E. du Perron: Uren met Dirk Coster, 1933

E. du Perron: Uren met Dirk Coster; De smalle mens. G. A. van Oorschot, ƒ 28,90

Eén van de vele Nederlandse schrijvers met wie W. F. Hermans in zijn Mandarijnen op zwavelzuur (1964) afrekent, is E. du Perron. Diens polemische traktaat Uren met Dirk Coster wordt afgedaan als 'vervelend, onoverzichtelijk, niet geestig'. De schrijver van dit mislukte pamflet was volgens Hermans het slachtoffer geworden van zijn eigen goedhartigheid, die hem teveel deed luisteren naar de matigende aanmerkingen van verkeerde vrienden (lees: Menno ter Braak). Daardoor was Du Perron, tegen zijn aanleg in, niet de venijnige polemicus geworden die hij graag wilde zijn.

Zeventien jaar eerder, toen Hermans nog geen gearriveerd auteur was, verscheen in het tijdschrift Criterium (maart 1947) een artikel van hem met de titel: 'E. du Perron als leermeester'. In dit stuk werd Uren met Dirk Coster bejubeld om de directheid en het elan die voor Hermans naar eigen zeggen een voorbeeld waren waarvoor hij zich dankbaar toonde. Hij keerde zich tegen het door Du Perrons epigonen gecultiveerde misverstand over diens literaire strijd tegen de 'vorm' en voor de 'vent', de authentieke persoonlijkheid die vooral tot uitdrukking zou komen in dagboeken, brieven en memoires. Du Perron had inderdaad een voorkeur voor deze genres, maar Hermans beklemtoonde dat met de keuze tegen de 'vorm' bij Du Perron vooral een afkeer kenbaar werd gemaakt van een geposeerde en daardoor verstarde wijze van literatuurbeoefening. Een dergelijk maniërisme kon zijn verziekende invloed ook in de egoliteratuur uitoefenen, zoals in andere literaire genres genoeg voorbeelden te vinden waren die de bekoring van de echtheid hadden.

Vandaar dat Du Perron in Uren zijn bewondering uitsprak voor romanschrijvers als Couperus en Van Schendel - later zou hij dat ook voor Vestdijk doen. Zij vertegenwoordigden volgens hem het beste in de Nederlandse literatuur, zoals Dirk Coster model stond voor alles wat hij verafschuwde: het 'slijm' en de 'mist'. Deze in den lande zeer gewaardeerde redacteur van De Stem ging volgens Du Perron in inhoud en stijl te werk volgens het standaardprocedé van het 'ethische waterhoofd'. Literair proza moest volgens Coster in dienst staan van een christelijke ethiek, dat wil zeggen bezwerend, beschouwend, bezielend en vooral niet direct, energiek en confronterend zijn.

Du Perron deelde met Coster een grote liefde voor het werk van Dostojevski, maar distantieerde zich in Uren juist daarom heftig van de verkeerde redenen die 'onze dirrek' tot diens bewondering hadden gebracht. Deze literaire vijand zag in de Russische grootmeester een messias die reddende waarheden verkondigde, terwijl de betekenis van Dostojevski volgens Du Perron moest worden gezocht in de wijze waarop hij naar inhoud en stijl een levende wereld had weten te scheppen: de autonomie van de literatuur diende altijd verdedigd te worden tegen pogingen deze dienstbaar te maken aan welke morele doelstellingen dan ook.

Nog meer dan door dit moralisme voelde Du Perron zich geërgerd door de gedragen en opgeblazen stijl van Coster. Waar deze zalvende 'gristen' ook over schreef, altijd werd de lezer murw gebeukt door een omslachtige en pathetische dreun. Deze auteur, behept met 'de ziel van een heilsoldaat', liet zich altijd meeslepen door zijn hang naar louterende gemeenplaatsen. Juist in die dikdoenerige stijl, vol symbolen en etiketten, kwam de karakterloze en zwijmelende geest tot uitdrukking van een vaderlandse halfzachtheid die zichzelf uitverkoren achtte om de wereld te redden.

De schrijver van Uren kan niet veel illusies hebben gehad over de wijze waarop zijn polemische traktaat zou worden ontvangen, in een verzuilde samenleving die verstikt werd door het 'polderlandse fussoen'. De voortekenen waren al slecht. Hij had zijn aanval op Coster in 1932 in afleveringen in het tijdschrift Forum gepubliceerd en na de eerste negatieve reacties weigerde uitgever Zijlstra mee te werken aan een uitgave in boekvorm. Na een half jaar zoeken, waarin Du Perron met de gedachte speelde zijn geschrift desnoods in eigen beheer te publiceren, werd een andere uitgever gevonden.

Vijandige reacties kwamen uit alle hoeken van het literaire spectrum. De katholieke schrijver Anthonie Donkersloot (die publiceerde onder het pseudoniem Donker, maar door Du Perron consequent werd aangeduid als 'Kostersloot'), zag in Uren een bewijs van 'onbeschoftheid' en 'treiterigheid'. Volgens de aspirant-communist Theun de Vries ('de bleke boekenwurm Theun') was er sprake van een 'infaam geschrift'. En de natuurvriend A. den Doolaard, bekend om zijn religieus-exotische Balkan-romans en door Du Perron getypeerd als 'de Bulgaarse naaktloper', bood hem een 'gratis pak slaag' aan.

Die reacties brachten de schrijver van Uren geenszins van zijn stuk. De afkeer van de Costeriaanse levenshouding en stijl zou hem nooit meer verlaten. Toch besloot Du Perron in 1937 opdracht te geven de nog niet verkochte exemplaren van dit boek te laten vernietigen. Europa leefde inmiddels onder de doem van het aanstormende nazisme en Coster had in woord en geschrift bewezen een bondgenoot te zijn tegen de dreigende barbarij. Die politieke verwantschap was op dat moment in de ogen van Du Perron belangrijker dan hun literaire vete. In de pers liet hij een toelichting publiceren op zijn besluit de overgebleven exemplaren van Uren weg te laten doen: 'Leve de heer Coster! als men aan de toekomstige Hollandse Goebbels denkt.'

In 1920 had Coster een overzicht gepubliceerd van de Nederlandse literatuur. Du Perron had laten blijken zich aan niets zozeer te hebben geërgerd als aan de wijze waarop Multatuli door Coster in zijn boek te kijk was gezet als zonderling. Multatuli, in Nederland algemeen als buitenissige figuur beschouwd, was voor de schrijver van Uren in persoonlijkheid ('het grootste temperament van onze letterkunde') en door zijn authentieke stijl een bewonderd voorbeeld, van wie hij enkele jaren later in De man van Lebak het levensverhaal zou schrijven.

In zijn Criterium-opstel uit 1947 schreef Hermans dat Multatuli in Nederland slechts in één schrijver school had gemaakt: E. du Perron. Juist daarom voelde hij zich naar zijn zeggen verwant met de schrijver van Uren. Ook Hermans schreef een biografie van Multatuli, De raadselachtige Multatuli. Toen dit boek in 1976 verscheen, was hij echter al lang niet meer bereid om zelfs maar te erkennen dat in zijn bewondering voor Multatuli Du Perron voor hem een inspirerend intermediair was geweest. Deze drie geestverwante auteurs hadden niet alleen gemeen dat ze venijnige polemici waren, zij wilden met hun gevecht tegen de halfzachtheid en het moralisme vooral duidelijk maken dat het hun ernst was met de literatuur.

    • Ronald Havenaar