Zuid-Afrika; De kampioen van het jaar 2006

Zuid-Afrika debuteert op het WK voetbal. Vooral de jonge spelers op de 'Sport School of Excellence' zullen geen seconde van het tournooi willen missen.

EEN ROOD meisjesonderbroekje en een half afgescheurde foto van Willem van Hanegem - alleen een verfomfaaide bovenkant is van Willem overgebleven - markeren de toegang tot het veld van de Sport School of Excellence, een nationaal opleidingsinstituut voor voetbaltalent in Johannesburg. Zijn het de fetisjen van Zuid-Afrika's komende voetbalgoden? Terwijl het hele land, althans de zwarte en gekleurde meerderheid, in opgewonden afwachting is van wat het debuut van het nationale elftal, Bafana Bafana, in Frankrijk brengen moge, doet een nieuwe generatie alvast de warming up voor de volgende eeuw.

Lynch Pule, een jongen van vijftien afkomstig uit het township Mmabatho in de provincie Noord-West, is één van hen. Onder de talenten op de school - alle zeventig jongens gelden als beloftes - is hij een van de grootsten. Ideaal voetbalweer: 20 graden, lekker zonnetje, geen wind. Lynch traint fanatiek met zijn leeftijdsgenoten in een spelletje zone-dekking. Zijn team met de groene bibs neemt het op tegen de zwarte bibs. Hij slalomt zich behendig langs zijn tegenstanders, een lust voor het oog.

Lynch Pule is een van een select groepje van acht leerlingen dat binnenkort naar Frankrijk gaat om deel te nemen aan een internationaal jeugdtoernooi. Zijn open gezicht straalt grote opgewondenheid uit als hij erover praat. Wie is er ooit zover de wereld in geweest? Lynch heeft maar één ambitie: profvoetballer worden en dan het liefst bij Ajax, dat hoog op het verlanglijstje van alle jongens staat.

The Sport School of Excellence in Johannesburg, opgericht in 1994, is in onderwijsopzicht een middelbare school als alle andere. Het verschil is dat de leerlingen elke dag na schooltijd zich twee uur mogen uitleven in datgene waarvoor ze zijn gekomen: voetbal. De vier leeftijdsgroepen hebben allemaal hun eigen fulltime trainer.

De privé-school, voor jongens tussen 12 en 17 jaar, wordt volledig gesponsord door een groot Zuid-Afrikaans vervoersbedrijf, terwijl de fabrikanten van kleding en schoeisel elkaar verdringen in het aanbieden van materiaal. Alle negen provincies van Zuid-Afrika hebben trainingscentra van waaruit scouts talentvolle jeugdspelers voordragen voor de school in Johannesburg.

“Maar het gaat ons niet alleen om het zo goed mogelijk opleiden van voetbaltalent”, zegt directeur Simon Ngobeni. “De school is ook een vorm van lotsverbetering voor de armen. De meeste van onze jongens komen uit de townships. Het onderwijs is ten minste zo belangrijk als de sport. We zijn keihard: wie zijn best niet doet in de lessen krijgt geen eten en wie niet eet, kan niet voetballen. Dan leren ze het snel af.”

Ngobeni geeft hoog op over het onderwijsniveau op zijn school. Begin dit jaar bleek dat 87 procent van de hoogste klas was geslaagd voor hun matriek, het eindexamen. (Het Zuid-Afrikaanse schooljaar loopt parallel aan het kalenderjaar, de uitslagen van het eindexamen komen in januari.)

De voetbalschool is zo'n succes dat onlangs een groter gebouw moest worden betrokken. Een voormalig pension van spoorwegarbeiders, in de wijk Elandsfontein, is het nieuwe onderkomen van de jonge voetballers. Het gebouw is halverwege een verbouwing, en van de vijf geplande velden is er nog maar één af. Maar op het deel dat af is, passen de voetballertjes alsof het hun eigen bezit is. Hun kamers zijn onberispelijk op orde, en dat voor een kosthuis vol jongens! “We brengen hun discipline bij, maar moeilijk is dat niet, je hebt natuurlijk al te maken met zeer gemotiveerde leerlingen. Ze hebben alles over voor het voetbal”, zegt Ngobeni.

De directeur is zelfs een beetje bang dat de spelers het wel eens te goed hebben, met alle faciliteiten die tot hun beschikking staan. Gelukkig spelen teams van de school nog regelmatig in de townships. “Daar speelt men op gravel, niet op gras. Dat is goed voor onze jongens, ze krijgen er nog eens een flinke schop. Worden ze hard van.”

Caesar Maphalla, een middenveldspeler bij de Kaapse profclub Santos, heeft vakantie en is eens even naar de nieuwe lichting voetballers komen kijken. Caesar slaat hen met een mengeling van lichte jaloezie en trots gade. De profspeler groeide zelf op in het ruige township Alexandra, aan de noordrand van Johannesburg. “Dit is waarvan iedere jongen in het township droomt: het achterlaten van het geweld en de ellende uit hun nabije omgeving. Lekker voetballen. Wat een kans”, verzucht Caesar. Zijn broer Tshepiso is een van de uitverkorenen die zijn toegelaten tot de elite-opleiding.

Caesar zegt dat het niet allemaal rozengeur en maneschijn is met de voetballerij in Zuid-Afrika. Hij is al aan zijn derde profclub bezig en moet overal hetzelfde gevecht leveren met zijn bazen. “Eigenaars van voetbalclubs doen met je wat ze willen. Het lijkt alsof wij geen enkel recht hebben.”

Voetbal is een echte volkssport in Zuid-Afrika, goeddeels beoefend door zwarten en kleurlingen. Door de apartheid was het land tientallen jaren ook sportief gezien van de buitenwereld afgesloten. Eén, twee generaties voetballers waren helden in eigen land, maar daarbuiten kende niemand hen. Zelfs Zuid-Afrika's grootste ster, de aanvaller Jomo Sono, bleef vrijwel onbekend over de landsgrenzen. En rijk werden de spelers er ook niet van - een enkeling, onder wie Sono, uitgezonderd.

Neem Godfrey Radebe, 42 jaar oud. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig was hij de lieveling van de twee clubs waarvoor hij speelde: Orlando Pirates uit Soweto en de hoofdstedelijke Mamelodi Sundowns in Pretoria. Radebe hield geen cent over aan zijn voetbalcarrière en leerde geen ander beroep. Volkomen verarmd en aangetast door keelkanker slijt hij zijn tijd in het township GaRankuwaNa bij Pretoria. Hij verkoopt snoepjes - per stuk - om zijn zoontje Tumi te onderhouden. Of Peter Mokotedi, voormalige crack van de Kaizer Chiefs en de Witbank Aces. Woont nu in een krot in het township Boikhutsong. Ook ziek, door ontberingen, Mokotedi is blind aan één oog.

Volgens de voorzitter van de Zuid-Afrikaanse vakbond van voetballers, SAFPA, leeft 95 procent van de voormalige professionals in bittere armoede. De bond is nu begonnen met het organiseren van benefietwedstrijden voor ex-spelers.

De huidige generatie voetballers heeft het een stuk beter. Dankzij de opheffing van de sportboycot tegen Zuid-Afrika, ruim vier jaar geleden, konden Zuid-Afrikaanse spelers hun kunsten weer internationaal vertonen. Het succes kwam snel. In 1996 werd Zuid-Afrika, bij het eerste het beste toernooi waaraan het weer mocht meedoen - het tweejaarlijks Afrikaanse kampioenschap voor landenteams - meteen kampioen. Weliswaar in eigen land en bij afwezigheid van Nigeria, maar toch. In februari van dit jaar eindigde Bafana Bafana als tweede in de Afrika-cup, achter Egypte. Meteen daarna had een trainerswissel plaats. Gelegenheidscoach Jomo Sono werd vervangen door de Fransman Philippe Troussier, die zich met zijn onconventionele aanpak niet erg geliefd heeft gemaakt: hij slaat en bedreigt zowel spelers als journalisten. Maar alles verandert als Bafana Bafana naar behoren zal presteren.

Een van de trainers van de School of Excellence, Sam Mbatha, kijkt liever verder vooruit dan naar het komende WK. “Het Bafana Bafana dat in Frankrijk in actie zal komen, is een zwakke afspiegeling van wat Zuid-Afrika aan voetballers in huis heeft', zegt Mbatha. “In 2006 is de generatie jongens van onze school doorgebroken en dan zul je nog eens wat zien.”

En wie wordt er wereldkampioen voetbal volgens Lynch Pule? “Bafana Bafana”, zegt hij, maar voegt er schuchter aan toe: misschien. “Ja ja” reageren zijn klasgenoten op het veld schaterlachend, “heel misschien.”

    • Lolke van der Heide