De belastingvluchteling

MILLTOWN/AMSTERDAM. Ik ben een belastingvluchteling. Het is mijn diepe overtuiging dat leven weinig anders is dan een vlucht en dan kan je om te beginnen maar beter voor iets relatief onschuldigs op de vlucht slaan als de belasting. En pas later voor vriendinnen die zich bedrogen voelen, voor mannen die hun liefje menen te hebben herkend in een van je boeken, kortom voor mannen die denken, als ik die jongen ooit in levende lijve tegenkom sta ik niet voor mezelf in.

Het mooie van de belasting is dat de belasting altijd voor zichzelf staat.

Het is onbekend of eenzaamheid zich laat delen. Maar als dat zo is deel ik mijn eenzaamheid liever niet met de belasting. Met deze of gene in motelkamers, metrostations, hotelbars met nootjes uit de jaren zeventig, en trappenhuizen waar de regen langzaam door de daken komt, dat kan allemaal. Maar de belasting moet haar eenzaamheid maar met anderen delen.

Daarom wilde ik een huis kopen in Ierland. Een boerderij. Ik wilde wel een boerderij aan mijn schaarse bezit toevoegen, dat leek me ook aangenaam voor de erfgenamen.

Van Dublin reisde ik naar het dorpje Milltown aan de westkust. Ik bezocht de enige makelaar van het dorpje genaamd Carrol en zonen. De makelaar was een oude man, gekleed in een morsig vest. Zijn woonkamer was zijn kantoor en zijn kantoor was zijn woonkamer. Het rook er naar ongewassen kleding. Hij was aan het drinken, samen met een man met stekeltjeshaar. Een cliënt, dacht ik. Men drinkt op de goede afloop.

“Ik kom voor een boerderij”, zei ik.

De man met stekeltjeshaar begon tegen mij te praten in een dialect dat ik zelfs met de beste wil van de wereld niet kon verstaan. Hij lachte veel. Misschien maakte hij voortdurend grapjes in dat dialect van hem. De makelaar zelf viste uit een bureaulade een tiental foto's van boerderijen en wierp ze voor me neer. Ik koos er twee uit. De makelaar zei dat ik 's avonds om kwart voor acht voor zijn kantoor moest staan.

Om kwart voor acht stond ik er. De man met het stekeltjeshaar was er ook dit keer bij. Misschien een vriend van de makelaar. Nu pas viel me op dat hij ook een loszittend gebit had. We reden naar het dorpje Connolly. Het gebied werd steeds onherbergzamer. Huizen waren er niet meer te bekennen. Alleen velden, met hier en daar wat bomen. We reden op een zandweg. De man met het stekeltjeshaar praatte in zijn onverstaanbare dialect. Toen hij was uitgepraat begon hij te zingen. We reden een heuvel op. De makelaar wees naar een bouwval. “Dat”, zei hij, “is de boerderij en dit land is dan allemaal van jou”. Er graasde wat magere koeien op mijn land.

We reden naar het bouwval. De meubels van de vorige eigenaar stonden er nog. Er heerste een onbeschrijfelijke stank alsof onder de houten plank een hele familie begraven lag die langzaam was gaan rotten.

“Is hier een begraafplaats in de buurt?” vroeg ik. “Niet dat ik weet”, zei de makelaar. De stank leek hem niet te deren. De man met stekeltjeshaar veegde stof van een Mariabeeldje. “Ja”, zei de makelaar, “de vorige eigenaar heeft een waterput laten slaan, dat water komt van wel honderdvijftig meter diepte. Dat is puur mineraalwater wat je hier hebt.” Even overwoog ik om Grunberg mineraalwater uit Ierland op de markt te brengen, maar het leek me te veel werk.

De stank dreef mij naar buiten. “Wat een uitzicht hé”, zei de makelaar. Een landschap zonder mensen, een verlaten landschap, een landschap waar niemand wilde wonen, wellicht een belastingvluchteling uitgezonderd.

“Het ruikt hier naar doden”, zei ik. “Nee”, zei de makelaar, “dat zijn de koeien”.

Hij had me nog geen moment gevraagd wat ik hier zocht. Het stond blijkbaar op mijn voorhoofd geschreven. Een belastingvluchteling, of een halve crimineel die in een uithoek van Ierland een nieuw leven wil beginnen onder een andere naam. Ik moest denken aan de film Profession Reporter waarin een man meemaakt hoe zijn nieuwe identiteit wordt ingehaald door zijn oude.

We gingen nog naar een andere boerderij. Aan een meer. Er waren zoveel vliegen dat ik na twee minuten dacht dat ademhalen onmogelijk was. Maar ook de vliegen deerden de makelaar niet. De man met het stekeltjeshaar had het Mariabeeldje uit de vorige boerderij meegenomen. Een souvenir.

“Wil je een bod doen?” vroeg de makelaar. “Ik denk het wel”, zei ik.

Maar de volgende ochtend belde ik hem op. “Ik zoek eigenlijk iets aan zee”.

“Iedereen zoekt iets aan zee”, zei hij, “maar het binnenland is veiliger”. Toen hing ik op.

Dan volgt nu het verslag van het Librisdiner dat ik gaarne vooraf wil laten gaan door een motto: 'I would rather weep in a Rolls-Royce than be happy on a bicycle.' Dit citaat is afkomstig van mevrouw Reggiani, de weduwe Gucci, die haar man heeft laten vermoorden om de erfenis voor haar kinderen veilig te stellen. Mevrouw Reggiani is geen belastingvluchtelinge meer. In vergelijking met de instanties die nu achter haar aan zitten is de belasting een katholieke kerk: altijd bereid je absolutie te schenken en je het eeuwige leven te beloven.

Het Librisdiner leek wel een diner voor potentiële en minder potentiële belastingvluchtelingen. Iedereen wekte de indruk belastingvluchteling te zijn of te willen worden. Jeugdherinneringen kwamen bij mij boven. Naast mij en tegenover mij zaten ouders van kinderen met wie ik jaren geleden op school had gezeten. Mevrouw Jürgens zei, “ik schilder en ik doe vrijwilligerswerk.” Wat meneer Jürgens deed weet ik niet. Waarschijnlijk ook schilderen. Hun Jessica had nog met mij in de klas gezeten.

Ik ving op dat Bolkestein tijdens de formatie vooral 's ochtends tijd had om te tennissen. Bolkestein was ook aanwezig. Hij keek zo eenzaam. Een belastingvluchteling in spe, op zoek naar een tennispartner. Bijna had ik me aangeboden.

De voorzitter van de jury, een lieve man, werkte nauw samen met een vroegere klasgenote van mij, ene Lillian, over wier borsten ik blijkbaar ooit iets had geschreven. De voorzitter zei: “je hebt geschreven dat ze mooie borsten had, een fijner compliment had je haar niet kunnen maken”.

Intens weemoedige gedachten kwamen in mij op.

Als het zo eenvoudig is mensen gelukkig te maken waarom schrijf ik dan niet vaker over ze dat ze mooie borsten en fijne neuzen hebben. Daarom schrijf ik nu maar over Umtul Kiekens dat ze een fijn neusje heeft waarin ieder weldenkend mens zou willen bijten.

Over eten dient men niet te klagen. Slechts dit: het eten was veredeld ziekenhuiseten. Al sluit ik niet uit dat bepaalde ziekenhuizen uit mededogen met de stervenden beter voedsel serveren. Mevrouw Jürgens zei, 'cateringservice Maison de Boer is de beste van Nederland'. Maar toen ze een paar happen had genomen zei ze, 'het is ook heel moeilijk voor zoveel mensen te koken.' Bij het afscheid zei de burgemeester van Amsterdam wel vier keer dat hij zo lekker had gegeten. Ik wil de burgemeester uitnodigen voor een warme maaltijd, want ik vrees nu het ergste voor de kantine van het gemeentehuis in Amsterdam.

Ach, uiteindelijk zijn we toch allemaal belastingvluchtelingen, met de weduwe Gucci als onze beschermvrouwe die overigens over haar man zei, 'Maurizio was simply a thing called Gucci that had to be washed and dressed.'

Had ik ooit gedacht door het schrijven van boeken te ontsnappen aan alles waar wat mij betreft Amsterdam-Zuid voor staat, ik geef toe, ik ben onvergeeflijk naïef geweest.

Het was die avond van het Librisdiner alsof ik op een huwelijk in Amsterdam-Zuid was beland. Toch nog salonfähig geworden - vroegere klasgenootjes deden mij de groeten en ik deed de groeten terug.

Toen Voskuil de trappen afliep zei hij, 'ik had je de prijs van harte gegund Grunberg.' Daarom omhelsde ik hem stevig. (En ook omdat hij had onthouden dat ik zijn dialogen met pakken Bio-tex had vergeleken.) Nu een paar woorden rechtstreeks tot Voskuil:

Lieve Han. Denk toch aan Cruyff. Toen die zijn geld in varkens investeerde moest die nog jaren door voetballen om zijn verliezen goed te maken. Ik weet dat het moeilijk is op zo'n Librisdiner, maar stel varkens toch niet boven mensen. Denk aan de weduwe Gucci. Zij heeft voor ons geleefd en zal voor ons sterven. Kom naar mijn boerderij in Ierland, dan masseer ik je tenen en lezen we elkaar sprookjes voor.

Toen ik het Plaza verliet drong het tot me door dat het soms een grotere belediging is om serieus genomen te worden dan voor gek te worden versleten.