Ik wacht met smart op de recensenten; Studeren aan de Nederlandse Film en Televisie Academie

“Je moet, denk ik, toch al wat van de wereld hebben gezien voordat je filmmaker kunt worden”, zegt een studente aan de Nederlandse Film en Televisie Academie. Vierde aflevering in een wekelijkse serie over kunstonderwijs in Nederland.

De eindexamenvertoningen van de Nederlandse Film en Televisie Academie zijn op 24 en 25 juni in Kriterion in Amsterdam, inl. (020) 623 17 08

Filmen is belichten. “Dat hebben wij niet bedacht hoor”, roepen Laureline Smith (24) en Martijn Pot (23) in koor. “Dat zegt iedereen. De beste cameramensen zijn ook goede belichters.” In een voormalige tramremise in Amsterdam-West zijn de eerstejaarsstudenten camera/licht van de Nederlandse Film en Televisie Academie (NFTVA) bezig belichtingsoefeningen op te nemen. Het interieur van een verlaten café dient als decor voor een decoupage-opdracht (het in shots indelen van een scène) en in een verscholen hoekje achterin het gebouw nemen Smith, Pot en een viertal klasgenoten de 'kelderstory' op. Dat is een kort filmpje over een overval in een kelder, die al door generaties camerastudenten aan de NFTVA is gedraaid, heeft docent Dirk Teenstra eerder uitgelegd.

Camera/licht is een van de negen afstudeerrichtingen aan de NFTVA. Alleen scenario is daarvan een post-propaedeutische opleiding van drie jaar, voor de richtingen regie, scenario, productie, camera/licht, montage, geluid, production design, programmamaker interactieve media en de docentenopleiding audiovisuele vormgeving bedraagt de studieduur vier jaar. Na een grotendeels algemeen en klassikaal eerste jaar volgen in het tweede en derde jaar vakgericht onderwijs en workshops. De nadruk ligt op het opdoen van praktijkervaring, door stages en het maken van korte filmproducties. In het vierde jaar tenslotte is tijd ingeruimd voor het maken van een eindexamenfilm.

Smith, Pot en hun jaargenoten experimenteren, proberen, peinzen en mopperen, maar ze hebben vooral veel plezier. Lampen worden een centimetertje verschoven of resoluut verhangen. Met meel en water worden de muren rond een aftandse meterkast doffer gemaakt of juist contrastrijker. De ene keer hebben hun inspanningen resultaat, een volgende leveren ze weinig op. Smith: “Dirk laat ons heel erg onze gang gaan. Hij laat ons eerst zelf kijken wat er gebeurt als je ergens een lamp neerzet of niet. Daarna komt hij pas met aanwijzingen en tips.” Volgens Pot gaat dat in de praktijk ook zo. “Als cameraman moet je kunnen improviseren en onverwachte problemen oplossen”, vertelt hij. “Als je net begint weet je nog niet alle trucs, vandaar dat we van alles uitproberen, voordat er iets lukt.”

Voor Smith en Pot is de Filmacademie niet hun eerste studie. Smith studeerde eerst film- en televisiewetenschappen met het doel om regisseur te worden ('totdat ik er tijdens de praktijklessen achter kwam dat ik met een camera veel beter een verhaal kon vertellen') en Pot liep, naast een studie aan de kunstacademie in Groningen, stage bij de Duitse televisie. Eerst als clapper-loader, later als lichtassistent. Hoewel ze pas in het eerste jaar van hun opleiding aan de NFTVA zitten, valt op hoe nuchter ze over hun toekomstverwachtingen spreken. “Er worden nou eenmaal maar vijftien speelfilms per jaar gemaakt in Nederland”, zegt Smith. “Het is een illusie om te denken dat je er daar een of twee van zou kunnen draaien, zoals buitenlandse directors of photography doen. Je zult dus veel andere dingen moeten aannemen, zoals televisiedocumentaires en commercials en in het begin zal je niet veel verder komen dan camera-assistent.”

Even nuchter als haar jaargenoten camera/licht is regiestudente Eveline Welschen (25). Documentairemaker wil ze worden en dan bij voorkeur voor televisie. “Ik werk het liefste bij een omroep en in opdracht”, stelt ze vast. Haar nuchterheid, of pragmatisme zoals ze het zelf liever noemt, wijt ze aan het feit dat de Filmacademie niet haar eerste studie is, iets wat, zo beklemtoont zij, voor de meeste filmstudenten geldt. “Je moet, denk ik, toch al wat van de wereld hebben gezien voordat je filmmaker kunt worden.”

Obstakels

Welschen rondde vorig jaar haar studies Theaterwetenschappen en Culturele Studies aan de Universiteit van Amsterdam af. Al op de middelbare school droomde zij ervan om regisseur te worden, 'al wist ik nog niet voor welk medium'. Theaterwetenschappen beschouwde zij in eerste instantie dan ook als 'parkeerstudie'. “In het tweede jaar kwam ik er tijdens de research voor Harold Pinters Bergtaal, een toneelstuk over de onderdrukking van Koerdische gevangenen in Turkse gevangenissen, achter dat ik de verhalen van de Koerdische vluchtelingen die ik sprak veel interessanter vond dan Pinters toneelstuk. Ik begon de acteurs als obstakels te ervaren en voelde weerzin tegen het kunstmatige karakter van het theater.” Na stages bij de VPRO-televisieprogramma's TV Nomaden en Waskracht, besloot zij toelatingsexamen te doen aan de NFTVA om 'meer te kunnen experimenteren met techniek en vorm'.

De verwachtingen waren hoog gespannen. “Ik dacht dat de Filmacademie een soort speeltuin zou zijn, waar je de hele dag met film bezig zou zijn en waar iedereen alleen maar over film zou praten”, vertelt zij op een terras schuin tegenover het voormalige hoofdgebouw van de NFTVA aan de Overtoom. “Iedereen is echter erg down to earth. Dat komt omdat film zo'n duur medium is, een filmblik van tien minuten kost, geloof ik, al duizend gulden. En het materiaal voor overige opdrachten moeten we zelf betalen.”

Ook voor de tempobeurs en, in het geval van een eerdere studie, het ontbreken van studiefinanciering betalen de studenten hun tol. “Ik ken niemand uit mijn jaar die geen baantje heeft om in z'n levensonderhoud te voorzien”, aldus Nana Jongerden (27), derdejaars regie. Ook zij is afgestudeerd filmwetenschapper, maar stoorde zich aan het feit dat 'de discussie binnen de filmwetenschap ook zonder een beroep te doen op de films zelf gevoerd kan worden.' Tijdens haar studie aan de universiteit zag ze wekelijks meerdere films en ze kent de filmgeschiedenis dan ook 'redelijk goed', maar 'gek genoeg zie ik sinds ik op de Filmacademie zit bijna geen films meer'. Dat is ook de ervaring van Eveline Welschen: “Ik zie nauwelijks films, hoogstens op televisie. Ik heb er geen tijd en geen geld voor. Op de Filmacademie vragen ze je wel eens 'wat heb je gezien en wie zijn je voorbeelden' maar daar kan ik bijna nooit antwoord op geven.”

Bij hen vergeleken zijn die praktische camerastudenten ware cinefielen. Vol vuur vertellen ze over de filmfestivals die ze hebben bezocht ('de hele dag films kijken is het mooiste wat er is') en ze zien, als ze niet samen aan het werk zijn, zoveel mogelijk films. “Op televisie, video, in de bioscoop, maakt niet uit waar en wat.” Een van hen houdt zelfs een little black book bij, met namen van favoriete films en regisseurs ('David Fincher van Se7en is echt een begrip voor ons').

Een echte filmliefhebber is ook Nanouk Leopold (29), die lyrisch vertelt over de schoonheid van de films van Andrej Tarkovski en Aki Kaurismaki. “Dat zijn filmmakers die mij aanspreken op een wezenlijke, maar niet voor de hand liggende manier. Hun films vertellen het verhaal met alle middelen die de filmmaker maar ter beschikking staat: licht, cameravoering, enzovoort.” Leopold legde onlangs de laatste hand aan haar eindexamenfilm Weekend. Ze bezocht de NFTVA na haar opleiding aan de Rotterdamse kunstacademie waar zij zich toelegde op het maken van video-installaties. “Tot ik ontdekte dat film in één medium alle manieren om je uit te drukken combineert: taal, mise-en-scène, beeld, abstractie, geluid, muziek.” Ook maakte zij een aantal films buiten de academie om, waarvan Fishy (1995, co-regie Froukje Tan) en Marseille 1-2 (1998) werden vertoond tijdens het filmfestival Rotterdam.

Kletsen

Haar grootste teleurstelling toen ze op de NFTVA kwam was 'dat niet iedereen van de grote filmmakers had gehoord. Ik had gedacht dat iedereen het over Pasolini zou hebben. In plaats daarvan hadden ze het over Speed. Eigenlijk werd er sowieso niet veel gediscussieerd over films en filmmaken', herinnert Leopold zich. “Niemand ging bijvoorbeeld naar het filmfestival Rotterdam om films te zien, maar iedereen ging naar Utrecht om stages te regelen, deals te sluiten en bij te kletsen.” Ook van de lessen had ze iets meer verwacht: “Op de kunstacademie was ik gewend om veel te praten over wat ik aan het doen was en vooral waarom, maar daar wordt op de Filmacademie nauwelijks naar gevraagd.”

Leopolds aanmerkingen op de inhoudelijke kant van de opleiding aan de NFTVA worden door veel studenten gedeeld. Evenals het verlangen naar meer begeleiding. “De meeste docenten zijn heel behulpzaam, maar als je raad wilt hebben, zal je er zelf om moeten vragen”, aldus Nana Jongerden. “Je kan je daardoor snel in de steek gelaten voelen.” “Je wordt eigenlijk helemaal niet inhoudelijk beoordeeld”, vindt een ander, “als je je films maar op tijd af hebt.”

“Ik wacht nu met smart op de recensenten die straks bij de eindexamenvertoningen echt iets over mijn film gaan zeggen”, zegt Nanouk Leopold. Een mentor die leerlingen gedurende hun hele opleiding volgt en 'je er nog eens op wijst dat je een bepaalde fout bijvoorbeeld al eerder hebt gemaakt' zou volgens haar ideaal zijn. Hoe het na school zal gaan weet ze nog niet. Ze is bezig met een nieuw scenario. “Ik zou het liefste meteen weer een film maken. School was een ideale werkplaats. Er is geld, materiaal en apparatuur en de contacten met de omroepen zijn heel goed geregeld. En je hebt redelijk veel vrijheid om je films te maken. Dat zal alleen maar moeilijker worden. Als je ziet dat zelfs iemand als Martin Scorsese jaren bezig is een film van de grond te krijgen en dan ondertussen andere projecten moet doen om geld te verdienen.”

Toch is zij niet pessimistisch. “Het stelt me gerust dat er nog steeds films als The River van de Taiwanese regisseur Tsai Ming-liang worden gemaakt en veel waardering oogsten.”

Terwijl de camerastudenten met zware lampen zeulen, legt op de bovenste verdieping van de 'remise' Boris van der Meijden (29) de laatste hand aan zijn eindexamenfilm. Hij heeft er zijn eigen medialab ingericht, vol razendsnelle computers, bakbeesten van ouderwetse pc's en televisietoestellen uit het jaar nul. Zijn afstudeerproject Biogotchy is een korte speelfilm die deels uit live action en deels uit geavanceerde computeranimaties bestaat.

Van der Meijden was eerder werkzaam als vj van het multimedia-collectief Eyegasm en won vorig jaar voor zijn korte film A Signal to Noise de Gouden Vlam tijdens het Videofestival Nederland en kreeg voor diezelfde film een eervolle vermelding tijdens de NPS' 'Avond voor de korte film'. Hij noemt zichzelf ondanks vier jaar opleiding het liefst autodidact. “De digitale afdeling van de academie stelt niet zo veel voor. Wat ik weet, heb ik geleerd door te experimenteren. Ik ben de Filmacademie gedurende mijn studie eigenlijk steeds meer gaan zien als een goed georganiseerd facilitair bedrijf.”

“Ik had gedacht dat ik me hier veel inhoudelijker zou kunnen ontwikkelen, maar de inhoudelijke begeleiding laat nu soms te wensen over. De Filmacademie zou wat mij betreft meer op een kunstacademie mogen lijken. Wil je nu echt goede begeleiding krijgen, dan zal je daar zelf heel erg achteraan moeten gaan. Bovendien is de structuur erg ondoorzichtig, met elk jaar een ander leerplan en docenten. Misschien is dat ook wel allemaal niet zo erg, maar de school had wat mij betreft wel wat meer elan mogen hebben.”