Friese identiteit is vooral niet Hollands

Ph. H. Breuker en A. Janse (red.): Negen eeuwen Friesland-Holland. Geschiedenis van een haat-liefdeverhouding. Fryske Akademy/Walburg Pers, 320 blz. ƒ 59,50 Goffe Jensma: Het rode tasje van Salverda. Burgerlijk bewustzijn en Friese identiteit in de negentiende eeuw. Fryske Akademy, 315 blz. ƒ 35,-

Het Engelse Penguin-woordenboek van eigennamen meldt onder 'Frisian' alleen dat dit een veel voorkomende soort zwart-bont rundvee is die veel melk geeft. Er zijn waarschijnlijk ook heel wat meer van deze 'Frisians' dan Friezen die op twee benen lopen. En Friesland is het land van het Fries, maar koeien, ruimte en water bepalen toch het Frieslandbeeld van veel buitenstaanders.

Hebben we het hier nu over de Friese 'identiteit'? Iedereen is er zo langzamerhand wel van overtuigd dat een nationale of regionale identiteit niet statisch is maar voortdurend in beweging blijft; dat maakt het echter ook tot een moeilijk grijpbaar fenomeen. Een van de manieren om aan dit dilemma te ontkomen, is de aandacht te richten op relaties, ontmoetingen en verschil. Wie Friesland binnenreist vanuit de Randstad, zal veel meer getroffen worden door ruimte en koeien, dan wie uit Groningen komt. Als ruimte en koeien dus tot de Friese identiteit behoren, dan vooral vanuit randstedelijk perspectief. Identiteit heeft niet alleen te maken met wat men is, maar ook met wat men niet is.

Wie zich afvraagt wat Friesland niet is, komt al snel tot de conclusie: Friesland is vooral niet Holland. Vanuit dit perspectief is het concept van Negen eeuwen Friesland-Holland onder redactie van hoogleraar Fries Ph. Breuker en specialist in de Hollandse middeleeuwse adel A. Janse dus veelbelovend, al was het maar omdat zij de Penguin dictionary goed hebben gelezen.

Vanzelfsprekend leren we in dit boek minder over Holland dan over Friesland, want Holland is veel minder niet-Friesland dan Friesland niet-Holland. De geschiedenis van de relatie is een manier om iets over Friesland te zeggen zonder nadrukkelijk de trom van de identiteit te roeren.

Dat doen de ongeveer 25 contribuanten aan dit zorgvuldig geïllustreerde boek dan ook niet. Zakelijk en nuchter beschrijven zij de contacten tussen Friesland en Holland. De auteurs presenteren zich als (degelijke) wetenschappers en betrokkenheid bij de Friese zaak klinkt alleen in enkele bijdragen over de Friese taal duidelijk door. Een daarvan staat in het begin van het boek, en de gelegenheid was ook te mooi om te laten schieten: wat nu Noord- en Zuid-Holland vormt, behoorde in de vroege Middeleeuwen tot 'Frisia', en iets dat op Fries leek werd in de vroege Middeleeuwen ook in Holland gesproken. Maar daarna ging het mis. 'Vanaf het moment dat de naam Holland voor het eerst in de geschiedenis verschijnt (in het jaar 1101), is Friesland op zijn retour', schrijven de nuchtere redacteuren.

Aanvankelijk waren de Friezen nog succesvoller als kooplieden, maar ruimschoots voor het eind van de Middeleeuwen waren ze op dat punt al door de Hollanders ingehaald. Ondertussen vochten de Hollandse graven met de 'Westerlauwerse' Friezen (die van het huidige Friesland) hevige conflicten uit over de heerschappij in het gebied. Vooral de dood van graaf Willem IV in de slag te Warns bij Stavoren (1345) is beroemd gebleven. Volgens de bijdrage van J.A. Mol ontstond in de strijd tegen de Hollanders voor het eerst eenheidsbesef in het huidige Friesland. De strijd gaf natuurlijk aanleiding tot beeldvorming (Janse geeft in dit verband een mooie beschouwing over de mythe van de Friese vrijheid).

Voor de Hollanders waren de Friezen onbehouwen barbaren, maar als het zo uitkwam ook afstammelingen van trotse onafhankelijke koningen. De Hollandse Brederodes trachtten zelfs hun adelsbrieven te bewijzen door die van de Friezen af te leiden: één van de Brederodes had immers 'een wijf uut Vrieslant' getrouwd. Gelukkig, zegt de historicus Oebele Vries, kwam er de Bourgondische heerschappij tussendoor, toen Hollanders en Friezen minder scherp tegenover elkaar stonden, want anders was een samengaan in de Opstand niet gemakkelijk geweest. Was er in de late Middeleeuwen regelrechte strijd, tijdens de Republiek legde Friesland zich mopperend en met de nodige tegenwerking feitelijk toch neer bij de Hollandse suprematie en moest bijvoorbeeld de universiteit van Franeker zich op den duur voegen in de rol van kweekvijver voor Leidse professoren.

Het patroon van 'centrum en periferie' werd voltooid in de negentiende eeuw, toen Holland het centrum was geworden van de eenheidsstaat. De relatie met het gewest Holland werd de relatie met 'Holland': veel auteurs gebruiken aanhalingstekens om aan te geven dat het vanaf toen meer ging om de dominante Nederlandse cultuur dan om het specifiek Hollandse daarbinnen (ergens heet het boek zelfs opeens een 'bundel over de relatie tussen Nederland en Friesland').

Plattelander

De ervaring van Friezen in Holland wordt - zoals in de bijdrage aan dit boek van Geert Mak over laat-negentiende-eeuwse Friese migranten naar Amsterdam - dan voorgesteld als de bijna universele ervaring van de plattelander in de grote stad. De negentiende eeuw was voor Friesland de tijd van de vroege socialistische beweging (bijdrage van Johan Frieswijk) en natuurlijk van de heropleving van de 'vergeten taal van het platteland' zoals het wat romantisch heet in één van de bijdragen. Vanaf het eind van de middeleeuwen verdween het geschreven Fries, terwijl er wel een, ook onder de elite populair 'Stadsfries' werd gesproken, maar het 'echte' Fries naar het platteland verdween. Vanaf de negentiende eeuw werd dit 'echte' Fries weer gepropageerd en bestaat zelfs de neiging die vormen in het Fries te kiezen die het verst afstaan van het Nederlands - 'distantiëring' noemt Pieter Breuker dat in dit boek.

Friesland-Holland is het werk van onderzoekers die zich een enkele keer in details verliezen en ook wel eens de thematiek van het boek wat veronachtzamen, maar de omweg via de ontmoeting heeft veel te bieden voor de studie van de Friese 'identiteit' (en waar vindt men nog uitspraken over 'het Nederlands of een andere wereldtaal'?).

Een andere omweg naar hetzelfde probleem heeft de historicus Goffe Jensma gekozen. De toon van zijn Rode tasje van Salverda is geheel anders. Zijn boek is met meer gevoel voor het woord geschreven; objectiviteit en nuchterheid zijn hier minder belangrijk dan kritiek, these en beeldend vermogen. Het is een intrigerend boek. Jensma meent dat Friese cultuurhistorici meestal niet meer hebben gedaan dan de Friese taalstrijd legitimeren. Hij wil het ontstaan van de Friese taal- en cultuurstrijd zelf bestuderen. Hij richt zich daarom op de negentiende eeuw (niet omdat hij van eerdere periodes niets afweet, want hij publiceerde ook over de vroegmoderne periode).

Zijn stelling is dat de Friese beweging in twee etappes is ontstaan. In eerste instantie was ze een uitvinding uit de Romantiek, van de burgerlijke toplaag die soms geïnteresseerd was in het typisch Friese en zich organiseerde in het Fries Genootschap, maar vooral deel had aan een nationale en zelfs Europese cultuur. Jensma geeft dus een (fragmentarische maar scherpzinnige) indruk van deze cultuur. De essentiële stap was echter de ontwikkeling van het veel meer exclusief-Friese Frysk Selskip, dat Nederlands en Fries tegenover elkaar stelde. Het Selskip was volgens Jensma een uiting van toenemend provincialisme, zo niet toenemende frustratie. Pas in de negentiende eeuw werd Friesland het perifere en later ook arme land van de koeien. De Franeker universiteit werd gesloten en intellectuelen en andere vooraanstaande Friezen verlieten in toenemende mate de provincie. De toon werd niet langer gezet door de nationaal en Europees georiënteerde burgerij, maar door een kleine burgerij die de wereld terugbracht tot Fries pocketformaat. Terwijl de Friese elite voorheen op dezelfde hoogte had vertoefd als de overige Nederlandse elite, ontstond nu een provinciale cultuur.

Jensma werkt met een groot penseel, dat af en toe wat spettert. Zijn beschrijvingen zijn impressionistisch, en dat betekent hier zowel beeldend als schetsmatig. Zijn studie maakt ook soms de indruk van twee halve boeken. Het ene bestaat uit een aantal case studies - onder meer over de twee genootschappen, en over de rol van de statistiek en andere media in het (Fries) burgerlijk wereldbeeld. Het andere is een studie over de in het Nederlands en het Fries publicerende predikant Joost Hiddes Halbertsma (1789-1869). Halbertsma is Jensma's onaangepaste held, een vroege Multatuli die in het pijnlijk fatsoenlijke Nederland van die tijd zijn hond versierde met zijn witte domineesbef en dan uit wandelen ging.

Halve biografie

Het wordt tijd voor een biografie van Halbertsma zegt Jensma, maar zijn boek is natuurlijk niet meer dan een halve biografie. Zoals Halbertsma's gaven (die in het boek overduidelijk blijken) miskend zijn omdat hij geïdentificeerd werd met het Fries, zo wil Jensma zijn onderwerp uit het kleine kringetje van de Friese cultuur bevrijden. Hij zoekt dus de aandacht van een publiek buiten Friesland en zijn boek is die ook waard. Ook wie zich niet door alles uit het boek zal laten overtuigen en zelfs wie niet speciaal in de Friese beweging geïnteresseerd is, zal er veel vinden dat de moeite waard is. En ondanks Jensma's kritische houding, getuigt het boek van fascinatie door Friesland, maar dan minder als braaf gewest dan als plaats voor eigenzinnige Friese wereldburgers. Aan de tinten zwart en wit van de vierbenige Friezen zou hij graag wat spetterend rood toevoegen.