Bewustwording

Het Ladogameer bevriest in één ogenblik, iedere winter. Dat komt doordat in de volstrekte windstilte daar het water, dat kouder is dan nul graden, zijn oorspronkelijke aggregaatstoestand kan bewaren. Het is 1943. Er nadert een regiment kozakken, op weg naar het front bij Leningrad.

De commandant wijst: 'Te water!' Een maand later arriveert oorlogscorrespondent Curzio Malaparte ter plaatse en ziet het gruwelijke: het doodgevroren regiment voorzover het boven de ijsvlakte uitsteekt. Twee jaar gaan voorbij. Napels is bevrijd door de Amerikanen. Malaparte werkt nu als tolk voor de bevrijders, de bezetters. Er wordt een diner aangericht, de kok heeft iets speciaals: zeemeermin. Het gerecht wordt opgediend. Kolonel Donovan kan geen hap door zijn keel krijgen. Daar ligt iets wat niet anders dan een gekookt klein meisje kan zijn. Bij een andere gelegenheid wordt een ander gezelschap getracteerd op een bijzonder soort oesters, een koelemmertje vol mensenogen.

De twee oorlogsboeken van Malaparte, Kaputt en De huid, zijn rijk aan dit soort sensaties. Het is horror, het is melodrama en tegelijkertijd is het een vorm van agressie. Want in vrijwel al die scenes is er een partij die verneukt wordt door de ongrijpbare Italiaan. Niet: op de hak genomen, voor de gek gehouden, belachelijk gemaakt, maar verneukt. En bij dit alles weten we zeker één ding zeker: Malaparte heeft zijn boeken niet geschreven om reclame te maken en betaald te worden door een kledingfabriek. Dante met zijn Hel trouwens evenmin, hoewel daar ook veel gruwelijks in te lezen valt, en als je een door Doré geillustreerde uitgave hebt, ook te zien. Toestanden die je aandacht vestigden op wat je boven het hoofd hing als je je niet aan de wet en de Tien Geboden hield. Een vroege vorm van bewustmaking. Gualtiero Jacopetti met zijn Mondo Cane en Africa Addio kan er ook nog bij. Je zou die films weer eens moeten vertonen. Misschien zijn ze moderner dan toen ze werden gemaakt.

Nu is de fotograaf Oliviero Toscani met een 'spraakmakend oeuvre' doorgedrongen tot het Bonnefantenmuseum in Maastricht. Toscani is bekend van reclamefoto's, zoals het bebloede hemd van een gesneuvelde Joegoslaaf en de mierzoete plaatjes tot bestrijding van ongelijkheidswaan. Voor een andere campagne selecteerde hij beroemde nieuwsfoto's, zoals de stervende aidspatient en de stookolie-eend. Was hij niet verbonden aan een pakkenfabriek, dan zou geen mens van hem gehoord hebben. Op iedere tentoonstelling van World Press Photo is meer 'bewustwordingsmateriaal' te zien. Ik herinner me een kleurrijke foto, gemaakt in Nicaragua, van een guerrillastrijder met een gevild gezicht. Dat was hem gebeurd terwijl hij leefde. Wie zich door zulke incidenten nog niet voldoende bewustgeworden voelt, kijkt eens in een boekje over een of andere oorlog. Ik moet er nog een hebben, gepubliceerd door de Franse regering, over de oorlog in Algerije, midden jaren vijftig, toen het nog Algérie française was. Het is niemand aan te raden. Eén keer één zo'n foto te hebben gezien is genoeg, dacht ik toen. Maar wie weet hoeveel pakken je er nu mee zou kunnen verkopen, en met hoeveel gejuich je in het Bonnefantenmuseum zou worden binnengehaald.

Alexander van Grevenstein, directeur van het museum vindt dat Toscani's werk getuigt van 'een visuele intelligentie met zoveel kwaliteit dat hij eerder een plaats verdient in de geschiedenis van de beeldende kunst dan van de reclame', lees ik in het Algemeen Dagblad. 'Toscani 'vervuilt' de gladde trekjes die bij de reclame horen door ons te confronteren met de beelden van de echte, zelfs duistere kanten van ons collectief geheugen.' Als je het niet had gedacht. Er wordt geconfronteerd. Aan de duistere kant van ons collectief geheugen zwemt een stookolie-eend langs. Bij hoge uitzondering wil ik iets persoonlijks bekennen: ik heb een hekel aan ruzie maken, zeker in de krant. Maar dit gedoe over confrontaties en collectieve geheugens is kletspraat, van een zo gruwelijk kaliber dat je eigenlijk Toscani zou moeten vragen, er een foto van te maken: van de heer Van Grevenstein die deze woorden uitspreekt nadat hij een bewustwordingspak van het aanbevolen merk heeft aangetrokken. Op die foto wil ik dan wel mijn visuele intelligentie loslaten. Excuus!

Malaparte, Jacopetti, Dante, en Toscani, vier Italianen die er niet tegenop zien, gruwelijke toestanden in hun werk te gebruiken. Ze hebben er zelfs een deel van hun faam aan te danken. Wat is dan het verschil? De eerste drie zijn kunstenaars, de vierde is een exploitant van horror. Er is niets tegen, behalve dat museumdirecteuren zich erdoor laten verneuken.

    • H.J.A. Hofland