In ieder droomhuis een nachtmerrie; Onno te Rijdts gooi naar de Gouden Strop

Onno te Rijdt: Het spel. Podium, 144 blz. ƒ 29,50

Misdaad 'als centraal gegeven' en spanning 'als dominant verhaaleffect' - die twee kenmerken bestempelden Het spel van Onno te Rijdt tot een van de kandidaten voor de Bruna Gouden Strop voor de beste Nederlandse misdaadroman. Net als Mirjam Boelsums, de debutante die werd genomineerd voor haar psychologische roman Slangen aaien, was Te Rijdt (1959) een verrassende keuze van de jury. Niet omdat zijn boek een misdaad ontbeert, maar omdat weinig lezers het als crime zouden classificeren. Zijn uitgever liet op de dag van de nominatie, anderhalve week geleden, dan ook doorschemeren dat hij Het spel pas in een laat stadium ter jurering had ingezonden, “bij wijze van wanhoopspoging, omdat het boek niet werd opgepikt door de literaire recensenten.”

Ondanks vier moorden (waarvan drie onopgelost) is Het spel geen misdaadroman - net zo min als De verborgen geschiedenis van Donna Tartt of American Psycho van Bret Easton Ellis. De gepleegde misdaden lijken voor Te Rijdt bijzaak; hij verpakt ze in een goedgeschreven zedenschets over een milieu waarin verveling en geblaseerdheid maar al te snel omslaan in perversie. 'In ieder droomhuis een nachtmerrie' zou het van Joe Jackson geleende motto kunnen zijn voor Te Rijdts novelle, waarin eerzame huisvaders zich met misselijkmakende spelletjes bezighouden en iedereen een beul is in het diepst van zijn gedachten.

Hoofdpersoon (en verteller) van Het spel is Niek Wouda, een onvolwassen en contactgestoorde vrijgezel van achter in de twintig, die zijn dagen naar eigen zeggen slijt met lezen, drinken en naar muziek luisteren. Hij zou de tweelingbroer kunnen zijn van de ik-figuur van Nick Hornby's recente succesroman About a Boy (die deze week in vertaling uitkomt bij uitgeverij Atlas). Net als Hornby's Will Freeman hoeft Niek zich dankzij een erfenis niet druk te maken om een baan, is hij getrouwd met zijn platenkast, en heeft hij een bloedhekel aan (vrienden met) kinderen. Maar aan Niek is meer dan één steekje los: om de haverklap wordt hij overspoeld door 'wrede en perverse gedachten', dagdromen waarin hij mensen - vrienden, kennissen, voorbijgangers - martelt en vermoordt. Hij wordt er niet door opgewonden, zegt hij, en hij doet er niemand kwaad mee. Bovendien kan hij er niets aan doen, want: 'Ze bevolken mijn hoofd zonder reden.'

De uitbarstingen van mentale agressie waarmee Niek het verslag van een paar weken uit zijn leven doorspekt, maken Het spel geen boek voor weekmagigen. De invloed van het door Niek bewonderde American Psycho is in de gedetailleerde beschrijvingen - opengescheurde lichamen, weggesneden organen, gebroken ledematen, bestiale folteringen - onmiskenbaar; en net als bij Ellis is het een schrale troost dat het zich allemaal 'maar' in de geest afspeelt. Dat Het spel toch minder verontrustend is dan American Psycho komt doordat Te Rijdt zijn hoofdpersoon niet amoreel heeft gemaakt, zoals Ellis. 'Ben je een psychopaat als je denkt als een psychopaat maar niets van die gedachten in praktijk brengt?' vraagt Niek zich af, waarna hij pessimistisch vervolgt: 'En brave burgers die zich in een oorlog laten meeslepen door geweld, kampbeulen worden, vrouwen verkrachten en kinderen mishandelen, of gewoon hun buren afmaken, zijn zij psychopaten? En dat de halve wereld zich zo ontpopt, is dat het bewijs dat de halve wereld latent psychopaat is?'

De plot van Het spel - Niek ontmoet twee gelijkgestemde geesten en laat zich verleiden tot een gruwelspelletje met fatale afloop - maakt duidelijk dat het antwoord op dit soort vragen 'ja' is. Maar het zijn niet de filosofische gedachten over het kwaad in de wereld die Het spel tot een geslaagde roman maken. Lezens- en herlezenswaard is vooral het beeld dat de voormalige hockeycoach Onno te Rijdt (in 1996 gebeduteerd met de Italiaanse hockeyroman Ciao, Padua!) schetst van het kakkineuze milieu waarin Niek zich beweegt. Het is een wereld waarin halve-peervormige mannen je uitnodigen voor de 'barbeknoei' en waarin vrouwen 'happend zoenen' om elkaars make-up niet te verpesten, waarin vrienden elkaar aanspreken met de achternaam of met de initialen van de dubbele voornaam, en waarin hockeywedstrijden een voorwendsel zijn om te zuipen en te 'netwerken'.

Zonder te vervallen in de woordspelingen en het gratuite gescheld waarin de erkende ruitjesbroekhater Youp van 't Hek zich heeft gespecialiseerd, legt Niek de eigenaardigheden bloot van de villadorpjes die wij zo goed kennen - als een antropoloog met gevoel voor alledaags absurdisme. En zo wordt het verslag van een feestje opgeluisterd met het terloopse zinnetje 'Links raast nog maar weer eens een carrière voorbij', terwijl de stapels van kratten op het hockeyveld (leeggezopen tijdens 'de derde helft') worden vergeleken met de torens die de inwoners van San Gimignano in de middeleeuwen bouwden om elkaar te imponeren.

Lelijke zinnen zijn bij Te Rijdt schaars, de stem waarmee hij Niek laat spreken is mooi-laconiek, en zijn gevoel voor timing benadert dat van Kees van Kooten of Arnon Grunberg. Het spel is vóór alles een humoristisch boek. En daarbij is het ontegenzeggelijk spannend. De lezer wil nu eenmaal weten hoe het met Niek afloopt, en wat voor geheim zijn brallerige hockeyvriendjes verbergen. Ik betrapte mezelf tegen het einde dan ook op de hebbelijkheden van de spannende-boekenlezer: onwilekeurig stukjes overslaan (om sneller op te schieten), en spieken op de laatste bladzij. Met al die suspense kan de ontknoping alleen maar tegenvallen, en zoals bij veel spannende boeken of films is dat ook het geval. Het zou me niet verbazen als Het spel voor de Gouden Strop te simpel wordt bevonden. Maar wat geeft het. Te Rijdt schreef iets dat in de Nederlandse literatuur zeldzamer is dan een misdaadroman: een boek waarom je op z'n minst kunt grinniken. Samen met De heilige Antonio van Grunberg en Het A.P. Beerta-Instituut van J.J. Voskuil hoort Het spel dan ook op een hele andere shortlist: die van de geestigste boeken die in 1998 verschenen.

De winnaar van de Bruna Gouden Strop voor de beste Nederlandse misdaadroman wordt op 19 juni bekendgemaakt. Kandidaten zijn, naast Te Rijdt en Mirjam Boelsums, Charles den Tex (Code 39), Jac. Toes (Fotofinish) en Ed Sanders (De frontrunners). Uit: Onno te Rijdt, Het spel

Een kale vent staat met zijn rug naar mij toe. Ik koop een bier en snij het voorhoofd van de man overdwars open, stroop de huid naar achteren zoals je een blik opentrekt aan het daarvoor bestemde ringetje, sla enige malen met een boek op zijn schedel en citeer Lichtenberg. Wanneer een hoofd en een boek op elkaar stoten en het klinkt hol, is dat dan de schuld van het boek alleen?

    • Pieter Steinz