'Joodse' gelden overgemaakt

DEN HAAG, 5 JUNI. De stichting Joods Maatschappelijk Werk (JMW) krijgt binnenkort 663.000 gulden aan 'joodse' gelden die tientallen jaren bij notarissen op rekeningen hebben gestaan. De Nederlandse regering heeft daarvoor deze maand de laatste juridische obstakels uit de weg geruimd.

Dit heeft het ministerie van Financiën desgevraagd bevestigd. In een brief van 19 mei aan JMW heeft minister Zalm (Financiën) aangekondigd dat het bedrag zal worden overgemaakt.

De kwestie van de joodse tegoeden bij notarissen, die bijna twee jaar geleden voor ophef zorgde, lijkt hiermee definitief ten einde.

Nadat in de zomer van 1996 de affaire van de Zwitserse banken in volle hevigheid was losgebarsten, was de 'notaris-kwestie' de eerste Nederlandse zaak die in de belangstelling kwam. Emeritus-hoogleraar Lipschits beschuldigde na archiefonderzoek bij JMW het Nederlandse notariaat ervan gelden van in de Tweede Wereldoorlog vermoorde joden onder zich te houden.

Een inventarisatie door de beroepsorganisatie van de notarissen vorig jaar leverde inderdaad een bedrag van ongeveer een half miljoen gulden aan 'slapende gelden' op. Het ging daarbij zowel om geld dat in de oorlog van joden was geroofd als om geld dat in de jaren zestig door Duitsland als schadevergoeding is uitgekeerd aan oorlogsvervolgden.

De notarissen hadden naar eigen zeggen geen erfgenamen kunnen vinden, maar zij hadden dit geld volgens de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) moeten storten in de Consignatiekas van het rijk. Op het verzoek van JMW om deze gelden dan over te maken naar de stichting wilden de notarissen niet ingaan, omdat daarvoor een “juridische titel” zou ontbreken.

Dat juridische probleem is nu opgelost. De notarissen hebben begin dit jaar alsnog het geld in de Consignatiekas gestort. Zalm, die eerder al had besloten dat dit geld de joodse gemeenschap toekomt, heeft het geld deze maand officieel toegekend aan JMW.

De notariskwestie wordt mogelijk bekeken tijdens het grote nationale, historische onderzoek, waarvoor het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (Riod) nu een voorstel formuleert.