De hogeschoolrijdster; Georges Seurat en het begin van het kijken

“Wie iets abstracts wil uitdrukken, iets wat op het eerste gezicht geen verband houdt met de zichtbare werkelijkheid, die kan het best van de dingen in z'n eigen omgeving uitgaan. Dan blijft het helder, wordt het nooit gemakkelijk vaag. Zo heeft Seurat het ook gedaan.” K. Schippers over de pointillistische meesterwerken van Georges Seurat.

Ruim een eeuw geleden maakte de Fransman Georges Seurat, een tijdgenoot van Vincent van Gogh, een schilderij dat hij De baders bij Asnières noemde. Het werd in 1924 gekocht door de Tate Gallery in Londen. In 1961 verhuisde het naar The National Gallery in dezelfde stad. 't Is ogenschijnlijk een simpele voorstelling. Een groepje mannen lummelt wat bij een rivier. Meer niet.

Juist dit schilderij zou ik in elk gesprek willen citeren en toch doe ik dat nooit. Zie ik er vanaf omdat de baders ten slotte maar weinig hebben te bieden? Of is het domweg te omslachtig om erover te beginnen? Een regel uit een gedicht of een verhaal kun je, om iets te verduidelijken, uit het hoofd citeren, maar een plaatje heb je zelden bij de hand.

Nee, het moet iets anders zijn wat De baders ongeschikt maakt om iets toe te lichten. Je kunt natuurlijk zeggen uit welke traditie het komt, tot welke vernieuwingen het heeft geleid en op die manier komt er altijd wel een gesprek op gang. Maar het werk blijft dan zelfstandig. Het gaat niet op in het leven van alledag. En daar hoort het wel thuis.

Ik kijk opnieuw naar De baders. Het doek neigt naar het abstracte en toch doet het natuurgetrouw aan. Waarom verleidt het me elke keer weer? Daar moet en zal ik nu achterkomen. Als me dat lukt is misschien ook de vraag beantwoord waarom een kunstwerk zo zelden wordt geciteerd. Onze reis begint, stap voor stap zult u die meemaken.

Georges Seurat werd geboren op 2 december 1859 en hij stierf op 29 maart 1891. Hij werd dus maar 36. Ruim tien jaar heeft hij kunnen werken en in die tijd maakte hij zo'n zestig schilderijen, gemiddeld zes per jaar. Dat lijkt misschien niet veel. 't Wordt anders als je bedenkt dat Seurat aan elk doek zeer veel aandacht besteedde, of z'n leven er letterlijk van afhing.

U kent misschien De baders ook, z'n eerste grote doek. De scène speelt zich af bij het dorp Asnières, de rivier de Seine en het eiland De la Grande Jatte. Hij was 24 toen hij aan de voorstelling begon en het kostte hem een jaar.

Laten we meteen ook Het circus bekijken, het laatste doek waaraan Seurat heeft gewerkt. Het werd nog net tijdens zijn leven op de Salon der Onafhankelijken tentoongesteld, zij het onvoltooid. Hij wilde het alvast laten zien, zou het daarna wel afmaken, maar dat kwam er niet meer van. Plotseling kreeg hij difterie. Toen hij een paar dagen later stierf, was het circus nog in de salon.

Wat wilde hij nog veranderen?

In de piste gebeurt van alles. Een hogeschoolrijdster staat met één voet op de rug van een schimmel in galop. Ze draagt een gele jurk en gele kousen. Een august kijkt met gespreide armen toe, een witte clown slaat een gordijn weg, de directeur laat een lange zweep knallen. Dan is er nog een orkestje en daarnaast zit het publiek, van de eerste rij tot hoog in de nok, waar sommige bezoekers met de armen over elkaar op de balustrade leunen.

In die paar jaar tussen De baders en Het circus maakte Seurat een hele ontwikkeling door. De mannen aan de rivier bestaan uit min of meer egale vlakken. De kleur is nog niet opengebroken. In het circus heerst het pointillisme en is de kleur in stippen uiteengevallen. Seurat geloofde dat een toets blauw en een toets geel samen in het oog van de beschouwer vanzelf groen oproepen, sterker zelfs dan wanneer de schilder blauw en geel op het doek heeft vermengd.

Betrappen

Wie het over Seurats werk wil hebben, dient de kunsthistorie te verlaten. Die plaatst het alleen in de tijd en gaat eraan voorbij dat Seurat misschien iets uitbeeldt dat nog altijd opgaat. Dat is over de hele voorstelling verspreid geraakt. Daarom is het nog steeds zo lastig te betrappen. Je kunt beter, met moed voor het onbekende, een gooi naar iets groots of iets absurds doen. Dat deed W.F. Hermans in een stuk naar aanleiding van een Seurat-overzicht in het Grand Palais. Het werd op 15 juni 1991 in Elsevier gepubliceerd.

Ook Hermans heeft het in De stippenschilder over Seurats techniek. Hij zegt terecht dat de beoogde vermenging van twee kleuren tot een andere kleur in het geheel niet plaatsvindt. De toeschouwer blijft de afzonderlijke stippen zien. 'Het lijkt eerder', schrijft hij, 'of het tafereel is samengesteld uit gekleurde regendruppels die, als door een betovering roerloos in de lucht zijn blijven hangen.'

Dan laat W.F. Hermans de zweep knallen en zwiept hij de hogeschoolrijdster de twintigste eeuw in. Het circus was een van zijn favorieten. Hij kon het maar niet uit zijn hoofd zetten dat het schilderij Franz Kafka tot zijn prozagedicht Op de galerij had gebracht. Alle geschriften van Kafka moet hij erop hebben bekeken, maar de naam van Seurat kon hij nergens vinden.

De schets van Kafka, je kunt het misschien beter een groteske noemen, beslaat één bladzijde. De overeenkomsten met het circus van Seurat zijn opvallend. Kafka schreef en had dus, zelfs op die ene bladzijde, een verhaal nodig. Of het zijn eerder twee bewegingen. De ene heft de andere op.

Kafka stelt voor dat 'een of andere tengere, teringachtige schoolrijdster in de manege op een wiegend paard voor een onverzadigbaar publiek, maanden achter elkaar, zonder respijt door een meedogenloze met de zweep knallende pikeur, in het rond gejaagd zou worden'. Daar rijdt ze in de vertaling van Nini Brunt en haar eindeloze gang doet denken aan de Amerikaanse marathondansen uit de jaren dertig, verfilmd in They Shoot Horses, Don't They? van Sidney Pollack.

Zou Kafka de voorstudie of het hele schilderij van Seurat hebben gezien? Toen hij het verhaal in de winter van 1916-1917 schreef, was hij 33. Niet onmogelijk dat hij Het circus als reproductie in een tijdschrift of misschien zelfs in het echt heeft bekeken. Het eerste grote overzicht van Seurat werd in 1900 door het tijdschrift La Revue Blanche in Parijs georganiseerd.

Hermans brengt de groteske van Kafka slim in verband met de hogeschoolrijdster van Seurat. De overeenkomst valt hem op, meer niet. De lezer van zijn stuk moet zelf maar zien wat hij ermee wil doen. Die heeft nu twee hogeschoolrijdsters, één van woorden en één van verf. Hij leest en bekijkt ze, stuk voor stuk.

Huilende bezoeker

En dan gebeurt er iets merkwaardigs. Hoe mooi het verhaaltje van Kafka ook is, de hogeschoolrijdster van Seurat wil er maar niet in opgaan. 't Is of de schilder nog iets anders uitbeeldt dan een circusdirecteur en een stalknecht, dan een orkest en een huilende bezoeker op de galerij, of die figuren in het verhaal een veel zwaardere rol hebben dan in het luchtig geschilderde circus, of ze bij Seurat iets verrichten wat nooit zichtbaar kan worden in een verhaal en ook niet in het gesprek waar ik ze zo graag in wil hebben, het gesprek waarmee dit stuk begon.

Met gespreide armen en één voet op de rug van de schimmel maakt de hogeschoolrijdster een ongelofelijke sprong. Kafka, W.F. Hermans en de Nieuwe Zakelijkheid, ze bestaan niet meer voor haar en nu komt ze vanuit het circus niet in een verhaal maar in een alledaagse omgeving terecht.

Waar bevindt die zich? Bij de rivier. Daar zijn de baders. Vijf mannen zitten of liggen op de oever. Twee jongens zijn al in het water gegaan. Verderop vaart een roeiboot met de Franse vlag. Drie zeilboten zijn er met het mooie weer op uitgegaan. Dan nog de bomen op de oevers, en de lange brug en zeven fabriekspijpen in de verte. En de lucht en het water natuurlijk. Die zijn alle twee tintelend blauw.

Hoe eenvoudig al deze dingen ook zijn, toch heeft het schilderij iets van een maar deels leesbaar handschrift. Je vermoedt sommige woorden, maar je leest ze net niet. Daarom heeft dit doek het zo lang uitgehouden. Steeds sta je op het punt iets te ontdekken.

Seurat wilde met De baders iets uitbeelden dat z'n krachten te boven ging. Maar hij probeerde het wel. Je ziet dat hij het tafereel niet neerbuigend aan zich ondergeschikt probeert te maken. Je voelt de grootse poging om werkelijk ergens achter te komen. Seurat geeft geen vluchtige indruk van een rivier. De over het land en water verdeelde mannen lijken eerder op zuilen. Wat wordt uitgebeeld doet aan architectuur denken.

Wie iets abstracts wil uitdrukken, iets wat op het eerste gezicht geen verband houdt met de zichtbare werkelijkheid, die kan het best van de dingen in z'n eigen omgeving uitgaan. Dan blijft het helder, wordt het nooit gemakkelijk vaag. Zo heeft Seurat het ook gedaan. De baders, die hij in de lente van 1884 begon te schilderen, waren hem bekend. Het dorp Asnières en het eiland De la Grande Jatte in de Seine hoorden tot zijn vaste gebied. Wat de baders zo verraderlijk maakt is dit vanzelfsprekende. Om juist dat te kunnen benoemen is er soms iets extra's nodig, iets dat zich, zonder dat je erop uit bent, min of meer toevallig voordoet.

In de wieg

Laatst stond er in het programmablad van een omroep een foto van twee figuren, zo'n plaatje dat er ineens is, alleen maar omdat je een bladzij omslaat. Ik zeg figuren omdat het woord mensen hen niet meteen recht zou doen. Dit was het onderschrift: 'Moeder, zoals een autistisch kind haar ziet (links) en rechts zoals het hoort.' De gewone moeder - zeg ik nu maar - heeft een lief gezicht met volle lippen en aandachtige ogen. Op de foto is het nogal smal, in elk geval smaller dan het op een normale foto zou zijn. De opname is gemaakt vanuit het gezichtspunt van een kind dat in bed of wie weet zelfs nog in de wieg ligt.

Je hoeft je bij gewone moeder maar even te verschrijven en het staat er: gewonde moeder. Dat is de tweede moeder op de foto 'zoals een autistisch kind haar ziet.' Het heeft iets van een houten kop zoals je die ziet in een etalage van een kledingwinkel. Geen beweeglijk voorhoofd met kans op rimpels, geen wangen die je zou willen strelen. De kop is glad en vlak. De neus ontbreekt. De ogen bestaan uit inkepingen in het hout of gips. Ook de mond ziet er weinig vertrouwd uit. 't Is een plotselinge holte. De huid stopt wel op de plaats van de mond, maar had daar ook ononderbroken kunnen doorgaan, net of degene die dit gezicht ziet niets heeft geleerd van andere waarnemingen. Of er moeite voor moet worden gedaan om zoiets gewoons als een gezicht op te bouwen, geen herkenning, maar een constructie van gelaatstrekken.

Met schroom breng ik de foto van de gewonde moeder, die gladde niet tot een gewoon gezicht opgewerkte kop, in verband met de baders van Seurat. De vlakken op de foto en de vlakken op het schilderij lijken uit dezelfde bron te komen. In welk opzicht stemmen ze met elkaar overeen?

In NRC Handelsblad van 2 mei 1998 staat een stuk van Hendrik Spiering. Het heet 'Een vreemde wereld'. In het begin van dit artikel citeert Spiering J.G.T. van Dalen die de gewonde moeder in 'n jeugd goed moet hebben gekend. Als Van Dalen naar dat voorwerp kijkt ziet hij uitsluitend onderdelen die niets met elkaar te maken hebben, 'een vierkant blok ijzer met in de onmiddellijke nabijheid een toevallige houten staaf.' Spiering zegt dat Van Dalen zo'n verbrokkelde waarneming slechts met grote denkkracht weet om te bouwen tot het bewustzijn: hier ligt een hamer.

Halfduister

Van Dalen is licht autistisch en hij noemt z'n waarnemingsprobleem 'overselectiviteit'. Uit eigen ervaring zegt hij 'dat autisten op onderdelen van objecten lijken te reageren alsof het hele objecten in zichzelf zijn.' Dat leidt bij hem tot een diffuse angst. Om die voor de leek te verduidelijken roept hij het beeld op van een silhouet in het halfduister dat men niet onmiddellijk kan thuis brengen.

Dat gevoel kent iedereen. Als de ogen aan het duister gewend zijn, zetten ze wat zoveel vrees inboezemt in iets bekends om. Het vraagstuk is opgelost. Maar voor de autist is het nooit opgelost. Het silhouet in het halfduister is voor hem een dagelijkse realiteit. Van Dalen schrijft er indrukwekkend over, maar het werk dat hij wel moet verrichten om het nabije steeds weer te bevechten blijft buiten het bereik van de lezer. Of toch niet helemaal?

Om iets dichter bij de foto van de gewonde moeder en bij de wereld van Van Dalen te komen moeten we aan zoekplaatjes denken. Zo'n voorstelling waarin het profiel van Napoleon verborgen is in de takken van een boom. Of aan het altijd weer opduikende negentiende-eeuwse portret van de vrouw met de muts. Je ziet het profiel van een beeldschoon meisje, maar als je ogen afdwalen naar de ketting om haar hals verandert ze in een oude vrouw met een grote neus en een scherpe kin. Het hangt er maar vanaf hoe je de vlakken op de tekening scheidt of hoe je ze juist met elkaar verbindt.

Zo'n vlak heeft wel een vaste plaats en toch kan het, afhankelijk van de richting die je eraan toekent, in de ene of de andere samenhang schieten. Het wordt een neus of een kin, een ketting of een mond, een oog of een oor. Zelfs als je het plaatje goed kent, staat het niet vast.

Kijken is optellen in goed vertrouwen. Voor je met die optelsom begint, wordt er even niet geteld, duurt het een fractie van een seconde voor het vlak zich aan iets anders kan hechten, zich omzet in iets wat je gelukkig al veel langer kent, daar is de hamer, kies maar, het jonge of het oude gezicht.

Dat optellen duurt bij Van Dalen en bij het kind dat hij eens was veel langer dan bij een ander mens. De herkenning van het geheel wordt uitgesteld. Op het gezicht van de gewonde moeder zie je hoe de gelaatstrekken onverbonden bijeen zijn, of het onbekend is wat ze in elkaars buurt uitspoken. Maar in het begin, als we net iets zien, zijn we even de gelijke van iemand die de simpelste dingen alleen uitgesteld kan combineren. Het beginvlak, dat geldt voor iedereen en dat heeft Seurat op de oever van de Seine geschilderd. Het begin van de waarneming, het ogenblik vlak voor de herkenning van wat er is.

Seurats schilderij ziet er weinig naturalistisch uit. Dit is niet de vluchtige indruk die een rivier op je maakt, nee, het is de uitbeelding van iets wat anders verborgen was gebleven. Op elk ander zonnig riviergezicht zou de natuur in bloei staan en waren de baders met van alles in de weer, eten, zwemmen, spelen. Dat heeft Seurat achterwege gelaten. Het is het begin van de optelsom, vlakken voor ze met hun broers en zusjes in beweging schieten.

Op deze oever is de hogeschoolrijdster gekleed in wat Seurat na die beginvlakken nog voor haar had. Gekleurde regendruppels, stippen als blauw en geel die samen geen groen vormen, de hogeschoolrijdster smokkelt alle tinten uit de schijnbaar witte stralen en laat zien wat er zou gebeuren als het ontbundelde licht zich niet meer tot een zeldzame regenboog beperkt. Op haar schouders en armen, op de rug en de benen van het paard, het totale spectrum heerst nu overal.

Gedicht

In het begin van dit stuk vroeg ik me af waarom een werk van een beeldend kunstenaar in een gesprek zo zelden wordt geciteerd, in elk geval minder vaak dan een regel uit een verhaal of een gedicht.

Misschien heeft het er mee te maken dat een beeld al gauw tot het verhaalloze hoort, ongeveer zoals een schaduw. Die zul je niet gauw ter sprake brengen, al heb je op een dag nog zo'n prachtige schaduw gezien. Hermans deed een gooi naar iets groots toen hij de hogeschoolrijdster van Seurat met die van Kafka vergeleek. En toch maakte ze zich uit dat verhaal los en sprong ze naar het alledaagse, niet naar de gangbare betekenis van dat woord, boodschappen doen of een eindje fietsen, pindakaas of verjaarsbezoek, maar naar de onveranderlijken die ieder voorval mogelijk maken.

We zijn allang in de angsten en verrukkingen van het nabije terechtgekomen. Hermans schreef dat Seurat 'een bovenwereldlijk droomrijk' schilderde. Dat ligt niet ver van ons af, niet onder water als Atlantis, of op een ver eiland als Lilliput. Dat droomrijk is onze directe omgeving. Georges Seurat dreef het op de spits, met ongebundelde kleuren en de vlakken van het eerste begin. Hij voerde wat er altijd is op tot z'n hoogste staat.

En juist dat zou je steeds weer in een gesprek willen betrekken in het besef dat het niet gaat. Het zou de conversatie lamleggen. Een toneelspeler zegt ook niets over de decors. Ruimte, licht, kleur, we kunnen alleen met ze omgaan als we doen of ze onze ondergeschikten zijn. Tot de hogeschoolrijdster van Georges Seurat buiten ieder verhaal springt en haar confetti strooit over de oppervlaktes die zij voorbijgaat. Confetti die ook werkelijk naar aanleiding van zijn kleurstippen is uitgevonden. Zo is hij op elk feest te gast.

    • K. Schippers