Biotechnologie in Amerika en Europa; Wachten op de eerste echte blockbuster

Van de biotechnologie worden belangrijke vorderingen in de geneeskunde verwacht. Maar ook de toekomstige voedselvoorziening lijkt geheel van vorderingen op dit gebied af te hangen. Hoe staat de industrie er nu voor? Amerika heeft nog steeds een grote voorsprong op Europa, maar dat wordt minder. Een inventarisatie.

Terwijl de receptioniste de onvermijdelijke bezoekersbadge in orde maakt, vertelt de muurschildering in de hal van het biotechnologiebedrijf Incyte in Palo Alto - gelegen in Californië's Silicon Valley - de geschiedenis van de menselijke vlijt in een notendop. Het bewerken van metaal en een verbeterde landbouw verloste de homo sapiens uit het Stenen Tijdperk. De Industriële Revolutie bracht hem vorige eeuw ingewikkelde productiemachines en uitpuilende steden. Deze eeuw was die van de natuurkunde, die van atoomsplitsing en -fusie, van relativiteitstheorie en quantummechanica. Maar ook die van de kleine siliconenchip, die de wereld in de ban van de computer bracht.

“De volgende eeuw wordt die van biologie en geneeskunde”, voorspelde chemicus en Nobelprijswinnaar Robert F. Curl van de Amerikaanse Rice University in 1996 . Maar volgens de fresco bij Incyte is die voorspelling lichtelijk eenzijdig. Het wordt de eeuw van de biotechnologie èn de informatietechnologie - IT - of liever gezegd: een volmaakte symbiose van die twee.

De twintigste eeuw sloft nog naar een einde, maar wat die symbiose betreft lijken we het volgende centennium al binnen te zijn getreden. Het geheim van de erfelijkheid opgesloten in de genen wordt in razend tempo ontrafeld, door samenwerking tussen biologen in het traditionele 'natte laboratorium' en computerdeskundigen, die een ongekende snelheid aan dat onderzoek geven. Wat de meeste ingewijden pas begin 2000 hadden verwacht, was op 22 februari vorig jaar al een feit, toen de Schotse embryo-deskundige Ian Wilmut van het Roslin Instituut nabij Edinburg de wereld een bijzonder schaap presenteerde. Dolly was een kloon van een volwassen Dorset schaap, gekopieerd uit een cel van de borstklier. In dat verband was een knipoog naar Dolly Parton de meest voor de hand liggende, zo lichtte Wilmut toe.

Het was eigenlijk verwonderlijk dat Dolly in Schotland ter wereld kwam. Veeleer had het in de lijn der verwachting gelegen dat Amerikaanse wetenschappers met de primeur zouden komen. In de VS lijkt niets de biotechnologische vooruitgang in de weg te staan, terwijl het in Europa lichtelijk tobben is met wet- en regelgeving en ethische discussies omtrent het knutselen met de natuur. Dat ondanks het feit dat de Europese Commissie de biotechnologie al vroegtijdig als 'speerpuntactiviteit' voor de 21ste eeuw heeft aangemerkt.

In een reeks richtlijnen en verordeningen echter is inmiddels ook een Europees toetsingskader ontstaan. Daarbinnen is een richtlijn voor de bescherming van biotechnologische uitvindingen een logisch sluitstuk, zo heeft de betrokken industrie steeds gezegd. Met die richtlijn is het Europees Parlement enkele weken geleden dan uiteindelijk akkoord gegaan, na meer dan tien jaar debatteren.

Door de jaren heen heeft de industrie reikhalzend naar dat moment uitgezien. De Nederlandse Coalitie tegen Patenten op Leven, waarin negen actiegroepen zijn vertegenwoordigd, betreurt die ontwikkling en vreest voor meer dierenleed en 'biopiraterij'. Duidelijk is echter dat rechtsbescherming van innovaties op dit gebied een essentiële voorwaarde is voor verdere ontplooiing van deze industrietak. Verwacht wordt dan ook dat binnen Europa nu een versnelling zal ontstaan in de bedrijvigheid en de daarvoor nodige investeringen om de ontstane achterstand op de VS in te lopen.

De biotechnologie manifesteert zich globaal op twee fronten. Op het vlak van humane en veterinaire geneeskunde, met diagnostiek en medicijnen. En in de landbouw, waar gewassen op verschillende wijzen bijvoorbeeld stressbestendig kunnen worden gemaakt door ingrepen in het DNA. Die stress kan worden veroorzaakt door droogte, hitte, overvloedige regen en insecten, maar ook door pesticiden die behalve het onkruid ook het gewas dreigen te verdelgen. Daarnaast zijn er snijvlakken tussen beide, zoals de voedingsindustrie, die bijvoorbeeld met nutriceuticals en special foods op de markt komt, waaraan biotechnologie te pas is gekomen.

Op beide fronten zou die nieuwe technologie ook 'levensreddend' moeten zijn. In de vorm van diagnostiek en medicatie bij individuele patiënten en als hulp bij de wereldvoedselvoorziening. “In de 21ste eeuw zullen we de wereldbevolking zien verdubbelen”, zo voorspelt mr. H.E. Raven, voorzitter van de commissie industriële eigendom van de Nederlandse Industriële en Agrarische Biotechnologie Associatie (NIABA). “Die wereldbevolking is nu al vele malen groter dan de biosfeer 'op eigen kracht' zou kunnen dragen. Door landbouw en techniek scheppen we een enorme toegevoegde waarde, maar de grenzen daarvan zijn al lang in zicht en de biosfeer is al ernstig beschadigd.”

Het oplossen van die problemen vergt een geheel andere aanpak, en volgens Raven zou de biotechnologie daar een antwoord op moeten en kunnen geven. Biotechnologisch onderzoek zou daarom door overheden moeten worden bevorderd, maar zeker ook het biotechnologisch entrepeneurschap, zoals dat floreert in Silicon Valley bij San Francisco, in de staat New Yersey en de buurt rond Boston. Maar vooral in Silicon Valley hebben bio- en informatietechnologen elkaar gevonden en stimuleert de Amerikaanse overheid deze nieuwe industrietak.

“Biotechnologie is grensverleggend. Het verlegt de grenzen van onze mogelijkheden. Dat heeft door de geschiedenis heen altijd emoties opgeroepen en veelal rezen daarbij ethische vragen. Dat gebeurt ook nu. Er is angst voor het onbekende en wantrouwen tegen de 'engineers'. Er zijn vragen naar de geoorloofdheid van de mate waarin de mens zijn levensomstandigheden mag beïnvloeden”, zegt Raven.

Het is aan de overheid om dergelijke maatschappelijke ontwikkelingen in de juiste banen te leiden, via een dualistisch principe. “Enerzijds moeten de nieuwe technische en economische mogelijkheden optimaal worden ontwikkeld, anderzijds moeten de ethisch en maatschappelijk aanvaardbare grenzen van die mogelijkheden duidelijk gestalte krijgen en moet daarvoor een goed toetsingskader worden geschapen. In Nederland kennen wij dat verschijnsel als het 'tweesporenbeleid' dat de overheid ten aanzien van biotechnologie met grote zorgvuldigheid volgt”, aldus Raven.

Inmiddels hebben de Verenigde Staten een forse voorsprong opgebouwd en dat is ook het Europees Parlement, wijzend op de pioneering spirit van de Amerikanen, niet ontgaan, zo blijkt uit de toelichting bij de resolutie over het beleid tot dusver: “Feit is dat het gebruik van technologieën altijd een zaak van wankel evenwicht is en dat het risico op misbruik onmiskenbaar toeneemt naarmate die technologieën zich verder ontwikkelen. Maar feit is ook, dat we niet alleen dienen te worden afgerekend op wat we hebben gedaan, maar evenzeer op wat we hebben nagelaten. Dat laatste is tot nu toe over het hoofd gezien bij onze debatten over genetische modificatie.”

Die veelbesproken kloof tussen de VS en Europa is fors, maar wordt kleiner, zo blijkt uit cijfers van accountants-multinational Ernst & Young. Zo waren er in '97 in Europa 716 bedrijven actief op dit terrein, in de VS 1.287. Dit jaar telt Europa 1.036 van deze bedrijven - waarvan er 61 aan Europese of Amerikaanse beurzen genoteerd zijn; in de VS is het aantal gedaald tot 1.274. Overigens is die toename in Europa niet enkel toe te schrijven aan nieuwe ondernemingen, maar ook aan het feit dat de onderzoekers van Ernst & Young ze niet eerder als zodanig 'op het radarscherm' hadden. Maar vooral in Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, de laatste tijd vooral ook Zwitserland en Scandinavië komen ze als paddestoelen uit de grond. Het zijn ook juist de overheden in deze landen - vooral Duitsland, het VK en Frankrijk - die agressieve stimuleringsprogramms's hebben opgesteld, waarbij het academische instituten aantrekkelijk wordt gemaakt met deze bedrijfjes samen te werken. In '97 werkten in Europa 27.500 mensen in de biotechindustrie, in de VS 118.000. Dit jaar levert een optelling van alle loonlijsten in Europa 39.045 mensen op, in de VS zijn dat er nu 140.000.

In Europa richt meer dan een kwart van alle nieuwkomers zich op 'gezondheidszorgproducten', een vijfde houdt zich bezig met basaal genenonderzoek, zogeheten combinatoriële chemie en geavanceerde manieren om genen te screenen, in het jargon allemaal platformtechnologieën. Het aantal bedrijven dat zich richt op biotechnologie voor de agrarische sector is vorig jaar met vijftig procent toegenomen. Volgens Ernst & Young houden zich in Europa nu zo'n 190 bedrijven bezig met platformtechnologieën, 150 zijn bezig medische behandelingen te ontwikkelen, terwijl 140 ondernemingen zijn gebrand op nieuwe vormen van diagnostiek.

Vorig jaar waren er 59 farmaceutische producten van biotechnologische komaf op de wereldmarkt. De eerste - Humulin, humane insuline ontwikkeld door het bedrijf Genentech - dateert van 1982 en wordt door Eli Lilly and Co. op de markt gebracht. De tweede, het groeihormoon Protopine, óók van Genentech, volgde pas drie jaar later. Sindsdien is het druppelsgewijs meer geworden. De bedenkers zitten bij bedrijfjes met karakteristieke namen als Ortho Biotech, Biogen, Amgen, NeXstar, Immunex, ZymoGenetics, Centocor, Cytogen, Cangene, CellPro en NeoRx, terwijl de producten merendeels door bekende farmareuzen op de markt worden gebracht.

Het EMEA, het Europese agentschap voor de beoordeling en registratie van geneesmiddelen liet in '97 22 nieuwe producten toe tot de markt. Daarvan waren er elf puur biotechnologisch en geen van die elf Europees. Wil de Europese biotechnologie op dit vlak iets gaan voorstellen, dan zal er spoedig een succes af moeten komen. De meeste bedrijven verwachten dat dit volgend jaar ook gaat gebeuren. Vooralsnog spreken de cijfers over dominerende aanloopkosten echter boekdelen. De totale omzet van de Amerikaanse bedrijven in deze sector bedroeg vorig jaar 15,985 miljard ecu, die van de Europese ondernemingen 2,725. De Amerikanen staken 8,268 miljard ecu in onderzoek en ontwikkeling, de Europeanen 1,91 miljard ecu. Dat leverde in de VS een nettoverlies van 3,767 miljard ecu op, in Europa beliep het totaal aan rode cijfers 2,02 miljard ecu. Over de hele linie wordt er zestien jaar na de introductie van het eerste biotech-medicijn zowel in de VS als in Europa dus nog altijd meer geïnvesteerd dan verdiend.

De Europese biotechnologie-industrie is dus op alle fronten kleiner dan de Amerikaanse. De hoeveelheden geld per werknemer die aan beide zijden van de Atlantische Oceaan in onderzoek en ontwikkeling wordt gestoken ontlopen elkaar echter nauwelijks. Maar er werken nu eenmaal veel meer Amerikanen in deze branche, dus het totaal aan onderzoeksgeld dat in de VS wordt geïnvesteerd is veel groter. In de VS staat echter een groot aantal bedrijven op het punt met een eerste echte blockbuster op de markt te komen en het zo fel begeerde break-even point zal daar dan ook veel eerder worden bereikt dan in Europa.

Niettemin blijft de sector flink doorgroeien. Vier van de vijf directeuren verwachten de komende twee jaar een substantieel aantal - per definitie hooggeschoolde - medewerkers aan te trekken. Daarbij moet worden bedacht dat driekwart van de hele sector uit bedrijven bestaat met minder dan vijftig mensen op de loonlijst. Het gemiddeld aantal personeelsleden per bedrijf is minder dan veertig. Eén op de vijf onderneminkjes heeft minder dan tien personeelsleden.

Binnen Europa is er veel beweging rond de biotechnologiebedrijven. Het Verenigd Koninkrijk telt vanaf het begin van de nog jonge geschiedenis van de sector de meeste en sterkste bedrijven, gevolgd door Duitsland, Frankrijk, Zweden en Nederland. Maar het zijn juist die Britse bedrijven die vorig jaar veel vertrouwen bij de beleggers hebben verloren, terwijl ondernemingen op het continent zich een sterkere marktwaarde verwierven. T

erwijl de Britse noteringen met gemiddeld 30 procent zakten, ging het de overige Europese bedrijven voor de wind. Het Belgische Innogenetics steeg bijvoorbeeld in één jaar met 127 procent aan de Easdaq. Het aandeel van het Duitse Qiagen steeg aan de Nasdaq met 76 procent. Het Deense NeuroSearch klom met 75 procent in waarde op de beurs van Kopenhagen en het Franse bedrijf Genset werd zowel aan de Nasdaq als de Parijse Bourse Nouveau Marché 48 procent meer waard.

Lag het Britse Biotech bij de jaarwisseling nog altijd een neuslengte voor op de rest als het om marktkapitalisatie ging, in het eerste kwartaal van dit jaar werd het voorbij gestoken door zowel Innogenetics, Qiagen en Shire Pharmaceuticals. Het lijkt er op dat grote beleggers gokken op biotechbedrijven in met name Duitsland, Zwitserland, Denemarken en Zweden. Wat Zwitserland betreft is dat eigenaardig, omdat daar aanstaande zondag een referendum wordt gehouden met als inzet de toelaatbaarheid van DNA-onderzoek. Als de Zwitsers zich daar massaal tegen keren is het gedaan met zowel de biotechnologie-industrie in de volle breedte, als ook de farmaceutische industrie, die naar verwachting op een termijn van vijf jaar op alle fronten 'geïnfecteerd' zal zijn met DNA-technologie.

De analisten van Ernst & Young voorzien nog een andere ontwikkeling, als spin off van een zich duidelijk manifesterend fenomeen in de farmaceutische industrie. Begin dit jaar werd opnieuw duidelijk dat reuzen als SmithKline Beecham, Glaxo Wellcome, American Home Products en Astra, fusies en overnamen - dus schaalvergroting - zien als een mogelijkheid meaner and leaner te worden. Daarbij zijn het vooral de researchafdelingen die in elkaar geschoven adequater moeten gaan werken. Maar dat betekent tegelijkertijd een uitstroom van hooggekwalificeerde wetenschappers, die elders een werkkring moeten zoeken. Daaruit zullen nieuwe, kleine biotechnologiebedrijven ontstaan, zoals de mega-fusie tussen de Zwitserse bedrijven Sandoz en Ciba-Geigy enkele jaren geleden heeft laten zien. De grote 'spelers' gaan vervolgens weer allianties aan met dergelijke kleine bedrijven. De grote farmaceutische bedrijven hebben al heel wat nieuwe geneesmiddelen in de pijplijn, die door dit soort ondernemingen zijn bedacht. Het Amerikaans-Britse SmithKline Beecham is in de nabije toekomst van plan zo'n 30 procent van het budget voor onderzoek en ontwikkeling te besteden aan 'contractresearch'.

Dr. Bob Ruffolo Jr. van SmithKline Beecham zag in maart 1993 nog niets in die ontwikkeling. “Biotechnologie is al vijftien jaar de grote belofte, maar wat heeft het ons gebracht? Het mag nauwelijks naam hebben”, zei hij toen. Op dezelfde vraag nu, zegt hij dat hij toen niet cynisch was, maar bang. Bang dat het niets zou worden. Daar is hij ruiterlijk op teruggekomen. “Het ziet er zo veelbelovend uit, dat we uitgaven aan R&D opschroeven van 17 naar 21 procent van onze omzet. Dat vinden we een wijs besluit, ook al heeft de koers van ons aandeel daar een flinke klap van gehad.”

    • Bram Pols