Eigenwijze architecten

Paul Groenendijk en Piet Vollaard: Gids voor moderne architectuur in Nederland. Vijfde en herziene druk. Inleiding Hans van Dijk. Uitgeverij 010, 372 blz. ƒ 69,90

Hans Ibelings e.a.: Jaarboek Architectuur in Nederland. NAi Uitgevers, 167 blz. ƒ 79,50

De Gids voor moderne architectuur in Nederland is een megaseller onder de Nederlandse architectuurboeken. Sinds de gids voor het eerst in 1987 verscheen, zijn er 17.000 van verkocht. Connie Palmen zou over dergelijke verkoopcijfers in tranen uitbarsten. Maar in de architectuurboekenbranche, waar uitgevers al bij een verkochte oplage van drieduizend spreken van een bestseller, is dit een ongelooflijk aantal. Alleen Nederlands beroemdste architect, Rem Koolhaas, verkoopt meer boeken. Zijn bijbeldikke epos SMLXL beleefde onlangs een tweede druk, die het totaal op ongeveer 80.000 bracht.

De Gids voor moderne architectuur in Nederland is het succesverhaal van twee afgestudeerde studenten bouwkunde. Paul Groenendijk en Piet Vollaard gingen na hun studie in 1987 niet bouwen, maar brachten de waardevolste en opmerkelijkste gebouwen van de twintigste eeuw in Nederland in kaart. 'De selectie van de projecten beoogt een representatieve keuze te zijn uit het werk van architecten en architectuurstromingen die een relevante rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van de moderne architectuur in Nederland', schreven zij in elf jaar geleden in het voorwoord van hun gids. 'Met de verschillende architecten-oeuvres als uitgangspunt is een selectie gemaakt van de belangrijkste werken, waarbij bij meerdere gelijksoortige projecten binnen één oeuvre gekozen is voor één of twee representanten.'

Voorbeeldig

Van bijna 500 gebouwen, verdeeld over 14 regio's, gaven Vollaard en Groenendijk in hun gids uit 1987 een korte adequate beschrijving en een foto. Alom erkende hoogtepunten in de Nederlands architectuur, zoals Van Eycks Moederhuis in Amsterdam, kregen meer ruimte. Literatuurverwijzingen, verschillende registers (op naam en op gebouwentype) en een uitstekende inleiding van architectuurcriticus Hans van Dijk maakten de Gids voor moderne architectuur in Nederland bijna voorbeeldig. Alleen de strikt zwart-witte kaartjes van de regio's, waarin de gebouwen werden aangegeven met een stip en een nummer, waren onduidelijk. En vanzelfsprekend had elke architectuurtoerist met uitgesproken voorkeuren wel iets aan te merken op de keuze van Groenendijk en Vollaard.

Liefhebbers van het werk van Berghoef konden bijvoorbeeld met recht vinden dat het werk van hun favoriete traditionalist wel erg was ondervertegenwoordigd. Maar dit is geen echt bezwaar tegen een gids: waar gekozen wordt, vallen spaanders. Onlangs verscheen de vijfde en herziene druk van de architectuurgids, gemaakt door dezelfde samenstellers. Herzien is in dit geval een te klein woord: eigenaars van de oude gids kunnen deze wel weggooien. Van Dijk heeft zijn inleiding aanzienlijk uitgebreid en de akelige zwarte kaarten zijn vervangen door normale plattegronden met meer nuances. Het aantal regio's in de nieuwe gids is afgenomen van veertien tot dertien, maar daar staat tegenover dat het aantal gebouwen is toegenomen met ongeveer 200, voor het merendeel afkomstig uit de laatste tien jaar, blijkbaar een bloeiperiode van de Nederlandse architectuur.

Nog belangrijker dan de uitbreiding van de gids is de verandering in de vroegere keuze van Vollaard en Groenendijk. Veel gebouwen van voor 1987 hebben plaats moeten maken. Voor een deel is dit een kwestie van beleid, zo laten de samenstellers weten in het voorwoord van de vijfde druk. 'De periode 1970-1985 die in de eerste druk vanwege haar actualiteit meer nadruk kreeg, is in deze nieuwe selectie in balans gebracht met de voorgaande perioden', schrijven ze. Maar uit de veranderingen in keuze in oudere gebouwen vallen ook enigszins veranderde opvattingen van de twee auteurs over de Nederlande architectuurgeschiedenis te destilleren. Zo hebben ze meer ruimte gegeven aan gebouwen uit de jaren vijftig en zestig, een periode in de Nederlandse architectuurgeschiedenis die tien jaar geleden nog algemeen werd verguisd maar nu aan een voorzichtige herwaardering toe is.

Het werk van traditionalistische architecten heeft eveneens wat meer ruimte gekregen in de nieuwe gids. Van A.J. Kropholler is nu naast zijn Van Abbemuseum in Eindhoven en zijn stadhuis in Waalwijk ook het stadhuis in Medemblik opgenomen. Co Brandes, die in de jaren dertig half Den Haag volzette met zijn door Frank Lloyd Wright beïnvloede bakstenen woningen en elf jaar geleden nog geheel in de gids ontbrak, heeft nu twee vermeldingen gekregen. Erg spectaculair zijn deze veranderingen nog niet, maar toch geven ze blijk van de tanende de preoccupatie van Nederlandse architecten en critici als Vollaard en Groenendijk met het Nieuwe Bouwen.

Een belangrijke bron voor de samenstellers van de architectuurgids is ongetwijfeld het sinds 1986 verschijnende Jaarboek Architectuur in Nederland geweest: heel veel gebouwen, die in de loop de jaren in de jaarboeken hebben gestaan, zijn ook in de gids terecht gekomen. De redactie van het Jaarboek heeft de vorig jaar geïntroduceerde nieuwe formule gehandhaafd: de presentaties in woord en beeld van de 24 gebouwen zijn ingebed in een aantal zakelijke overzichtsartikelen over grote stedebouwkundige of architectonische kwesties. Het enige dat drastisch is veranderd, is de vormgeving die als nadeel heeft dat foto's herhaaldelijk over twee pagina's zijn afgedrukt, zodat de precieze vormen van de afgebeelde gebouwen moeilijk zijn vast te stellen.

Onderwerpen in het Jaarboek van dit jaar zijn onder meer de woningbouw op de VINEX-locaties, Schiphol, de shopping malls die nu ook overal in Nederland opduiken en het succes van de Nederlandse architectuur in het buitenland. Voor dit laatste probeert Bart Lootsma in zijn artikel 'Nederland Internationaal' een verklaring te geven. De aandacht van buitenlandse architectuurtijdschriften voor Nederland komt voort uit het buitengewoon internationale karakter van de Nederlandse architectuur, schrijft hij. 'Paradoxalerwijs is het (...) niet een typisch Nederlandse architectuur waarin men in het buitenland geïnteresseerd is, maar een architectuur die nadrukkelijk wordt geprovoceerd door de internationalisering, die in Nederland in relatief korte tijd dwingend haar beslag heeft gekregen.'

De jaarlijks weerkerende kritiek op het Jaarboek Architectuur in Nederland is dat het altijd weer ongeveer dezelfde parade van architecten oplevert en zo geen doorsnede biedt van de Nederlandse architectuur. Tegen deze kritiek verweert de redactie van het Jaarboek zich steevast met de stelling dat het ook helemaal niet de taak van het Jaarboek is om de gemiddelde Nederlandse architectuur te laten zien. Ook dit jaar gaat de redactie heel even in op de te verwachten kritiek. 'Het Jaarboek is geen gemiddelde van de Nederlandse architectuur', valt in het artikel 'Een complexe doorsnede' te lezen. 'Uiteindelijk blijft dit boek toch de keus van vier redacteuren, die het vaak met elkaar eens zijn.'

Aldo van Eyck

Op één uitzondering na is de keuze van de redactie van het Jaarboek niet opzienbarend. Wie architectuurtijdschriften als De Architect en Archis bijhoudt, kent veel van de uitverkoren gebouwen al van foto's. Verschillende hiervan, zoals het Educatorium van Rem Koolhaas en OMA in Utrecht en de Villa VPRO van MVRDV in Hilversum, hebben zelfs al hun plaats gekregen in de nieuwe Gids voor moderne architectuur in Nederland.

Maar die ene uitzondering, de door Aldo van Eyck ontworpen uitbreiding van de Algemene Rekenkamer in Den Haag, is wel heel opmerkelijk. Toen dit kantoorgebouw vorig jaar werd opgeleverd, werd het unaniem uitbundig geprezen door de Nederlandse critici als een mijlpaal in de Nederlandse architectuurgeschiedenis. In de nieuwe Gids voor moderne architectuur in Nederland komt het dan ook al voor, maar de vier redacteuren van het Jaarboek zijn eigenwijs geweest en hebben de eerste staatsopdracht voor de 'grand old man' van de Nederlandse architectuur gewogen en te licht bevonden.

    • Bernard Hulsman