Federico García Lorca (1898 - 1936); Een alleskunner gesmoord

Ian Gibson: Federico García Lorca. Biografie. Uit het Engels vertaald door Auk Leistra. Meulenhoff/Kritik, 559 blz. ƒ 79,90

Federico García Lorca: Impressies van Spanje. Uit het Spaans vertaald door Barber van de Pol. Meulenhoff, 160 blz. ƒ 32,90

Federico García Lorca: Gedicht van de cante jondo. Uit het Spaans vertaald door Bart Vonck. Meulenhoff, 117 blz. ƒ 39,90

Het is vandaag op de kop af honderd jaar geleden dat de Spaanse dichter en toneelschrijver Federico García Lorca geboren werd. Achtendertig jaar later, waarschijnlijk op 19 augustus 1936, een maand na het uitbreken van de burgeroorlog, stierf hij voor een francistisch vuurpeleton. Hij was toen al de beroemdste Spaanse dichter van deze eeuw en misschien zelfs van de hele Spaanse literatuurgeschiedenis.

Dat de militaire opstandelingen met zijn executie een enorme blunder begingen, moeten zij al snel hebben beseft. Lorca's dood werd het symbool van hun barbaarsheid en verleende de toch al bijna mythische dichter een nog grotere allure. Lorca was een alleskunner: een briljant causeur, een begaafd musicus, een tekenaar van formaat en op het eind van zijn leven ook een bezield politiek militant. Maar voor alles was hij de dichter van zijn geboortestreek Andalusië, waarvan hij de diepe melancholie bezong zonder in folklorisme te vervallen, en de grote vernieuwer van het Spaanse toneel, dat nog zuchtte onder de erfenis van hoogdravende romantiek en burgerlijk realisme.

Toch was Lorca geen beeldenstormer. Zijn vernieuwingen kwamen eerder aarzelend en voorzichtig dan met geweld tot stand, zeker wanneer men ze vergelijkt met de stormachtige ontwikkelingen in de Europese literatuur, muziek en beeldende kunst in die jaren. Lorca bleef gereserveerd tegenover al de artistieke 'ismen', waarvan hij via intense persoonlijke contacten kennis had. Hij was een hartsvriend van Dalí, maar zelfs aan zijn meest hallucinerende teksten (de nu vertaalde Prozagedichten uit het einde van de jaren twintig) onthoudt hij uitdrukkelijk de term 'surrealisme', omdat ze - schrijft hij - 'worden verlicht door het scherpste bewustzijn' en dus niet spontaan uit het onbewuste zijn opgeweld.

Homoseksualiteit

Op dezelfde manier had hij enkele jaren eerder - toen in de artistieke Madrileense studentenkringen het 'ultraísme' (een Spaanse variant van het futurisme) om een moderne poëzie van automobielen, film en fox-trot riep - wel een zekere sympathie gevoeld, maar toch geweigerd zich bij die stroming aan te sluiten. En toen hij in de jaren dertig met zijn reizend toneelgezelschap La Barraca de Spaanse plattelandsbevolking kennis liet maken met het theater, schroomde hij niet zijn revolutionaire stutenten-acteurs een diep katholiek stuk als Het leven is een droom van Calderón de la Barca te laten opvoeren.

Die contradicties komen in de nu vertaalde Lorca-biografie die de Ierse (intussen tot Spanjaard genaturaliseerde) hispanist Ian Gibson scherp naar voren. Gibson heeft in het boek (waarvan in de jaren tachtig een uitgebreidere Spaanse editie verscheen) alle moeite gedaan het raadsel van Lorca's complexe persoonlijkheid te ontsluieren, zonder daar - zoals hij zelf erkent - geheel in te zijn geslaagd. Veel kostbaar biografisch materiaal is vernietigd of verloren gegaan door de troebele politieke situatie tijdens en na Lorca's leven. De onzekerheid omtrent de omstandigheden van zijn dood (waarover Gibson al in 1971 een, oorspronkelijk in Parijs gepubliceerde, studie schreef) maken dat al duidelijk.

En nog belangrijker factor was Lorca's homoseksualiteit, die zowel hem als zijn meest intieme vrienden dwong tot een beschroomde zwijgzaamheid die de dichter pas tegen het eind van zijn leven dorst te doorbreken. Ook in Gibsons recente biografie van Dalí uit 1997 blijft dit aspect van hun verhouding grotendeels een zaak van speculatie, die de plaats moet innemen van feiten of getuigenissen. Op dezelfde manier vult Gibson in zijn Lorca-biografie de biografische leemtes nogal eens aan met veronderstellingen en waarschijnlijkheden, of met een biografische lezing van Lorca's oeuvre. Hij gaat daarbij zorgvuldig te werk, maar het blijft een hachelijke manier van doen. Dat Gibsons biografie toch geslaagd mag heten, is niet alleen te danken aan zijn omzichtigheid, maar vooral aan de subtiliteit waarmee hij Lorca's persoon, ondanks zijn vele contradicties, toch een duidelijke samenhang heeft weten te geven die hem (en zijn werk) voor elk 'isme' ongrijpbaar maakte.

Lorca's prozabundel Impressies van Spanje, die tegelijk met Gibsons biografie in een Nederlandse vertaling verscheen, geeft die veelkleurigheid goed weer. Het was het eerste boek dat Lorca publiceerde, als vrucht van een paar studiereizen door Spanje waarvan hij zijn indrukken in korte proza-beschrijvingen weergeeft. Opvallend is vooral hun romantische toon, die (zoals Mario Praz met ongenoegen constateerde) in Spanje al snel enigszins kitscherig wordt. Lorca, die het boek in 1918 op twintigjarige leeftijd publiceerde, is ook dan al in staat tot het oproepen van een sfeer die verder gaat dan het pittoreske. Herbergen, tuinen en kloosters weet hij te beschrijven met de verstilde indringendheid waarin ook Cees Nooteboom een meester is. Maar niettemin voelt hij zich aangetrokken tot een schilderachtigheid die ook dan al tot een overleefde esthetiek behoort en waarvan hij kort na de publicatie van de bundel afstand neemt.

In de Nederlandse uitgave worden deze Impressies voorafgegaan door de al genoemde Prozagedichten van zo'n tien jaar later, die een volstrekt anders sfeer ademen. Als adolescent kan Lorca zich nog druk maken over de louter uitwendige vroomheid die hij in de kloosters meent te kunnen waarnemen, en als contrast daarmee een bevlogen maar wel erg puberale lofzang op de naastenliefde aanheffen. Maar in zijn Prozagedichten strijdt een lichtzinnige religiositeit om de eer met een absurdisme dat een moeilijke keuze lijkt te kunnen maken tussen het hermetisch idioom van zijn dichtwerk en debewust-onbewuste beeldenanarchie van het surrealisme.

Flamenco-festival

Voor dat laatste acht hij zijn teksten uiteindelijk te weloverwogen. Een surrealist is hij dan ook nooit geworden en dat hoeft men niet te betreuren, gezien het gewilde infantilisme waartoe dat al snel aanleiding gaf. Wat Lorca met zijn hoogstpersoonlijke maar strenge poëzie en haar eenvoudige maar tegelijk raadselachtige beelden wèl wilde, laat zich beter aflezen aan de bundel Gedicht van de cante jondo, die tegelijk met de beide andere boeken in vertaling verscheen. De meeste gedichten daarin schreef Lorca naar aanleiding van een flamenco-festival (cante jondo is een oorspronkelijker vorm van Flamenco) dat hij in 1922 samen met Manuel de Falla in Granada organiseerde. Hij probeerde er de oorspronkelijke bezieling van deze oude, on-Europese muziek in op te roepen, zonder zich veel gelegen te laten liggen aan de conventies van vorm en inhoud van de verschillende liedvormen die hij niettemin wel als 'hoofdstuktitels' gebruikt.

Het resultaat is een ogenschijnlijk eenvoudige poëzie, waaraan de liedvorm nog wel valt af te zien, maar die tegelijk hoogst persoonlijk en daarmee eminent modern is, ook al zijn de beelden die van de 'eeuwigheid' van het Andalusische landschap en de smart van het (zigeuner)-bestaan. Dat dit soort poëzie bij iemand als Buñuel slecht viel, hoeft niet te verbazen. Voor Buñuel, die Lorca - net als Dalí - leerde kennen in het beroemde Madrileense 'studentenhuis' (Residencia de estudiantes) dat in die tijd een waar laboratorium vormde van artistieke avant-garde, was het allemaal lang niet modern genoeg. Lorca was en bleef voor hem een 'beroeps-Andalusiër': een verkapte voortzetter van het stoffige olé-folklorisme dat geen enkel bestaansrecht had.

Buñuel heeft Lorca dan ook danig het leven zuur gemaakt, culminerend in de film Un chien andalou, die hij in 1929 samen met Dalí in Frankrijk zou draaien en in de hoofdpersoon waarvan Lorca zichzelf meende te herkennen. Vooral de homoseksuele toespelingen in de film raakten hem diep. Niet zozeer vanwege Buñuel, die altijd een verklaard homo-hater was geweest, maar vooral wegens de rol van Dalí, die Lorca als een pijnlijk verraad ervoer. Die ervaring stortte hem in een diepe crisis, precies op het moment waarop hij met zijn bundel Zigeunerromances uit 1928 (een vervolg op zijn Gedicht van de cante jondo, dat pas in 1931 zou verschijnen) zijn grote literaire doorbraak had gemaakt.

Die crisis vormde de aanleiding tot zijn reis naar de Verenigde Staten, waar hij in New York de moderne wereld zou leren kennen die de ultraístas hem ten voorbeeld hadden gesteld. Hij was daar indertijd niet ongevoelig voor geweest, zowel in zijn poëzie als in in het dagelijks leven. Volgens sommige Spanjaarden ging hij 'schreeuwend Amerikaans' gekleed en zelfs in zijn geboortejaar, dat hij consequent als 1900 opgaf, probeerde hij zich in alles tot een man van deze eeuw te maken - al ziet Gibson er vooral een poging in associaties te vermijden met het Spaanse 'rampjaar' 1898 waarin het land vrijwel alle resterende koloniën verloor.

Maar toen hij in New York het moderne leven daadwerkelijk leerde kennen, viel hem dat rauw op het lijf. Voor hem vormden de Verenigde Staten een helse en ontmenselijkte wereld die alle proporties verloren had, met een schrijnender armoede dan hij ooit had gezien. 'Alles wat menselijk is, alles wat vertroostend of mooi is, is onderdrukt', schreef hij in een brief naar huis over het Amerikaanse protestantisme, waarvan hij niets begreep. En zijn ergste vermoedens over het kapitalisme zag hij bevestigd toen in de herfst van dat jaar de beurs instortte. Het pandemonium waarvan hij toen getuige was zou hij oproepen in zijn bundel Dichter in New York waarvan het anti-Amerikanisme en anti-kapitalisme een indrukwekkend moreel appèl vormt, misschien wel des te noodzakelijker nu het yankee-model zijn hegemonie definitief lijkt te hebben gevestigd.

Adel van de ziel

Vanaf dat moment raakte Lorca's politieke denken in een stroomversnelling, hoewel hij - op een enkele steunbetuiging na - nooit communist geworden is. Hij was hij revolutionair omdat, meende hij, alle dichters dat zijn. Maar aan politiek doen was iets anders. Hij zocht zijn revolutie in een nabijheid tot de 'ziel' die het in de moderne wereld vaak moest ontgelden: de duende van de cante jondo of de son van de Cubaanse zwarten, bij wie hij na zijn traumatische ervaringen in de Verenigde Staten weer tot zichzelf kwam. En hij hielp Spanje moderniseren door volksopvoeding en verbreiding van het literaire erfgoed, waarin het uiteindelijk toch weer om de bedreigde adel van de ziel ging.

Echt modern is Lorca waarschijnlijk nooit geworden, maar ook het voor-moderne trok hem alleen maar voor zover het leefde en daarom veelal haaks stond op het folklorisme en de bigotterie die alleen in behoud waren geïnteresseerd. In dat opzicht is het meer dan symbolisch dat hij gesmoord werd door een ideologie, waarin meedogenloze moderniteit en rigide achterlijkheid een onwaarschijnlijk verbond waren aangegaan dat in Spanje nog veertig jaar zou standhouden.

    • Ger Groot