beetje leuk vertelt en je zet de mensen behoorlijk in de spullen, dan komt de pret ook wel weer terug.”

Op de terugweg, langzaam lopend over het stationsplein, zwaait hij naar alle trambestuurders, naar alle buschauffeurs. Ze zwaaien allemaal terug. “Dit is lekker hè” zegt Testa. “Dit vind ik gewoon heerlijk.”

Maar zijn heerlijkste moment komt nog - bij de stoplichten schuin voor het hoofdkantoor. Daar staat een busje met twee GVB-politiemannen. Eén van hen gaat uit het raampje hangen en roept: “Mijnheer Testa! Wilt u een lift?”

    • Jannetje Koelewijn