De drang naar het Oosten; Middeleeuwse reizigers in Azië

Lang voor de zogeheten ontdekkingsreizen trokken al Europeanen naar Azië. Diplomaten, kooplieden en missionarissen reisden oostwaarts, zonder precies te weten hoe Azië geografisch in elkaar zat. Verscheidene nieuwe boeken geven inzicht in hun ontmoetingen met Mongolen en Chinezen. Maar hoe betrouwbaar zijn deze geschriften?

Dick E.H. de Boer (red.): Kennis op kamelen. Europa en de buiten-Europese wereld (1150-1350). Prometheus, 312 blz. ƒ 39,90

Johannes von Plano Carpini: Kunde von den Mongolen 1245-1247 (vertaald en ingeleid door Felicitas Schmieder). Jan Thorbecke Verlag, 182 blz. ƒ 51,75

Ibn Battoeta: De reis. Gekozen, uit het Arabisch vertaald en van aantekeningen voorzien door Richard van Leeuwen, Bulaaq, 387 blz. ƒ 69,50

Jacob d'Ancona: The City of Light. Vertaald en uitgegeven door David Selbourne, Little, Brown and Company, 392 blz. ƒ 89,55. (De Nederlandse vertaling verschijnt in september bij Van Reemst.)

Een golf van paniek sloeg door Europa toen in het midden van de dertiende eeuw een machtig, barbaars maar verder onbekend volk uit Centraal Azië naar het westen oprukte. De Mongolen kwamen. In 1241 waren ze doorgedrongen tot in Polen en Hongarije. Ze hadden zich om voor het westen onverklaarbare redenen weer teruggetrokken, maar het stond vast dat hun aanvallen onverminderd zouden voortgaan.

Tegenwoordig is wel duidelijk dat de Mongolen (of Tartaren) in een razend tempo in grootscheepse veroveringsoorlogen een onnoemelijk gebied hebben veroverd: van China tot West-Europa en van de Oeral tot aan Perzië. In 1206 was hun leider Dzjengish Khan uitgeroepen tot de grote leider van alle Mongolen. Hij had de hoofdstad van dit volgens een moordende discipline georganiseerde rijk gevestigd in Korakorum in Midden-Siberië.

Maar in de dertiende eeuw wist men in het westen niet veel meer dan dat ze machtig, bewegelijk, hard en militair onverslaanbaar waren. Een precies inzicht in hun aantal en de gebieden die ze veroverd hadden, bezaten de Europeanen niet. Sterker nog, men wist eigenlijk helemaal niet hoe de wereld in elkaar zat. Europa, de Middellandse Zee-kusten en het Midden-Oosten waren vrij goed bekend. Maar hoe ver Afrika zich naar het zuiden uitstrekte, daar had men geen enkel reëel besef van en Azië schatte men veel kleiner dan het in werkelijkheid is. Men kende de wereld geografisch niet zoals wij die kennen, het begrip van betrouwbare landkaarten met een homogene schaal bestond nog niet. Kaarten hadden eerder een symbolisch karakter.

Dolle honden

Toch was het voor de Europese machten, in de eerste plaats voor de paus, die zich als universele heerser van de wereld zag, van het grootste belang om inzicht te krijgen in de positie en de bedoelingen van de Mongolen. Waren ze echt van plan Europa onder de voet te lopen? Zouden ze niet bereid zijn zich te laten kerstenen en zouden ze misschien niet een alliantie met de christelijke staten willen aangaan om gezamenlijk de islamieten in de tang te nemen? En waarom schonden ze het recht en raasden ze als dolle honden over de aarde?

Met al deze vragen worstelde paus Innocentius IV. Hij besloot daarom tot het uitzenden van twee gezantschappen. Het ene reisde via het Nabije Oosten, het andere trok door Rusland. De leider van dit tweede gezantschap was de zestigjarige Franciscaner monnik Johannes van Plano Carpini. Zijn opdracht leek vrijwel onmogelijk: met een klein gezelschap, met weinig geld, met maar een wazig besef van de werkelijke afstanden en van de juiste route door Europa en Azië reizen. Door gebieden waar nog nauwelijks Europeanen waren geweest, waarvan geen kaarten bestonden, waarvan men de taal niet sprak. In feite kan Johannes niet geweten hebben waaraan hij begon.

Toch is hij in zijn missie geslaagd. Hij deed er meer dan een jaar over om via Polen en Kiev, over de Oeral naar Karakorum te reizen. Hij sprak er, 8000 kilometer van zijn vertrekpunt, de grote khan en keerde weer terug. Hij schreef een zakelijk, systematisch rapport over de Mongolen en over zijn reis. Dit verslag is nu opnieuw uitgegeven door Thorbecke Verlag, in een zeer fraaie nieuwe reeks Fremde Kulturen in alten Berichten waarin historisch belangrijke reisgeschriften vertaald, ingeleid en geannoteerd verschijnen.

De tekst van Johannes van Plano Carpini is een echt rapport: een zakelijke beschrijving van de gewoontes van de Mongolen, hun uiterlijk, kleding, religie, manier van voeden (over broodjes tartaar wordt overigens nergens gerept) en vooral over hun rücksichtslose manier van oorlogvoeren. Dat laatste was van belang om te weten hoe de Europeanen hun aanvallen zouden kunnen afslaan.

Na deze systematische, bijna antropologische beschrijving volgt het reisverslag. Johannes was een geharde bedelmonnik, iemand die niet gauw zal klagen. Wanneer hij dat toch deed moet het wel erg slecht met hem zijn gegaan. Ieder zou de moed in de schoenen zijn gezonken bij alle tegenslag, de kou, de honger de problemen bij de grenzen, de afpersers, het getraineer, de ziektes, de karige maaltijden van gierst, water en zout. Maar het wonder geschiedt: hij bereikt het centrum van de Mongoolse macht.

Niet dat men daar op hem zit te wachten. De nieuwgekozen khan, Güyük, ontvangt gezanten uit heel Azië, en Johannes, die weinig geschenken van waarde bij zich heeft, is maar een van de velen. Hij moet wachten en krijgt nauwelijks genoeg te eten - gastvrijheid is bij de Mongolen een onbekend begrip - om in leven te blijven. Wanneer hij eindelijk in audiëntie ontvangen wordt overhandigt hij een brief van de paus, die met behulp van een aantal tolken wordt vertaald. Maar de Mongolen zijn niet geïnteresseerd in het christendom en vragen zich eerder af waarom 'Heer Paus' zich eigenlijk niet persoonlijk kwam onderwerpen aan de enige ware heerser van de wereld, de khan?

En zo keert Van Plano Carpini na twee jaar terug. Veel illusies heeft hij niet. In Europa vertelt hij wat hij op zijn reizen heeft beleefd en schrijft hij zijn rapport, de Ystoria Mogalorum, dat in vele kopieën circuleerde en dat nog steeds een van de fundamentele bronnen is voor onze kennis van de Mongolen. Hij laat er geen twijfel over bestaan dat de Mongolen zouden terugkeren naar het westen om het Avondland in een acht- tot tienjarige oorlog te veroveren. Om dat te voorkomen, moeten de christelijke vorsten zich verenigen en de krijsginstructies van Johannes goed benutten.

Van Plano Carpini figureert ook in de Nederlandse bundel Kennis op kamelen, een boek over de contacten van Europeanen met de niet westerse wereld. Het is mede uitgegeven met het oog op het centraal schriftelijk eindexamen Geschiedenis met als thema 'Europa en de buiten-Europese wereld tussen 1150 en 1350'. Ook het tijdschrift Spiegel Historiael wijdde daar een speciaal nummer aan (januari 1998). Kennis op kamelen is een informatief en toegankelijk geschreven boek, waarin ook ruimte is gereserveerd voor eigentijdse bronnen en voor illustraties. Het is geschreven door zes auteurs en bestrijkt een periode van twee eeuwen waarin door verschillende politieke en economische omstandigheden Europeanen de gelegenheid kregen om verder te kijken dan de grenzen van Zuid- en Oost-Europa. Een periode van intensieve contacten met Noord-Afrika, het Midden-Oosten en Azië, van kruistochten en van reizen naar Azië door kooplieden, missionarissen en diplomaten van wie die van Marco Polo de meest bekende is.

Mythes

Twee factoren speelden bij die nieuwe contacten een cruciale rol: de commerciële banden met Azië en de zich uitbreidende islam. Beide factoren hadden positieve en negatieve kanten. Azië bleef altijd een half mythisch gebied met machtige rijken en een onvoorstelbare weelde. Maar uit Azië dreigde ook het gevaar van de Mongolen. De islam, de andere buiten-Europese factor, werd weliswaar gezien als een bedreiging van de christelijke wereld, maar tegelijk was het juist dankzij de Arabische vertalingen van Griekse teksten dat de erfenis van de klassieke oudheid in het westen weer bestudeerd kon worden.

Verschillende thema's komen in dit boek aan bod: de Europese kijk op de wereld, de rol van reizigers in de beeldvorming, het kaartbeeld, de verhouding tot de islam, de wetenschapsbeoefening binnen de islam en de voorstellingen over het legendarische rijk van de priester-koning Pape Jan, dat zich ergens in Azië moest bevinden en waar ook Van Plano Carpini zich een beeld van probeerde te vormen. Een van de interessantste aspecten is de manier waarop werd omgegaan met nieuwe kennis die door ooggetuigen werd aangereikt. Kennis over buiteneuropese gebieden was gebaseerd op wat de klassieke auteurs, de bijbel en de kerkvaders hierover hadden geschreven, aangevuld met traditionele mythen en verhalen. Keer op keer blijkt hoe onaantastbaar dit kennisamalgaam was. Nieuwe empirische kennis verving de oude bronnen niet, maar werd aangepast of gewoon verzwegen. Men bleef vast geloven in wonderlijke verhalen en in mythes en men identificeerde bijvoorbeeld nieuwe plaatsnamen met namen die men uit de traditie kende.

Tegen de achtergrond van alle overgeleverde kennis en de niet verwerkte empirie is het realisme dan ook verrassend in het reisverslag van een geleerde joodse koopman uit Ancona, die in 1270 een reis naar China ondernam. Zijn reis heeft hij beschreven in een handschrift dat zich in particulier bezit bevindt en dat werd vertaald door de Engelse politiek-historicus David Selbourne. De titel The Ciy of Light, is genoemd naar de Chinese stad Zaitun (Quanzhou) waar de auteur uiteindelijk aankwam.

Het is een opmerkelijk verhaal. Jacopo d'Ancona zou zijn opgevoed in de beste joodse, filosofische tradities bij een leerling van Maimonides. Hij trouwde, kreeg kinderen en besloot, op ongeveer vijftigjarige leeftijd, toen het handelshuis van zijn vader in financiële moeilijkheden was geraakt, tot een reis naar China. Anders dan de reis van Van Plano Carpini was dit dus een handelsreis. Jacopo d'Ancona rapporteert niet, maar verhaalt gedetailleerd over deze enorme onderneming. Via Cyprus reist hij met in totaal zes man en twee vrouwen personeel naar Palestina en door Syrië en Irak naar de Perzische Golf. In Basra huurt hij twee schepen en daarmee zeilt hij langs de kusten van India naar Ceylon, Sumatra, Maleisië en Vietnam tot China. Overal doet hij havens aan waar zich Europese en ook joodse vestigingen bevinden.

Wat opvalt, zijn niet alleen de uitvoerige beschrijvingen van de praktische kanten van het reizen, van de schepen, van het laden en lossen, van de handelstransacties, de steden, maar ook zijn persoonlijke beleving van de reis. Jacopo is een vrome jood die zich nauwgezet aan de geboden houdt, hij toont zijn twijfels, zijn heimwee, zijn woede en de verleidingen waaraan hij blootstaat. Uitvoerig beschrijft hij de stad Zaitun. Dat was met 200.000 inwoners de grootste stad ter wereld, een overvolle metropool, waar handelaren uit heel Azië en Europa elkaar vonden en waar een gemeenschap van 2.000 joden leefde. Jacopo doet er goede zaken.

Schitterend is de bijna filmische beschrijving van Jacopo wanneer hij zijn verdwenen stuurman moet zoeken. Die is, zo zeggen zijn andere bedienden, bezweken voor de verleidingen van de zelfkant van Zaitun. Jacopo gaat na enige aarzeling op pad en belandt in het Chinese Sodom, in kroegen en bordelen waar hij buitengewoon levendige beschrijvingen van geeft. Hij ontdekt dat de stuurman vermoord is en zelfs vindt hij diens half vergane lijk, dat hij piëteitsvol laat begraven.

Verval

De bedrijvigheid in de krioelende reuzenstad vormt één kant van de beschrijving van Zaitun. Maar dan krijgt het verhaal een andere wending. Jacopo komt in kringen van Chinese filosofen en vooraanstaande kooplieden. Die ondervragen hem over Europa en vooral over de verhouding tussen joden, christenen en islamieten. Jacopo ontpopt zich als een hevig geëmotioneerde man die uitvoerig schetst hoe slecht de positie van de joden is en hoe ze gediscrimineerd worden door de christenen. Het verhaal krijgt een sterk anti-christelijke inslag, waardoor een katholieke priester op zijn beurt hem probeert zwart te maken. Het relaas krijgt nog een andere, politieke draai, wanneer de positie van de stad en van het zuidchinese rijk in het algemeen besproken wordt. Jacopo treedt hier dus op als een wijze vreemdeling, zoals er meer door Azië en Europa trokken (een Arabisch voorbeeld is Ibn Battoeta van wiens uitvoerige reizen onlangs een vertaalde Nederlandse selectie is verschenen bij uitgeverij Bulaaq).

De maatschappij, zo luidt de grote klacht van de Chinezen in Zaitun, is in verval. De zeden verwilderen, de jeugd leert niets meer, men kent de oude filosofen en dichters niet meer, iedereen is uit op rijkdom en op een leven in weelde. Tegelijk neemt de dreiging van de Mongolen vanuit het noorden toe.

Jacopo krijgt de gelegenheid zijn ideeën over het juiste bestuur, over godsdienst en opvoeding uiteen te zetten. Hij staat voor een rechtvaardige samenleving, waarin goed voor de minderbedeelden wordt gezorgd en waarin uit alle delen van de samenleving bestuurders gerecruteerd kunnen worden. De conservatieve kooplieden voelen daar niets voor. Ieder moet zijn lot in eigen handen nemen; wie arm is heeft pech, of heeft zijn leven niet goed ingericht. Zo is het nu eenmaal en zo zal het altijd blijven. Voor zedelijke waarden koopt men niets. Jacopo geeft zich niet gewonnen en terwijl zijn schepen al geladen, zijn, de wind gunstig is en zijn personeel dagelijks aandringt op vertrek, blijft hij disputeren met de Chinezen onder wie er ook zijn die hem hoogachten. Zelfs krijgt hij het aanbod om te blijven als een soort stadsadviseur. Maar de bedreiging door de hem vijandige facties, heimwee naar huis en niet te vergeten de onmetelijke rijkdommen die hij heeft vergaard doen hem uiteindelijk besluiten terug te keren. In 1273 na een reis van drie jaar en een maand komt hij terug in Ancona. In 1477 werd Zaitun ingenomen door de Mongolen.

Het is een fantastisch verhaal, dat de reis van Marco Polo, die vijf jaar later naar China zou reizen, in de schaduw stelt. Het is fantastisch, omdat het een beeld schetst van het grote handelsnetwerk dat zich toen vanuit West-Europa tot in China uitstrekte. Het is fantastisch, omdat het een inzicht geeft in de positie van joden, niet alleen in de christelijke wereld, maar ook in de verschillende Aziatische handelssteden, en bovendien omdat het een zo ontroerende blik gunt in de zieleroerselen van een man van 700 jaar geleden. Eigenlijk is het te fantastisch en al lezende begon mij de twijfel te bekruipen. Kàn dit wel?

De bezorger van deze tekst, David Selbourne, doceerde jarenlang in Oxford en heeft een aantal boeken op zijn naam staan over politiek, over China en over India. In zijn jonge jaren schreef hij toneelstukken. Hij bestaat dus in elk geval. Het boek is fraai uitgegeven, met inleidingen en uitleidingen, voetnoten en een verhandeling over de taal van Jacopo, een soort Toscaans vermengd met Franse en Latijnse elementen en met Hebreeuwse termen. Het type van de 'geleerde koopman' die lange reizen ondernam heeft zeker bestaan en in principe kan zo iemand destijds zo'n reis hebben gemaakt.

Maar het maakt wantrouwig als je leest dat het handschrift zich in particulier bezit bevindt en dat het niet openbaar gemaakt mag worden. Waarom eigenlijk niet? Er staat in het boek geen foto van het handschrift. Hoe waarschijnlijk is het dat het op papier is geschreven en niet op perkament, zoals vrijwel alle middeleeuwse teksten? Maar bovenal had ik telkens bij het lezen het gevoel: zo schreef men niet in de Middeleeuwen, met zoveel levendigheid, met die mate van detail en met zoveel introspectie, dat is te mooi om waar te zijn. De toon is te modern. Zoals je van verkeerd gedateerde schilderijen weet: dat kan niet, zo schilderde men toen niet.

Niet bekend

Fake

Is het een fake van Selbourne? Dan wel een hele knappe en intrigerende. Het zou ook een verkapte manier kunnen zijn om aandacht te vestigen op een van zijn andere boeken: The Principle of Duty: An essay on the foundation of the Civic Order, waarvoor hij gebruik zou hebben gemaakt van de ideeën van Jacopo d'Ancona. Het is een tractaat over de zedelijke verplichtingen van de burger ten opzichte van de staat. Maar in de editie van 1994 noemt hij Jacopo d'Ancona helemaal niet.

De hele tekst kan natuurlijk ook een vervalsing zijn, uit laten we zeggen de zeventiende, achttiende eeuw of nog later. Het past dan enerzijds in de geweldige belangstelling voor China in de zeventiende en achttiende eeuw, en anderzijds in de traditie van de verhulde maatschappijkritische romans en fictionele reisgeschriften die zo populair werden en waarvan de Lettres Persanes van Montesquieu het meest bekend zijn geworden. Maar zolang het handschrift niet onafhankelijk historisch en technisch onderzocht kan worden houd ik het op een geleerde en vernuftige vervalsing.