Geen spoor van verval in decadente prozagedichten

Wees altijd dronken! Franse prozagedichten uit het fin de siècle. Gekozen, vertaald en ingeleid door Menno Wigman. Voetnoot, 115 blz. ƒ34,50

De beste gids voor de 'decadentie' van het vorige fin-de-siècle blijft nog altijd A rebours (1884), Joris-Karl Huysmans' exemplarische roman over de laatste telg uit het adellijke geslacht Des Esseintes. Dertig jaar is de bloedarme en nerveuze held, wanneer hij zich vol weerzin uit de monde terugtrekt om nog slechts voor de schoonheid en voor zijn dromen te leven. In een kunstmatige tegenwereld, waar een met juwelen beladen schildpad rondloopt en een parfumorgel de lucht zuivert, verdiept Des Esseintes zich in zijn geliefde schilders en schrijvers - totdat meedogenloos de maagzweer toeslaat.

De laatste aanwinst van zijn bibliotheek is een door hem zelf gemaakte bloemlezing van prozagedichten. Verdere uitbreiding is niet meer nodig, want waarom zou je je afmatten met dikke romans, als de essentie zich ook op één à twee bladzijden laat condenseren?

Wees altijd dronken!, de bundel Franse prozagedichten die Menno Wigman nu heeft samengesteld, bedraagt amper honderd bladzijden, maar als Des Esseintes gelijk heeft, zijn dat er eigenlijk duizenden. 'Het merg, het extract, het wezen van de letterkunde' - zo noemde Huysmans het prozagedicht, waarvoor zijn decadente tijdgenoten een opvallende voorkeur aan de dag legden. Wigmans bundel is niet de - imaginaire - bloemlezing van Des Esseintes, maar zij is wèl door diens voorbeeld uitgelokt. Huysmans' held kan tevreden zijn, want bijna alle bekende en minder bekende meesters van het genre hebben er, in uitstekend leesbaar Nederlands, een plaatsje in gekregen.

De 'decadentie' hoort bij de laatste decennia van de vorige eeuw, toen een kleine elite van dichters en schrijvers het geloof in de Vooruitgang te lijf ging met provocerende teksten vol somberheid, wellust en ennui. In hun esthetisch verzet tegen de burgerlijke beschaving beleefde de Romantiek haar laatste stuiptrekking. Alle romantische thema's passeren nog één keer de revue, maar nu in geconcentreerde, verhevigde vorm, en zonder de energieke hartstocht die de romantici aan het begin van de eeuw meestal nog wèl konden opbrengen. Voor de rebellie van weleer zijn bittere ironie, indolentie en berusting in de plaats gekomen.

In zijn met opmerkelijke empathie geschreven inleiding prijst Wigman het 'frisse pessimisme en allesbehalve laffe escapisme' van de decadenten aan. Terecht, want in literair opzicht blijkt van verval geen sprake te zijn. In het prozagedicht vonden deze schrijvers een vorm voor hun literaire verbeelding, die zijn aantrekkelijkheid nog niet heeft verloren. Tegen de formele dwang van het gedicht en het naturalisme van de roman in, verschafte de combinatie van proza en poëzie hun een creatieve vrijheid waarvan de latere literatuur - in het werk van twintigste-eeuwse prozadichters als Breton, Saint-John Perse, Michaux, Ponge en Beckett - de vruchten heeft mogen plukken.

Volgens Remy de Gourmont was Charles Baudelaire de 'koning der decadenten'. In zijn Spleen de Paris had hij het prozagedicht voor het eerst zijn 'decadente' gezicht gegeven. Het is dan ook niet meer dan rechtvaardig dat de titel van de bundel (een ironische verwijzing naar het Enrichissez vous van de conservatieve liberale staatsman Guizot) aan hem is ontleend. Toch was het romantische prozagedicht niet Baudelaire's uitvinding. Zelf gaf hij toe zich te hebben laten inspireren door Aloysius Bertrand, wiens bundel Gaspard de la Nuit in 1842 postuum werd gepubliceerd. Maar waar Bertrand zijn gekwelde fantasie vooral op de 'gotische' Middeleeuwen had losgelaten, koos Baudelaire voor het 'moderne leven'. Juist het poëtische proza achtte hij bij uitstek geschikt om de moderne metropool met zijn verwarrende ervaringen op te roepen.

Niet toevallig wemelt het in Wees altijd dronken! van de moderne stadsbeschrijvingen, met een nadruk op de morbide, duistere en erotische kanten daarvan. Straathoertjes, vrouwelijke modepoppen, nachtelijke boulevards - met burleske grimmigheid of melancholische resignatie wordt het allemaal bezongen, al ontbreekt (met name in de paar fragmenten uit Lautréamonts Maldoror) ook de sadistische humor van de zwarte romantiek niet.

De decadentie blijft overigens een betrekkelijk begrip in Wigmans selectie. Onder de uitgekozen prozagedichten zitten er diverse, die amper bij dit ooit als geuzennaam geaccepteerde epitheton lijken te passen. De decadenten mogen dan een zekere penchant voor het prozagedicht hebben gehad, hun voorgangers in de vroege negentiende eeuw als Alphonse Rabbe en de al genoemde Bertrand (van beiden zijn enkele teksten opgenomen) kunnen moeilijk 'decadent' worden genoemd. Hetzelfde geldt voor Rimbauds teleurstelling in zijn eigen dichterlijk zienerschap, die hem in Une saison en enfer doet uitroepen: 'Wees volstrekt modern', iets wat de decadenten in weerwil van hun fascinatie voor de nachtzijde van het moderne leven nu juist niet probeerden te zijn. Wat dit betreft hinkt de bundel op twee gedachten: enerzijds tracht Wigman het genre recht te doen, anderzijds de decadentie.

Gelukkig is dat voor de charme van het geheel geen bezwaar. Omdat alle teksten in chronologische volgorde worden afgedrukt, krijg je een mooi overzicht van de ontwikkeling van het prozagedicht, dat de 'decadente' schatplichtigheid aan de Romantiek goed las, van de esthetische verfijning bij Mallarmé naar de vette kitsch bij Jean Lorrain, terwijl Léon Bloy de bundel mag afsluiten met een na alle spijt over de vergankelijkheid bijna hardvochtig te noemen ode op het kerkhof. Maar dat laatste hoeft nauwelijks te verwonderen, want voor deze katholieke geweldenaar kon het Laatste Oordeel niet snel genoeg komen om aan alle moderne smeerlapperij voorgoed een eind te maken. Lang niet alles in de bundel zal nieuw zijn voor de Nederlandse lezer. De gekozen teksten van Bertrand, Baudelaire, Rimbaud en Lautréamont waren al in het Nederlands voorhanden, maar dat geldt niet voor auteurs als Rabbe, Gourmont, Tellier, Schwob of Retté. En van wèl vertaalde auteurs als Huysmans, Verlaine, Lonijs, Bloy of Lorrain zijn hier enkele niet of minder bekende teksten voor het eerst vertaald.

In Wees altijd dronken! worden ze allen in een ongebruikelijke samenhang gepresenteerd, steeds met één of meer proeven van hun kunnen die ten volle beantwoorden aan Des Esseintes' verlangen naar literaire concentratie. En inderdaad: het prozagedicht blijkt in kort bestek een voortreffelijk extract van de decadente sensibiliteit te bieden, waarvan je een eeuw later, ondanks alle geblaseerde vermoeidheid, alleen maar kunt zeggen dat het naar meer smaakt.

    • Arnold Heumakers