Verzet beheerst groot deel van Kosovo

Het Servische offensief in het westen van Kosovo lijkt vechten tegen de bierkaai: de guerrillabeweging van de Albanezen is heer en meester in ten minste veertig procent van Kosovo.

PRIŠTINA, 4 JUNI. Dertig kilometer onder Kosovo's hoofdstad Priština kunnen de Servische soldaten zich nog lang niet ontspannen. Geweerlopen steken aan alle kanten uit hun legertruck. De soldaten ogen vermoeid en humeurig. Waarschijnlijk zijn ze net afgelost uit het Decani-gebied, waarover zware gevechten worden gemeld. De voorste rij staat over de cabine gebukt, de kalasjnikovs op het asfalt voor hen gericht. De soldaten op de zijbanken houden de omgeving onder schot, de soldaten bij de laadklep onze auto. Een falanx op wielen.

Alle toegangswegen naar het Decani-gebied, het grensgebied tussen Kosovo en Albanië, zijn momenteel afgesloten. “Voor uw eigen veiligheid”, zeggen de Servische agenten die ons terugsturen. Wat rond Decani precies gaande is, valt dus moeilijk vast te stellen. Rookpluimen aan de horizon geven een indicatie, alsmede de duizenden vluchtelingen die momenteel Noord-Albanië binnenstromen.

Afgaande op hun verhalen beschieten het Joegoslavische leger en de politie de grensdorpen die onder controle staan van het Kosovo Bevrijdingsleger (UÇK), de guerrillabeweging van de Albanezen. Bedoeling is de stroom wapens vanuit buurland Albanië droog te leggen. De methode is bekend uit Bosnië: dagenlange beschietingen, waarna 'specialisten' de murwgebeukte dorpen binnentrekken. Of het resultaat - de ontvolking van de grensstreek - het doel van de operatie is of een gewenst neveneffect, is de vraag.

Maar terwijl de Serviërs de grens afsluiten, groeit het vijandelijk gebied binnen Kosovo. Naar schatting 40 procent is nu in handen van het UÇK. Op de weg van Priština en Prizren, een maand geleden nog veilig, worden steeds vaker aanvallen op politieposten gemeld. Vandaag nemen UÇK'ers rond negen uur een legerkonvooi onder vuur bij het plaatsje Dulje. Als we een paar uur later passeren, is alles weer rustig. Twee kilometer na de afslag naar het stadje Mališevo - volgens Albanese bronnen een nieuw hoofdkwartier van het UÇK - stuiten we op een wegversperring. Vier Albanezen wandelen met kalasjnikovs in de aanslag uit het bos en houden een stopbord omhoog. Ze dragen zwarte baretten met het UÇK-embleem, camouflagepakken of zwarte T-shirts.

Pagina 5: 'We laten onze kinderen niet vermoorden'

“Aha, Holandija”, grijnst een magere recruut met een zwarte baard, die de passen controleert. “Ich habe Freunde in Emmen. Goedendag, hoe gaat het met u?” We mogen verder.

In Mališevo wijst niets nog op Servisch gezag. Alle ramen van het vroegere politiebureau zijn ingeslagen, het interieur is uitgebrand. In het stoffige centrum, waar scharrelaars sigaretten en goedkope textiel aan de man brengen, flaneert een peloton UÇK'ers ontspannen over straat. Even buiten het stadje spelen honderden kinderen rond een zwembad, een vreemd modernisme in deze streek van paardenkarren en schaapskuddes.

“Drie weken geleden is in Mališevo voor het laatst een Servisch politiekonvooi gestopt. Nu durven ze hier niet meer te komen”, zegt Jakup Kastrati, het hoofd van de lokale LDK, de eenheidspartij van 'president' Ibrahim Rugova van de Kosovo-Albanezen. Hoewel zijn pacifistische partijleider lang het bestaan van het UÇK ontkende, en het UÇK vanuit Zwitserland per fax op zijn beurt harde woorden richt tegen Rugova, noemt Kastrati de samenwerking tussen LDK en UÇK op lokaal niveau uitstekend. “Diplomatie en oorlog zijn twee lijnen in dezelfde strijd. Het UÇK kan president Clinton niet de hand schudden in het Witte Huis, Rugova kan Mališevo niet verdedigen tegen de Serviërs. Iedereen heeft zijn eigen taak.” “Maar Rugova moet wel weten dat hij geen overeenkomst kan sluiten buiten het UÇK om”, vult Rexhep aan, een medewerker van Kastrati.

Vóór 1991 was Mališevo centrum van een gemeente van 35 dorpen met 54.000 inwoners. In 1991 werd die gemeente opgeheven en werd het grondgebied over de buurgemeenten verdeeld. Kastrati en de LDK verhuisden naar hun huidige hoofdkwartier, dat van buiten lijkt op een verlaten pakhuis. In de praktijk veranderde weinig.

“U moet begrijpen dat deze streek voor 99 procent Albanees is”, zegt Kastrati. “In november 1991 ontsloegen de Serviërs hier alle Albanese ambtenaren en leraren. Veel mensen zijn naar Duitsland gegaan, anderen proberen met handel het hoofd boven water te houden. Officieel worden we nu bestuurd vanuit het dorp Kijevo, waar nog een paar Serviërs wonen. De families Belic, Spašic, Stošic. Dat ging als volgt: vader Belic werd onze burgemeester, zijn oudste zoon onze wethouder voor Economische Zaken, zijn tweede zoon onze wethouder voor Financiën. De Servische regering betaalde hun om niets te doen, wij bleven Mališevo verder onbetaald besturen.”

Kastrati wijst op de deuropening van de LDK-kantoor. Rond het slot is het hout versplinterd. “Dat is alles wat we de afgelopen jaren van de Serviërs merkten. Soms kwam de politie langs. Dan trapten ze de deur in, arresteerden ons en sloegen ons in elkaar.”

Begin maart, toen politietroepen tijdens een strafexpeditie in het naburige Drenica-gebied tientallen Albanezen doodschoten, schudde Mališevo de laatste resten Servische hegemonie af. “Dat was de druppel die onze emmer deed overlopen”, zegt Kastrati. “Wij laten onze vrouwen en kinderen niet vermoorden. Nu hebben we ook ons eigen leger, het UÇK.” De wapens, voorheen ook al voorradig, werden niet langer verborgen gehouden. UÇK-emblemen waren opeens overal. De militaire waarde van de nieuwe vrijwilligerseenheden is onduidelijk. “We hebben genoeg geweren om Mališevo te verdedigen”, denkt Rexhep. “Maar er komt weinig bij nu de grens dicht is.”

Op weg naar een café stuiten we op nog een UÇK-patrouille. De commandant wil niet praten. “Geen foto's”, fluistert Rexhep. Het is duidelijk wie de baas is in Mališevo. En de Serviërs weten dat ook. Rexhep zegt vorige week te zijn opgepakt door Servische agenten. “Ze wilden weten of er in Mališevo veel UÇK'ers waren en of ze veel wapens hadden. Ik heb ze eerlijk antwoord gegeven, waarom niet? Zij zeiden dat zij tanks en vliegtuigen hadden om ons dorp met de grond gelijk te maken, en dat ik dat aan de UÇK moest vertellen. Dat heb ik gedaan.”