Arme Friezen

Joke Spaans: Armenzorg in Friesland 1500-1800. Publieke zorg en particuliere liefdadigheid in zes Friese steden: Leeuwarden, Bolsward, Franeker, Sneek, Dokkum en Harlingen. Verloren 1997, 400 blz. ƒ 59,-

Dat de overheid verantwoording draagt voor het wel en wee van haar onderdanen is een klassiek rechtsbeginsel van goed bestuur en als zodanig vrij algemeen aanvaard. Dat zij bereid is hieruit tevens financiële consequenties te trekken door beleidsmatig op te treden, is echter minder vanzelfsprekend dan het lijkt. Hoe recent dit fenomeen is toont het boek van de historica Joke Spaans over de armenzorg in Friesland in de periode 1500-1800 aan.

Zorg voor de armen was tot ver in de middeleeuwen een exclusieve aangelegenheid van de private sector, ofwel de geestelijkheid. De kerk stond nog boven de maatschappij in een periode waar de staat nog in opbouw was. Voor de individuele gelovigen gold allereerst de christenplicht aalmoezen te geven: het was een van de goede werken van barmhartigheid, met de uitvoering waarvan men zich een stap dichter in het hiernamaals wist. Substantiële vormen van ondersteuning waren gereserveerd voor 'eigen' groepen armen: geestelijke broederschappen, gilden en particuliere stichtingen droegen elk hun steentje bij in het lenigen van de nood van de achterban. In ruil hiervoor moest vaak wel de nagedachtenis van de overleden weldoener in ere worden gehouden, de zogeheten memoriecultus.

Eén van de vroegste algemene richtlijnen van de overheid omtrent de armenzorg stamt uit 1531, toen de landsvorst een edict liet uitgaan. In de eerste plaats ging het daarin om het weren van bedelarij; in de tweede plaats beoogde het een herinrichting met als doel samenvoeging van bestaande liefdadige fondsen in een plaatselijke armenkas onder oppertoezicht van het stadsbestuur. Deze wettekst was ingegeven door veranderingen in de samenleving. Een groeiende bevolking en toenemende urbanisatie zorgden ervoor dat armoede zich meer ging concentreren in de steden. Hierdoor werd het als probleem zichtbaarder en voor de overheid tastbaar. Dit bood een uitgelezen mogelijkheid ordehandhaving en zorg te combineren.

Humanisme

Spaans deelt haar boek in drie perioden in: in het eerste tijdvak tot 1580 werd een begin gemaakt met reorganisatie van de armenzorg, onder de invloed van het humanisme. De overheid diende de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de uitvoering van een sociale politiek, die erop gericht was armen naar behoeftigheid en vanuit een centraal fonds te ondersteunen. Deze centralisatie werd in Friesland vroeg in gang gezet (in vergelijking met de andere gewesten) maar zou nergens totaal in zijn opzet slagen. Vooral de stedelijke - meest adellijke - elites lagen hierbij dwars. Zij hadden zich tot dan toe de armenzorg toegeëigend als een instrument van patronage. Hun verzet tegen de centralisatie zou in die zin effectief blijken dat zij her en der stand wisten te houden tegen de wens van de overheid in.

In Leeuwarden zou het Zoete Naam Jezusgilde nog tot 1638 zelfstandig huiszittende armen blijven ondersteunen, daarna legde het zich louter toe op een gasthuis. Tevens wist men in de vorm van collatieplaatsen en bestuursfuncties in belangrijke mate greep te houden op de burgerweeshuizen: tot de helft van de opgenomen kinderen bleek vaak op hun voorspraak toegelaten te zijn. Op deze wijze kon de naam van de stichter ook in ere worden gehouden, al was onder de invloed van de Reformatie het specifiek religieuze karakter ervan wel veranderd. Het bleek bovendien onmogelijk een ander oud gebruik als het bedelen effectief in te dammen. In Sneek duurde het tot 1585 voordat een officieel verbod werd afgekondigd. Voor de armen bleef het echter een beproefde methode.

Na de eerste aanzetten tot reorganisatie, voerden de stadsbesturen een krachtdadiger beleid door van circa 1580 tot 1675. Dit werd in de eerste plaats mogelijk gemaakt doordat hun financiële armslag gegroeid was. De inkomsten uit de geannexeerde kloostergoederen konden bij voorbeeld gedeeltelijk worden aangewend voor het realiseren van een coherent, samenhangend stedelijk systeem van armenzorg. Dit laatste was nu acuut geworden omdat de Opstand een stroom vluchtelingen op gang had gebracht. Deze migratiestroom moest in goede banen worden geleid, wilden de diverse steden er niet onder bezwijken. De toestroom maakte het tevens noodzakelijk de kansarmen (zoals landlopers) te onderscheiden van behoeftige, eerlijke armen.

Dat dit niet overbodig was, leert een schatting over de omvang van de armoedeproblematiek: voor de hier behandelde zes Friese steden lag het aandeel van de armen op de stedelijke bevolking in de zeventiende eeuw ruwweg tussen de tien en twintig procent. De diverse stadsbesturen streefden ernaar tot instellingen te komen met een zo breed mogelijke toegang, zoals (stads)gast- en weeshuizen. Deze plannen dolven echter het onderspit door onvoorziene tegenslagen. De gasthuizen hadden zich gaandeweg gespecialiseerd tot proveniershuizen waar men zich tegen betaling verzekerd wist van een comfortabele oude dag; voor armlastigen was er niet langer plek. Vanaf het midden van de zeventiende eeuw raakten de weeshuizen (de duurste vorm van armenzorg) in de knel onder de financiële last van een groeiend aanbod.

De armoedeproblematiek bleek, kortom, een taaiere beleidskwestie dan men gehoopt had. Soms was de strijd om belangen op lokaal niveau zo intens dat ze inzet werd van een heuse factiestrijd, zoals in Franeker in 1630-1. Het probleem van de stedelijke overheden bestond hierin dat men een plaats moest zien te veroveren in een reeds bestaande markt van voorzieningen. Men wilde in elk geval een centrale armenkas, opdat dubbele bedeling kon worden voorkomen - in het bijzonder onder de grootste groep armen, de thuiszittende. Dit streven werd echter gedeeltelijk doorkruist door de opkomst van de gereformeerde diaconie na 1580, die bovendien de voorkeur gaf aan het werken naar eigen, kerkelijke criteria. Dit hield onder andere in dat ze geen onderscheid wenste te maken tussen de ingezetenen van een stad en immigranten van elders, zolang men maar lidmaat was. Tevens vormden ze een vangnet voor nettere armen omdat ze behoeftigheid niet strikt als criterium handhaafde.

Vanaf het laatste kwart van de zeventiende eeuw kwam een kentering in de houding van de overheid: het idee van een gecoördineerde, stedelijke armenzorg werd geleidelijk losgelaten. De achterliggende reden hiervoor moet waarschijnlijk worden gezocht in de tanende economische welvaart waardoor de sociale verschillen groeiden. Elke sociale groep moest voortaan apart voor de eigen armen zorg gaan dragen. De nadruk lijkt daarbij in toenemende mate te hebben gelegen op het streven geloofs- en groepsgenoten te behoeden voor armoede - het ophouden van stand in plaats van de leniging van nood.

Werkhuizen

De overheid zorgde nog slechts in laatste instantie voor armen die niet op een sociaal verband konden terugvallen. Een laatste handreiking aan hen gold de stichting van werkhuizen, vanuit de gedachte dat werkverschaffing zelf ook als een vorm van armenzorg gezien kon worden. In toenemende mate drongen stedelijke overheden er bij alle kerkgenootschappen op aan hun eigen arme lidmaten te onderhouden. zij werden hiertoe in 1755 zelfs verplicht. Dit leidde wel tot een dubbelzinnige situatie want de nieuwe instellingen konden er geen rechtspositie aan ontlenen. Zij werden officieus getolereerd maar niet officieel erkend. Als gevolg daarvan moesten de Staten er dan ook regelmatig aan te pas komen om in de vorm van wetgeving duidelijkheid te verschaffen over de verantwoordelijkheid in individuele gevallen.

De armenzorg - in elk geval in Friesland - weerspiegelde zo de sociale en religieuze verhoudingen in de Republiek. Spaans treedt hiermee in de voetsporen van de idee¨n van de Leidse hoogleraar Groenveld over het bestaan van verzuiling in de Republiek en het mag dan ook verwonderlijk heten dat diens werk niet in de literatuurlijst staat vermeld. In het laatste kwart van de achttiende eeuw kwam het overigens wel tot de invoering van een algemene armenbelasting.

De armen zoals die in dit boek de revue passeren zijn vooral institutionele armen, welke door (stads)gasthuizen, (burger)weeshuizen, diaconieën en particuliere stichtingen werden opgevangen. De oorspronkelijke opzet van een gedenkboek voor enkele voogdijen uit Leeuwarden is door de auteur gelukkig verlaten voor een bredere aanpak, waardoor het boek aan belang wint. Het biedt een goed overzicht van de veelheid aan instellingen en het moderne karakter ervan, al is de vergelijking tussen zes steden soms verwarrend door de verschillen in lokale opzet van de armenzorg.

    • C.O. van der Meij