Inkomensverhoudingen moeten aan normen getoetst worden

Het valt steeds vaker te horen: 't is een beetje uit de hand gelopen met de optieregelingen voor topmanagers. Volgens Lodewijk de Waal wordt het nu ook tijd om na te denken over de motivatie van beloningsverschillen en moeten normen en waarden niet alleen op straat gelden maar ook voor inkomensverhoudingen.

In de maatschappij lijkt consensus te bestaan dat de optieregelingen voor topmanagers 'wat uit de hand zijn gelopen'. De consensus is niet volmaakt, zo blijkt uit de woorden van een enkele topmanager. Honderdveertig miljoen gulden voor een paar topbestuurders van Aegon is niet iets om je voor te schamen, zegt zo iemand. Niet ieders schaamtegevoel kan kennelijk op dezelfde wijze ontwikkeld zijn.

Vanuit 's lands grootste werkgeversorganisatie VNO/NCW komen geruststellende geluiden. Werkgeversvoorzitter Hans Blankert vergoelijkt de regelingen wel wat, maar stelt toch dat men via 'zelfregulering' tot beperking moet komen van exorbitante regelingen.

Nu is het maar helemaal de vraag of dat iets zal oplossen: de exorbitante regelingen zijn immers op basis van 'zelfregulering' tot stand gekomen. We kunnen er toch niet aan voorbijgaan dat de regelingen bedacht zijn door dezelfde managers die er nu de vruchten van plukken. Kennelijk werkt het in de directiekamers zo, dat men niet alleen de macht heeft de eigen beloning vast te stellen, maar men zichzelf ook erg waardevol vindt. Of via zelfregulering hun idee zal verdwijnen dat zij jaarlijks één, twee, drie miljoen of meer waard zijn, is nog maar de vraag.

VNO/NCW, maar ook politici en de FNV motiveren hun oproep tot optiematiging overigens vaak met een verwijzing naar de bedreiging voor de loonvorming. Die bedreiging is inderdaad reëel. De FNV berekent jaarlijks zorgvuldig wat economisch verantwoord is, en bij welke maximale loonsverhoging de werkgelegenheid niet in gevaar komt. Kennelijk worden diverse raden van bestuur in het geheel niet gehinderd door dat soort overwegingen. En, voor de goede orde, het gaat niet alleen om de optieregelingen. Men verhoogt voor zichzelf ook het basisloon flink.

Waar VNO/NCW in CAO-onderhandelingen bepleit dat gewone stervelingen meer met winstgerelateerde en eenmalige uitkeringen moeten werken, en minder met algemene verhogingen, pikken de raden van bestuur van de grote ondernemingen beide in. Dat gaat natuurlijk niet lang goed zo.

Maar het mag ons niet alleen gaan om de bedreiging van de verantwoorde loonontwikkeling. Want dat is toch eigenlijk een armzalige redenering. Is het zo dat als deze mensen hun loonsverhogingen in stilte aan zichzelf zouden toekennen, als we het allemaal niet zouden weten en we ons dus ook niet zouden ergeren, het dan allemaal wel botertje tot de boom zou zijn?

Het is natuurlijk waar dat we in Nederland niet houden van het pronken met rijkdom. Ziet men in de VS iemand in een prachtige slee, dan denkt men: daar gaat een succesvol mens. In Nederland denkt men al gauw dat betrokkene zijn geld wel op oneerlijke wijze verkregen zal hebben. Daarom wordt veel rijkdom in stilte geconsumeerd.

Maar zouden we niet eens wat meer moeten nadenken over de motivatie van beloningsverschillen? Is het wel redelijk dat de topman van Philips dertig maal zoveel inkomen ontvangt als de minister-president, die op zich toch ook niet slecht betaald wordt?

Kortom, er lijkt aanleiding, los van alle meer praktische bedreigingen die uitgaan van de optieregelingen, ook eens naar de moraliteit van dergelijke grote inkomensverschillen te kijken. Dat is geen moralistische of hoog abstracte bezigheid. Als het besef dat het soms genoeg kan zijn met de hoogte van het inkomen, wat breder verspreid zou zijn, dan zouden wellicht ook actuele discussies rond het belastingstelsel anders verlopen.

Hoe komen D66 en de VVD zo gek te bepleiten dat het hoogste tarief van de inkomstenbelasting omlaag zou moeten naar 50 procent, zonder dat aftrekposten zouden kunnen worden geschrapt. Want een dergelijke opstelling betekent dat de gemiddelde Nederlander, ten behoeve van de rijke, relatief extra moet gaan betalen. Dan is de opstelling van werkgevers en werknemers in het advies van de SER (laat de desbetreffende groep een tariefsverlaging zelf betalen door het schrappen van aftrekposten) toch heel wat meer verantwoord.

Normen en waarden, zo werd voor de verkiezingen betoogd, moeten weer een grotere rol gaan spelen in de samenleving. Willen de mensen die dat bepleit hebben, mij eens uitleggen wat voor normen en waarden er volgens hen in de inkomensverhoudingen in Nederland zouden moeten gelden? Of gelden daar alleen de regels van de markt? Die zijn trouwens ook relatief. De optieregelingen worden veelal gemotiveerd vanuit de arbeidsmarkt voor topmanagers. Anders krijgt men ze niet, of gaan ze weg, is de redenering. Dat is op zichzelf al zeer discutabel. Zou de heer Boonstra werkelijk eerder vertrekken als hij een miljoentje minder kreeg? En trouwens, zijn op eigen gewin georiënteerde managers altijd de beste? En waarom legt een topbestuurder van ING zich een paar weken voor zijn pensionering nog in de optie-watten? Hoezo arbeidsmarkt, hoezo binding met het bedrijf?

Normen en waarden. Er zijn in Nederland tienduizenden mensen die leven van een inkomen dat wij armoedig noemen. Buiten Nederland leven honderden miljoenen mensen in bittere armoede. Wij kunnen dat niet allemaal ineens oplossen, dat weet ik. Maar, bijvoorbeeld via collectieve voorzieningen, inkomensoverdrachten en collectieve middelen kunnen we wel iets doen. Daarvoor betalen we belastingen en sociale premies, en dat is goed. Drie topmanagers die naar het torentje gaan omdat ze vinden dat ze te hoog aangeslagen worden, is in die context gewoon fout. Dat deugt van geen kant.

Arbeidsvoorwaarden dienen in een redelijke verhouding te staan tot de offers en inspanningen die een functie met zich meebrengt. Verzwarende omstandigheden die niet te vermijden zijn, zoals werk op afwijkende of onregelmatige tijden, lawaai en gevaar, moeten in loon of vrije tijd worden gecompenseerd.

Verschillen in offers en inspanningen moeten de belangrijkste rechtvaardiging voor loonverschillen zijn. Marktfactoren leiden, dat weet ook de FNV, in de praktijk eveneens tot loonverschillen. Maar die mogen de verschillen in offers en inspanningen als richtsnoer voor beloningsverschillen, niet gaan domineren. En voor de happy few doen ze dat nu wel. Het is tijd voor wat meer normen en waarden in de inkomensverhoudingen.

    • Lodewijk de Waal