Beduveld, maar vooral verleid; Vier voorstellingen op het Holland Festival

In Brussel waren al vier voorstellingen van het programma van het Holland Festival te zien. De opmerkelijkste is 'Giulio Cesare'. De Italiaanse regisseur Romeo Castellucci dwingt de toeschouwer te kiezen tussen vorm en inhoud, alsof die twee tegenstanders zijn. “ 'Giulio Cesare' is een ijkpunt, of men de voorstelling nu verwerpt of bejubelt.”

Rotjoch: Trusttheater, Amsterdam 13 t/m 15 juni en 17 t/m 20 juni, 20.30u.; Cab Legs: Gasthuis, Amsterdam. 19 t/m 21 juni, 21u.; Il Ritorno d'Ulysse: Stadsschouwburg, Amsterdam. 22 t/m 25 juni. 20u15; Giulio Cesare: TTA, Amsterdam. 18 t/m 20 juni. 20u30u. Inlichtingen over het Holland Festival: (020) 530 71 10.

In de Belgische pendant van het Holland Festival, het KunstenFESTIVALdesArts dat tweejaarlijks in mei in Brussel wordt gehouden, waren vier voorstellingen te zien die ook in het Holland Festival opgenomen zijn. Giulio Cesare van de Italiaanse groep Socìetas Raffaello Sanzio, naar Shakespeare, Cab Legs van de New-Yorkse groep Elevator Repair Service, Rotjoch, een tekst van Gerardjan Rijnders in de regie van Guy Cassiers en Il Ritorno d'Ulysse naar Monteverdi van de Zuidafrikaanse regisseur William Kentridge.

Monteverdi's opera is tot kamerformaat gesnoeid en wordt bevolkt door houten poppen die door uitmuntende zangers en de muziek geanimeerd worden. Poppentheater met een harteklop, vanwege de mystieke muziek, de zang, de delicaat gesneden gezichten. De handeling komt wat laat op gang, pas als Odysseus' gade Penelope haar amoureuze belagers op de proef stelt ontstaat er behalve muzikale ook dramatische spanning.

Cab Legs is, op enkele opmerkelijk aanstekelijke dansjes na, volstrekt onbelangwekkend. Big Apple geneuzel, zogenaamde avantgarde - wat iets in New York in vergelijking met Broadway al snel is - ten tonele gevoerd door spelers die het nauwelijks kunnen laten zich over hun eigen gewoonheid te verbazen. We zijn - vormloos - onszelf: heel bijzonder. Elevator Repair Service is een afsplitsing van de Woostergroup, overigens met drie voorstellingen ook te zien in het Holland Festival. Volgens festivaldirecteur Ivo van Hove is de groep van Liz Lecompte na twintig jaar nog steeds artistieke voorhoede omdat ze nu 'voor het eerst!' een stuk in zijn geheel spelen. Doet denken aan de tekening van Peter van Straaten: “Weet je wat?! We laten Hamlet door een man spelen!”

De grap van Van Straaten vat in alle eenvoud het dilemma van de kunstenaar samen. Hoe zeg ik wat? En waar ligt het accent: op het wat of op het hoe? Misschien heeft Romeo Castellucci, regisseur van Giulio Cesare, die keuze niet eens gemaakt. Zijn voorstelling is, lees ik, vooral een exercitie in retoriek. Castellucci heeft het in een chique brochure over de kracht van de retoriek, retoriek 'waaraan onze samenleving haar gezag (-) ontleent'. Vorm is vent, begrijp ik er maar uit. Het gesproken woord, van Brutus, van Caesar zelf en natuurlijk van Marcus Antonius, is het hoofdpersonage van zijn voorstelling. Het welluidende woord, niet zozeer het ware. Inhoud is uiteindelijk van ondergeschikt belang. Inhoud is machteloos: hoe gewichtig en waar ook, zonder vorm bestaat hij niet. Je kunt beter mooipraten dan gelijkhebben.

In die wankele conclusie - en in Van Straatens grap - schuilt het belang van Castellucci's Giulio Cesare. Iedere theatermaker moet deze voorstelling gaan zien. Castellucci heeft alle trekken van een artists artist: Giulio Cesare is een ijkpunt, of men de voorstelling nu verwerpt of bejubelt.

Verdoezeling

Als het aan Castelucci ligt, wordt de toeschouwer zich bewust van iets, dat in de kunst in het algemeen verdoezeld wordt, dat wil zeggen tot een eenheid gesmeed. Die verdoezeling wordt algemeen als kwaliteit gevoeld: 'vorm en inhoud zijn een fraaie eenheid', staat er dan in de krant. Maar het interessante is dat de toeschouwer van Giulio Cesare zich geen rekenschap geeft van die eenheid, maar van de twee samenstellende delen daarvan: vorm en inhoud. En dat zonder vrijblijvendheid. Castellucci dwingt zijn publiek zich te engageren. De toeschouwer moet kiezen tussen vorm en inhoud, alsof die twee tegenstander zijn. Hij moet, met andere woorden, voor of tegen tegen deze voorstelling zijn en in het verlengde daarvan, voor of tegen meneer Castellucci.

Het gebeurt je niet vaak - het gebeurt mij niet vaak, dat me in theater het mes zó op de keel wordt gezet als met deze enscenering. De mare van zijn eigenzinnigheid is de regisseur al vooruitgesneld, de folder van het Holland Festival rept op rituele wijze van een 'enfant terrible'. Verkooppraatje natuurlijk, maar deze keer een vermoeden van waarheid bevattend, al denk ik dat Castellucci te weinig een provocateur is, te weinig geus, om de titel te verdienen. Hij is waarschijnlijk oprecht en serieus, in plaats van leep en speels, hij is kunstenaar en theatermaker in plaats van reclamejongen. Vermoedelijk.

Julius Cesar gaat over macht, en over de usurpatie ervan. Ten koste van reputaties, loyaliteit, vriendschappen, mensenlevens. Niet over die macht wil Castellucci het hebben, maar over de macht van de retoriek. Die is een belangrijk bestanddeel is van Shakespeares stuk, hoor de rede van Marcus Antonius: 'Ik heb geen woorden, wijsheid, geen gewicht/ noch kunst, noch voordracht, noch de macht der taal' (vert. Burgersdijk). Maar Castellucci's belangstelling gaat uit naar iets anders. Het gaat hem helemaal niet om de macht van Shakespeare's retoriek, daarvoor is de zorg die hij besteedt aan de overdracht van informatie veel te gering. Zijn Shakespeare is goeddeels niet te volgen. Desondanks is het hem wel degelijk begonnen om retoriek: om die van hemzelf. Of liever: om de retorische middelen van de kunstenaar in het algemeen, van de theatermaker in het bijzonder.

Castellucci heeft - kwaadaardig geformuleerd - een freakshow gemaakt. Welke rollen zij vervullen is nauwelijks van belang en op deze plaats al helemaal niet, maar een extreem dikke en een oude man, een keelkankerpatient met een gat in zijn keel en twee anorectische meisjes zijn de landmarks van zijn voorstelling. Hun aanblik vervult je van nieuwsgierig en gefascineerd afgrijzen. Je wilt niet naar ze kijken en je kunt je ogen niet van hen afhouden. De oude man is naakt en je beseft dat zijn naaktheid geen alledaags beeld is. Dat rudiment van een lichaam, die druipkaars van huid over skelet, dat verschrompelde silhouet, die overwinning van de dood bij leven. Het beven. De broosheid.

De dikke man. Een berg van rondingen, het resultaat van knappe grime, denk je eerst nog. De vleesmassa's die de borsten zijn en die aan weerszijden onder de armen hangen voorzover de massa daarvan dat toelaat. Het kleine krukje onder zijn reusachtige achterste. Zie de mens, zie dit lichaam - het is de verheviging van de emotie die je eigen spiegelbeeld je kan geven. De schok van het verval, het heimwee naar de veerkracht van de huid: in die contreien voert dit teveel aan lichaam de geest.

Bekken

Dan de beide meisjes. Laat mij dik zijn, even dik als de dikke man. Laat mijn enkels bezwijken onder vet, liever dan dat ik opdroog tot oud leer door gebrek eraan. Ach arme! Die rechthoekige poort van het bekken, die op drift geraakte ellepijpen aan de uiterste weerszijden ervan die dijen moeten verbeelden, die letterlijke belichaming van een ziek brein dat de esthetiek ondergeschikt maakt aan een waanidee.

De man met keelkanker: uitgerekend hij doet de monoloog van Marcus Antonius. Zwanger van symbolen, die casting. Het gebroken woord, de valsheid van retoriek. Goddank rook je niet meer - dat gat in die keel heeft niets met jou te maken.

Maar intussen. Intussen vertonen deze mensen raakvlakken met jou, de toeschouwer. Ze zijn als de verwrongen figuren op de doeken van Francis Bacon. Er valt niet zoveel te kiezen, als het erom gaat wie of wat je bent. Er is pech en geluk.

Castellucci zegt geïnteresseerd te zijn in de retoriek van de auteur die hij ensceneert. Althans je denkt dat hij dat zegt, maar het gaat hem om zijn eigen retorische kracht. Om zijn eigen manipulatie-talent. Zijn eigen demagogische hoogstandjes. Om mokerslagen.

Daarom zijn er zijn freaks. Daarom komt er een heus paard op, een indrukwekkend zwart paard, op de rug waarvan een tekst wordt gekalkt. Daarom branden er lampjes, tot de wieken van kleine naar beneden zakkende propellertjes ze raken en ze uiteen doen spatten. Daarom heet het eerste deel van zijn voorstelling 'Onan' en het tweede 'Psyche' - daarom zijn er suggesties van diepere betekenissen. Daarom is het decor (van Castellucci zelf) een toonbeeld van arte povera, met veel linnen doeken en hout, schemerig licht dat af en toe uitvalt: ambitie vermomd als eenvoud. Daarom ook is er het programmaboekje, gevuld met foto's van de antieke borstbeelden van even oude helden. Castellucci gaat niet over een nacht ijs.

Hij is een psychoterrorist, hij gijzelt zijn toeschouwer. Maar die - althans ik - komt er wel toe om zich af te vragen wat er tegen is om in theater in gijzeling te worden genomen. Gegijzelde sympathiseert met gijzelaar: zo'n effect ontstaat er. Ik ontwaar heel veel mooie kanten aan het geschut dat Castellucci op me gericht houdt. Ik zie hoe hij in zijn mise en scène en vormgeving Marcel Duchamp, Marcel Broodthaers en Tinguely citeert, en Jan Fabre, Jannis Kounellis en Magritte. In Breugheliaans landschap met een omlijsting van de theatermaker-van-de-wreedheid Antonin Artaud, waarin een opgezette vos tot leven wordt gewekt, de kop van een dito poes razendsnel om zijn eigen as draait, en waarin na het paard diens skelet het toneel betreedt, zwaaiend met de nek en hinnikend. Castellucci's beelden ogen als de gruwelkabinetten van de fotograaf Joel Peter Witkin, als het vroegere werk van onze eigen Erwin Olaf.

Ook zie ik dat de citaten subtiel zijn, ingebed in een nieuw eigen kunstwerk: iets waarvan je een uur geleden nog niet het flauwste benul had en dat je overrompelt en beklemt. Er komen post-nucleaire depressies boven je hoofd drijven. Je wordt beduveld. Maar meer nog verleid. Je verstand verzet zich en genereert bedenkingen over slachtofferkunst waar je tegen moet zijn, over misbruik van dwergen, over de onbenulligheid van mensen die naar vrouwen met baarden en acht borsten gaan kijken... Maar: wat knap is deze voorstelling! Wat is het geluidsdecor fascinerend en geraffineerd! Wat een mooie hoogmis is dit, ontworpen om zelfs een doorgewinterde atheïst te charmeren. Wat een verrassende liturgie en wat een geheimzinnige riten. Overduidelijk bedacht door een Italiaan, een Latijnse geest, met oog voor decor en decorum, voor vorm en ceremonieel. Ja, een Latijnse hoogmis is dit Giulio Cesare, een hoogmis met vier, vijf heren en twee vrouwen.

Triomf

Is Giulio Cesare een triomf van manipulatie, de andere belangrijke voorstelling die in Brussel te zien was, Rotjoch, is een triomf van techniek. Het is een co-produktie van de Haarlemse Toneelschuur, het KunstenFESTIVALdesArts en het Holland Festival (en overigens de enige van de vier genoemde produkties waarin het Holland Festival participeert). De tekst is, zoals gezegd, van Gerardjan Rijnders, artistiek leider van Toneelgroep Amsterdam, de enscenering van Guy Cassiers, de nieuwe artistiek leider van het RO-theater, en de vormgeving van Marc Warning, ontwerper van het Onafhankelijk Toneel.

Castellucci's theater bestaat bij de gratie van de formele retoriek, maar het is een retoriek van oude, bekende vormen, van citaten. Rotjoch niet, de produktie is een toonbeeld van geavanceerde inzichten, die, hoe chauvinistisch het ook klinken mag, bij uitstek aan het Nederlandse toneel heersen. Dat is de vrucht van (veel ergernis over) experimenteel theater.

Rijnders overtreft zichzelf met een navolgbare, lineaire tekst, het verhaal van de jongeman Pim, die uiteindelijk besluit te worden wat men hem noemt: een rotjoch. Zijn moeder is suïcidaal en op een gegeven moment inderdaad dood, vader een hufter, buurvrouw Zeikstra doet haar naam eer aan en voor het overige is iedereen vijandig, onaardig, of onverschillig. Niemand houdt van Rijnders' mispunt.

Een sprookje is het, enkelvoudig en simpel: ook Rotjoch bewijst dat iedere inhoud passeert in de kunst, zolang de vorm maar overtuigend is. Daarbij valt in Rotjoch die vorm geheel, volgens de wetten van de esthetiek, volmaakt samen met de inhoud.

Acteur Herman Gilis staat in zijn eentje op het vrijwel kale toneel en communiceert met de rest van de wereld via een groot video-scherm op de achtergrond. Dat scherm is die triomf van techniek, van grafische vindingrijkheid, van precisie en aandacht. De woorden, tekens en illustraties op het scherm vormen met de levende - en hierdoor eens zo eenzame - acteur een kunstmatige maar vanzelfsprekende dialoog. Zorgvuldig uitgekiend, maar speels, ook met muziekflarden, lichtwisselingen, pauzes, en geestige stripachtige aanduidingen.

Alles is volmaakt aan deze produktie: Rijnders hakte zijn uit het leven gegrepen tekst in stukken die het geheel een wonderlijk stuwende kracht geven in plaats van, zoals men zou denken, op te houden. Cassiers is erin geslaagd de multimediale aanpak van zijn vorige Holland Festival-produktie (HMA of Hiroshima, mon amour te verfijnen en tegelijkertijd te relativeren. Hij staat zichzelf vrolijkheid toe, leedvermaak misschien ook wel. Marc Warnings inbreng is voorzover ik zijn werk bij het Onafhankelijk Toneel overzien kan, zonder precedent. Hij levert een buitengewone prestatie met dit computergestuurde decor.

Intussen - niets is zonder geschiedenis - zitten ook in Rotjoch verwijzingen naar andere kunst: behalve naar cartoons naar die van Rijnders zelf. De structuur van zijn tekst doet denken Wolfson, de Talenstudent uit 1984. En de 'kostumering' van Herman Gilis herinnert aan Rijnders' enscenering van Troilus en Cressida, vormgegeven door Paul Gallis. Gilis' hoofd is verpakt in vleeskleurig nylon, met uitsparingen voor twee ogen en één oor. Boven de rand piekt een enkele pluk haar. Het maakt hem, behalve een gevaarlijke psychopaat, een gevangene van zichzelf. Een gevangene van een door hemzelf bedachte wereld. Hij is zichzelf een fantoom. Hij bestaat niet.

    • Pieter Kottman