Een wrede grap in de modder; Jacques Tardi en de Eerste Wereldoorlog

In de populaire cultuur is de Eerste Wereldoorlog een zeldzaam onderwerp, maar de Franse striptekenaar Jacques Tardi heeft zijn oeuvre in het teken van die oorlog gesteld. Want, vindt hij, zonder kennis van de slachtpartijen van '14-'18 kunnen al die latere slachtpartijen van de eeuw niet begrepen worden. De Nederlandse Stripdagen brengen zijn werk in het Teylers Museum.

De tentoonstelling 'Loopgravenoorlog' is tot en met 2 augustus te zien in het Teylers Museum in Haarlem, Spaarne 16, van dinsdag tot zaterdag van 10-17 uur, op zon- en feestdagen van 12 tot 17 uur. De Stripdagen beginnen vanavond, op diverse plaatsen in Haarlem, en duren tot zondagavond. Inl. (023) 542 48 05. 'Loopgravenoorlog' en 'C'était la guerre des tranchées' verschenen in 1993 bij Casterman, evenals 'De laatste der laatsten' en 'Le der des ders' (beide 1997). Ook '120, Rue de la gare' verscheen aldaar zowel in het Frans en het Nederlands.

Nederlanders hebben in hun opvoeding tot twintigste-eeuwers een handicap: de Eerste Wereldoorlog, de massale slachtpartij in de loopgraven is hun goeddeels bespaard, en dus onbekend gebleven. Geen oorlog in deze eeuw is onder zoveel patriottisch optimisme en enthousiasme begonnen, en geen oorlog heeft zulke diepe sporen getrokken in de landen die hem voerden: een generatie mannen vrijwel weggevaagd, geen enkel maatschappelijk probleem opgelost, een geestelijke erfenis van bitterheid en defaitisme.

Een mogelijkheid om in deze lacune in onze nationale opvoeding te voorzien komt uit onverwachte hoek: de expositie van een striptekenaar in Haarlem. De Fransman Jacques Tardi (51) heeft een aanzienlijk deel van zijn werk in het teken gesteld van de Eerste Wereldoorlog, en de nawerking ervan in het interbellum. Meer in het algemeen beschouwt Tardi het functioneren van de mens, meestal een privé-detective, onder oorlogsomstandigheden.

Loopgravenoorlog (C'était la guerre des tranchées) heet zijn bekendste boek, dat ook het onderwerp is van de tentoonstelling van tekeningen die vandaag wordt geopend op de Haarlemse Stripdagen. Mannen met de angst in de ogen laten zich in de modder kapotschieten. In de strijd tussen menselijk weefsel en lood gaat het eerstgenoemde steeds ten onder. Darmen stulpen uit buiken, het landschap bestaat louter uit granaattrechters, afgebrande bomen en prikkeldraad. Een opmerkelijk onderwerp voor een tekenaar van strips: het genre omvat tegenwoordig geschiedschrijving en horror, maar een combinatie van beide is in de stripwereld toch zeker een zeldzaamheid.

Tardi verklaart zijn sombere voorkeur met de herinnering aan zijn grootvader, die als soldaat de oorlog '14-'18 in de loopgraven had meegemaakt. Zo'n veteraan als hij was, zijn er nog maar weinig - miljoenen van hun leeftijdgenoten bleven op het slagveld achter. De overblijvers hebben de leeftijd der zeer sterken bereikt. Maar ook lang voordat de laatste ooggetuigen het tijdelijke met het eeuwige verwisselden, was de Eerste Wereldoorlog - ook in de landen die hem voerden - eigenlijk al een non-onderwerp geworden: een gebeurtenis die het lot van een hele generatie heeft bepaald, maar waarover je nauwelijks nog hoort.

De loopgravenoorlog van '14-'18 maakt in de geschiedbeleving nog een beetje deel uit van de negentiende eeuw, net als de Frans-Duitse oorlog van 1870, of het uitroepen van onze Bataafse Republiek: je weet dat het belangrijke gebeurtenissen zijn geweest, maar ze lijken te ver weg om er nog met een brok in de keel aan te denken. Tardi behoort tot degenen die denken dat dit onjuist is. Dat zonder kennis van de slachtpartijen van '14-'18 - met al hun organisatorische perfectie - al die latere slachtpartijen van de eeuw niet goed begrepen kunnen worden.

Loopgraaf

In de populaire cultuur is de Eerste Wereldoorlog een zeldzaam onderwerp, in de stripcultuur niet anders dan bijvoorbeeld in de film. De meeste films waarin de Eerste Wereldoorlog een rol speelt nemen hem hooguit als achtergrond voor een verhaal over de verdwijnende wereld van het fin de siécle, daarmee het denkbeeld bevestigend dat '14-'18 het einde was van een tijdperk, en niet het begin van een nieuw. Over die oorlogshandelingen zelf - die geweldige horror van miljoenen mannen die vier jaar lang hun vege lijf in de strijd wierpen tegen de perfecte mechanische wapens in de loopgraaf tegenover hen - zijn niet veel films gemaakt.

Paths of Glory van Stanley Kubrick uit 1957 natuurlijk, een film die Tardi overigens mishaagt: te heroïsch. Of twee films van de Franse regisseur Bertrand Tavernier. In La vie et rien d'autre uit 1989 wordt de horror zichtbaar gemaakt aan de hand van het uitgraven en identificeren van lijken op de oude slagvelden; en in Taverniers helaas geheel mislukte Conan uit 1996, moeten Franse soldaten op de Balkan na de wapenstilstand van november 1918 nog jaren doorvechten.

Films die geheel in de loopgraven spelen zijn meestal al wat ouder: G.W. Pabsts Westfront 1918 uit 1930, en Les croix de bois van Raymond Bernard uit 1931. Die twee laten goed zien dat een realistische schildering van dezelfde situatie ideologisch heel verschillende resultaten kan opleveren: voor Pabst is het onmogelijke leven van de frontsoldaten een bewijs voor de zinledigheid van de oorlog. Hetzelfde leven moet in de film van Bernard de morele grootsheid van de Franse soldaat aantonen.

Tardi staat duidelijk aan de kant van Pabst: oorlog is een wrede grap met alleen maar verliezers. Tegelijkertijd maakt zijn album Loopgravenoorlog, net als de twee genoemde films, duidelijk dat het heel moeilijk is om deze visie aannemelijk te maken met een verslag van de gebeurtenissen in de loopgraven zelf, hoe aangrijpend ook getekend. Loopgravenoorlog heeft onmiskenbaar iets saais, alle gruwelijkheid ten spijt: niet altijd is het beste verslag van de hel een verslag uit de hel zelf. De lijken die Tardi tekent - de pijnkramp nog op het gezicht of al half tot geraamte verteerd - hebben hun verhaal al verteld. Voor een exposé over de betekenis of zinloosheid van hun sterven heeft ook de striptekenaar levenden nodig.

Zoals Eugène Varlot, de detective in De laatste der laatsten (Le der des ders), Tardi's vorig jaar verschenen album, gebaseerd op een roman van Didier Daeninckx. Varlot is teruggekeerd uit de loopgraven en probeert in het Parijs van 1918 de draad van zijn bestaan weer op te nemen - waarbij de in dit beroep gebruikelijke constateringen van overspel dankbaar worden aangevuld met het opsporen van oorlogsvermisten.

Elke nacht wordt de detective zwetend wakker van dezelfde nachtmerrie, gebaseerd op een eigen oorlogservaring: terwijl de Franse loopgraaf door Franse artillerie beschoten werd - een ook in Loopgravenoorlog beschreven methode om de aarzelende soldaten tot de aanval te dwingen - ging een makker van Varlots door het lint, zette de loop van zijn geweer in zijn eigen mond en drukte af.

Het toeval wil, dat een van Varlots eerste naoorlogse zaakjes een opdracht is van een generaal, hetzelfde slag dus dat Varlot en de zijnen de loopgraaf heeft ingezonden en motiverend beschoten. De generaal behoort tot het slag Fransen dat in vier jaar geen loopgraaf heeft gezien maar desondanks pocht over zijn oorlogservaringen. Het leven geven voor het Vaderland, dat is voor de mens het hoogst-bereikbare, zegt de generaal op het eind van het boek: 'de oorlog liegt niet'.

De generaal wendt zich tot de detective in verband met afpersing, maar al spoedig merkt Varlot dat zijn opdracht deel uitmaakt van een grotere intrige, de handel in onbetrouwbaar varkensvlees. Ofschoon de generaal hem al spoedig de opdracht ontneemt, zet Varlot het onderzoek voort. Hij zal zelf vermoord worden, als verlaat oorlogsslachtoffer van menselijke slechtheid en stupiditeit. De generaal daarentegen heeft nog jaren officiële erkenning en hoogdravende toespraken voor de boeg.

Zedeloosheid

Vóór de bloedige ontknoping maakt Varlot een rondgang door Parijs, die laat zien hoe de naoorlogse maatschappij van 1918 eruit zag. De zedeloosheid: de vrouw van de generaal bezoekt een restaurant, waar in een zaaltje achteraf elke avond orgieën plaatsvinden. De zwarte handel: een van Varlots beste bronnen is een zekere Bob, een achtergebleven Amerikaanse soldaat die zich bezig houdt met het verpatsen van Amerikaanse en andere oorlogsvoorraden. De miljoenen kreupelen en zwaargewonden van de oorlog, die werden weggestopt en toch het straatbeeld bepaalden: in militaire gebouwen, ver buiten de stad, liggen de ergste gasslachtoffers te hijgen tot de dood erop volgt, en degenen die zo zwaargewond zijn, dat zij alleen nog verlamd en doofstom op een bed kunnen liggen. Het vrouwenoverschot en de daarmee gepaard gaande eenzaamheid zijn dermate nijpend, dat menig meisje uit een mengeling van patriottisch en menselijk gevoel in het huwelijk treedt met een benen- en armenloos wrak in een rolstoel.

Bijna iedere tekening van Tardi getuigt van documentatie. Tardi's personages zijn niet realistisch getekend - zij zijn karikaturen - maar hun omgeving is dat wel. Architectuur, auto's, krantenkoppen, teksten op spandoeken van een toevallig passerende demonstratie voor de achturige werkdag, woninginrichting - alles getuigt van een grondige studie van oude foto's en ander bronnenmateriaal.

In deze documentaire ijver onderscheidt Tardi zich van veel andere striptekenaars, die hun medium eerder zien als een mogelijkheid om te ontstijgen aan de wetten van tijd en ruimte en de lezer/kijker associërend door hun verhaal te voeren. Ook Tardi heeft zich vroeger niet onbetuigd gelaten in deze stijl - de avonturen van Isabella Avondrood (Adèle Blanc-sec), ofschoon ook historisch van aard en gesitueerd in Parijs rond 1900, bieden de lezer beduidend veel vlugger en associatiever kijkplezier.

Maar de laatste jaren lijkt de tekenaar zijn publiek steeds meer bij de hand te willen nemen: geen vluchtig plaatjes kijken meer, maar grondige studie van - naar stripbegrippen - veel tekst en soms zeer gedetailleerde tekeningen, luidt de opdracht. Voor veel lezers is dat wennen: niet langer wordt er een beroep gedaan op hun eigen verbeelding, Tardi bepaalt hoe het verhaal loopt. Deze bazigheid heeft Tardi ook aan de dag gelegd bij bij zijn geïllustreerde versies van Voyage au bout de la nuit en Mort à crédit van Louis-Ferdinand Céline. Hij maakte honderden tekeningen: niet langer illustraties bij een boek meer, eerder een poging om de lezer bij elke scène in het boek één visuele voorstelling op te dringen. Wie niet elk plaatje zorgvuldig, afzonderlijk bekijkt, ontgaat een hoop informatie. Hoe ver Tardi in zijn documentaire nauwkeurigheid gaat, blijkt ook uit zijn bewerking van 120, Rue de la Gare, een roman van Léo Malet uit 1943, een van de avonturen van - alweer - een detective, Nestor Burma. Er hangt geen aanplakbiljet voor het Franse equivalent van Winterhulp of een nieuwe Franse film op de achtergrond, of Tardi heeft die ontleend aan een origineel.

120, Rue de la gare is in meer opzichten een sterk staaltje. Malets roman was bij verschijning onderworpen aan de toenmalige censuur, zodat de verwijzingen naar Vichy of de bezetting in de tekst zeer neutraal zijn. In zijn tekeningen vult Tardi de context van bezetting, collaboratie en defaitisme als het ware in en schept daarmee een album, dat de oorspronkelijke roman vele malen overtreft.

Cynisme

Opvallend is de overeenkomst tussen Varlot, de detective die terugkeert uit de Eerste Wereldoorlog, en Nestor Burma, die eind 1940 uit het Duitse krijgsgevangenkamp naar Parijs terugkeert om er zijn bureau weer te openen. Beiden opereren in dezelfde sfeer van angst en cynisme die eigen is aan een oorlog - niet de oorlog waarvan de uitkomst en de betekenis bekend zijn, maar de oorlog waarin het individu wel andere zorgen heeft dan het bepalen van een positie die later de historisch juiste zal blijken, en waarin het onzeker is, of je wel het hoofd boven water zult houden.

Dat beide detectives op elkaar lijken is geen toeval of het gevolg van gebrek aan inspiratie. Het houdt verband met Tardi's visie op de Franse geschiedenis van deze eeuw: de deceptie na de Eerste Wereldoorlog, die - zo was de soldaten voorgehouden - de laatste, alle problemen oplossende oorlog zou zijn, en de vervulling van het Franse revanchisme na de verloren Frans-Duitse oorlog. Wat was aangekondigd als een catharsis, werd een bittere ervaring van ongekende wreedheid, die op het maatschappelijk leven na 1918 een verlammende uitwerking had. Het is, de verzetsstrijders niet te na gesproken, een belangrijke verklaring voor de lijdzaamheid waarmee veel Fransen eerst de dreiging van een nieuwe oorlog over zich heen lieten komen en later de bezetting en de Vichy-staat van autochtone snit.

Natuurlijk is dit alles, toen eenmaal de geallieerde Bevrijding een feit was en generaal De Gaulle in 1944 aan het hoofd van de vrije Fransen de Champs Elysées was overgetrokken, zo snel mogelijk aan het oog onttrokken en uit de collectieve herinnering verwijderd. Niemand heeft graag op het verkeerde kamp gewed. En met de uitdrijving van de ervaringen van '40-'44 zijn ook de collectieve herinneringen aan '14-'18 in een graf van collectieve amnesie bijgezet.

In Nederland, waar de Tweede Wereldoorlog zo'n beetje de eerste snijdende gebeurtenis was sinds de Opstand der Belgen in 1830, kijkt men vaak in grote verwondering naar Frans gedrag in diezelfde jaren. Hoe is het mogelijk dat Sartre en Beauvoir, latere apostelen van rebellie en engagement, in het bezette Parijs gewoon verder bouwden aan hun literaire carrière, en dat Maurice Papon, die organisatorisch verantwoordelijk was voor het wegvoeren van de joden uit Bordeaux, na de oorlog een briljante carrière als bestuurder heeft gekend?

Ik zal niet zeggen dat die verwondering, die door veel Fransen wordt gedeeld, Nederlanders niet siert. Tegelijkertijd moet worden opgemerkt dat zij mede het resultaat is van de gemiste ervaring van de Eerste Wereldoorlog, die heeft veroorzaakt dat bij ons eerder de Tweede Wereldoorlog als maat voor alle dingen wordt genomen. In Frankrijk, waar de herinnering aan de jaren twintig en dertig ook hoe langer hoe meer vervaagt, is dat eveneens in toenemende mate het geval. Onze hedendaagse cultuur is er, net als die rond 1900, een van optimisme, vertoon van maatschappelijk succes en technologische vooruitgang. Daarin heeft niemand meer echt behoefte aan de nagedachtenis van die miljoenen losers, die zich onder feestgedruis naar het slagveld lieten voeren en daar decennia lang niet overheen kwamen.

Toch is ook van ons optimisme de goede afloop niet verzekerd. Er is een eenzame, moralistische en een beetje saaie striptekenaar, die ons daarop wil wijzen.

    • Raymond van den Boogaard