Fictieve biografie door William Boyd; Een oefening in vergankelijkheid

William Boyd: Nat Tate, An American Artist: 1928-1960. Uitg. 21 Publishing, 65 blz. ƒ 41,45

Eigenlijk is Nat Tate, an American Artist: 1828-1960 een weemoedig boek, diep weemoedig zelfs. Nu is dat niet de atmosfeer die er sinds de publicatie hangt rond deze fictieve biografie. Dat is er eerder één van joligheid en leedvermaak, de sfeer zoals die meestal hangt rond een geslaagde practical joke. En geslaagd kon de grap van William Boyd genoemd worden: op de presentatie, begin april in het atelier van Jeff Koons, tuinde de Amerikaanse artistieke fine fleur er met open ogen in. Schrijvers Jay McInerney en Paul Auster, uitgever Bill Buford en schilders Julian Schnabel en Frank Stella hadden geen van allen een moment getwijfeld aan het waarheidsgehalte van het boek.

Boyd heeft de val dan ook goed opgezet. Op de presentatie sprak David Bowie (die tegenwoordig ook schildert) zijn bewondering uit voor Tate, las een stuk voor uit Boyds boek en bekende bovendien een schilderij van Tate in zijn collectie te hebben. Bovendien ziet het boek er overtuigend uit: een glanzend omslag met een, vaag, portret van Tate, veel foto's waarop af en toe een meer of minder bekende kunstenaar te herkennen is (Picasso, Braque, Franz Kline), diverse reproducties van Tate's nagelaten werken (voornamelijk uit zijn serie 'The Bridge') en natuurlijk een aanbeveling van Gore Vidal op het omslag: 'A moving account of an artist too well understood by his time'. Op de presentatie schijnen diverse kunstcritici te hebben opgemerkt dat Tate 'interessant, maar niet zo erg bekend' was.

Maar goed, Nat Tate is dus fake, de portretten zijn kiekjes van onbekenden uit Boyds archief en de afgebeelde kunstwerken zijn door de schrijver zelf bij elkaar gekwast. En daarmee is ook het karakter van het boek veranderd; van een kleine biografie tot een studie naar de grenzen tussen roman en biografie. Dat is in elk geval hoe de lezer het boek, na bekendmaking van de rel, al snel zal ervaren: als een zoektocht naar die momenten waar fictie en werkelijkheid elkaar raken, in elkaar overlopen, waar hij de werkelijkheid nog kan herkennen en waar hij die uit zijn vingers voelt glippen - wat de meeste lezers vaker zal gebeuren dan hen lief is.

Want, dat moet gezegd, Boyd heeft zijn boek perfect opgebouwd. Zo perfect zelfs, dat iemand die Nat Tate begint te lezen omdat hij het verhaal over de presentatie zo hilarisch vindt, aanvankelijk teleurgesteld zal worden. Van rellerigheid of joligheid is in het begin van het boek niets terug te vinden - zeker op de eerste bladzijden is Nat Tate een droog, van humor gespeende samenvatting van een vroeggeknakt kunstenaarsleven. Boyd beschrijft hoe hij voor het eerst een tekening van Tate ziet, gebaseerd op Hart Crane's poëziecyclus 'The Bridge', in de galerie van Alice Singer op 57th Street. Hoe die tekening hem intrigeert omdat hij net bezig is met het redigeren van de dagboeken van de schrijver Logan Mountstuart, waarin Tate verschillende malen voorkomt, en hoe hij vervolgens de brieven van Janet Flezer vindt, Tates eerste galeriehouder. Voor alle duidelijkheid: Mountstuart en Tate zijn verzonnen, Hart Crane is echt en van Alice Singer en Janet Felzer heb ik geen idee - en zo gaat het verder, het hele boek door.

Wat Nat Tate nog intrigerender maakt, is het subtiele commentaar dat Boyd met het boek levert op de mythevorming rond de abstract-expressionisten, waarvan Barnett Newman, Willem de Kooning en Jackson Pollock de bekendste vertegenwoordigers zijn. Zij waren de eerste Amerikaanse kunstenaars die en groupe beantwoordden aan het romantische kunstenaarsideaal - het beste voorbeeld ervan is Pollock, met zijn van leven knetterende doeken, zijn reeksen vrouwen, zijn overmatige drankgebruik en zijn dood in 1956 bij een auto-ongeluk. In die generatie, in die atmosfeer, past Nat Tate perfect. Boyd beschrijft hem als een jongen van arme komaf, die zijn vader nooit heeft gekend. De verhalen van zijn moeder over hem variëren, waardoor de jongen alleen maar weet dat zijn vader 'iets met de zee' had. Als Nathwell drie jaar oud is, treedt zijn moeder in dienst bij het echtpaar Barkasian, eerst als dienstmeisje, later als kokkin. Als zij door een auto wordt overreden is Nat acht jaar oud en ontfermen de kinderloze Barkasians zich over hem. De jongen blijkt talent voor tekenen te hebben, volgt summer courses bij Hans Hofmann en vertrekt naar New York, om verder te werken. Al spoedig begint zijn stiefvader zijn bijna volledige productie op te kopen. Hij heeft een korte relatie met Peggy Guggenheim ('He was a great lover', zou ze later zeggen, 'almost in a class with Sam Beckett who had bad skin'). Zijn roem stijgt en wie 'zijn' werk in het boek ziet kan zich dat voorstellen. Het is een mooie afspiegeling van de tijdgeest: een beetje abstract-expressionisme à la Kline, vermengd met krantenknipels en een groot aantal bruggen. 'I like bridges, so strong, so simple - but imagine what flows in the river underneath' schijnt Tate ooit te hebben opgemerkt.

Natuurlijk is Tate gedoemd jong te sterven - dat geeft alleen de omvang van Boyds boek (65 pagina's) al aan. Hij worstelt met een drankprobleem, met zijn kunstenaarschap en zichzelf. In de laatste week van zijn leven gaat hij diverse vrienden en bekenden langs en vraagt of hij de werken die ze van hem bezitten mee mag nemen om ze 'bij te werken'. Deze werken, net als de collectie van zijn stiefvader worden teruggevonden - verbrand. Zelf is Tate dan al, om vijf uur 's middags van de Staten Island Ferry richting New Jersey gesprongen. 'The young man climbed the guard rail, heedless of the other passengers cries, spread his arms and leaped' - de vergetelheid tegemoet.

Hij is echter niet de enige in Boyds boek. Want dat is wat Nat Tate: An American Artist zo weemoedig maakt: tijdens het lezen besef je dat de vergetelheid die Nat Tate ten deel is gevallen bijna alle personages in Boyds boek boven het hoofd hangt - ook degenen die echt bestaan hebben. Boyd zet die tragiek stevig aan, alleen op de eerste bladzijden van zijn boek komt het woord 'forgotten', of een variant daarop, al drie keer voor. Goed, Picasso en Pollock zal dit lot nog wel even bespaard blijven; zij zijn degenen die boven de kunstenaarsroem zijn uitgestegen en ikonen zijn geworden, niet voor niets heet de enige hond die in Nat Tate voorkomt 'Pablo, the Norwich terriër'. Maar bij mindere goden als Hart Crane, Frank O'Hara en Franz Kline is de roem al tanende, net als bij Larry Rivers - hun naam zal onherroepelijk vervallen tot het niveau waarop er Nat Tate-achtige boeken over hen zullen verschijnen, waarbij critici op de presentaties zullen zeggen dat ze 'interessant, maar niet zo erg bekend waren'. In dat opzicht is Nat Tate ook een geslaagde studie in vergankelijkheid. Zoals Frank O'Hara al dichtte, volgens William Boyd dan:

'We were lucky people, lucky people to be living then and in NYC, Quelle chance! Lucky (watch out posterity, here we come!) that we had such great names.'

    • Hans den Hartog Jager