Twee hotelketens op zoek naar mooie gebouwen

Een oud idee was het om met Krasnapolsky samen te gaan, zegt de president- directeur van Golden Tulip. Gisteren werd hun fusie bekend. De één brengt marketing en sales in, de ander vooral vastgoed.

AMSTERDAM, 4 JUNI. “Het klinkt theatraal”, zegt Hans Lodder, nu nog president-directeur van Golden Tulip Hotels, “maar ik doe het voor de onderneming”. Hij was zestien jaar de baas van Golden Tulip Hotels, maar als de fusie met Krasnapolsky doorgaat - eergisteren aangekondigd - wordt hij de tweede man, ònder Willem-Jan van den Dijssel van Krasnapolsky. “Geen probleem”, zegt Lodder. “Mijn positie is onbelangrijk.”

Het was, zegt hij, zijn idee om Golden Tulips aan Krasnapolsky te verkopen. Een oud idee ook. “Het lag zo voor de hand dat wij samengaan.” Maar nu eens zat het hele Nederlandse hotelwezen in een crisis (begin jaren negentig, na de Golfoorlog), dan weer hadden de twee ketens het te druk met zichzelf (reorganisaties) - kortom, het momentum om nou eindelijk eens te doen waar ze allebei naar verlangden, zegt Lodder, kwam maar niet. Tot vorig jaar november. Lodder zocht iemand voor het comité van aanbeveling voor het 35-jarig jubileum van Golden Tulips. Hij belde eens met Paul Tichelaar uit de raad van commissarissen van Krasnapolsky (Van den Dijssels voorganger) en toen hij hem toch sprak... Kortom, het momentum was er nu wel en Paul Tichelaar zei dat ze dan maar eens bij elkaar moesten gaan zitten, dan konden ze babbelen.

“Het is een fusie uit kracht”, zegt Lodder. “We zijn allebei kerngezonde bedrijven.”

Met Tom Bas (ook van Golden Tulip) en Willem-Jan van den Dijssel zit hij in de Herfstzaal van Krasnapolsky, anderhalf uur na de persconferentie van gisteren, en hij vertelt hoe Golden Tulip de laatste jaren veranderde van een label met een reserveringssysteem naar een organisatie voor sales en marketing en hoe Golden Tulip nu, met Krasnapolsky, een hotelketen wordt die ook echt zelf hotels in bezit heeft. De gebouwen dus. Het reserveringssysteem werd de deur uitgedaan omdat dat, zoals Lodder het noemt, een core business an Sich werd, meer iets voor informatietechnologen. “In deze business”, zegt Lodder, “moet je heel goed weten wat je in één hand wil houden.”

Van den Dijssel: “Dat is het verschil tussen Krasnapolsky en Golden Tulip. Wij huurden tot nu toe sales en marketing in.”

Lodder: “En wij het onroerend goed.”

Zou het niet heel modern zijn om het onroerend goed er juist uit te gooien? Nike en Sara Lee hebben geen materiële bezittingen meer. Ze managen alleen nog maar, ze zijn een verkooporganisatie.

Van den Dijssel: “Technisch kan het.”

Lodder: “We zouden het kunnen doen.”

Van den Dijssel: “Het beheer van onroerend goed is een aparte discipline, het kàn los staan van je company.”

“Maar als je het afstoot”, zegt Tom Bas, die meteen al nee zit te schudden, “vertaalt de toenemende waarde van het onroerend goed zich in steeds hogere huren en je krijgt ook nog eens allerlei discussies met de eigenaar wat er dan met de assets moet gebeuren.”

Tom Bas heeft net een rondje door Krasnapolsky gelopen, vertelt hij, en hij weet zeker dat het hotel er lang niet zo mooi had bijgestaan als het bijvoorbeeld van ING Vastgoed was geweest. “Krasnapolsky creëert door zijn speciale expertise meer waarde.”

“En waarom”, zegt Van den Dijssel, “zouden we niet zelf profijt trekken uit die waardestijging?”

“En toch”, zegt Lodder, “hoeven ondernemingen met een sterke distributie en een hoge herkenning van de brand niet per se de controle te hebben over het onroerend goed om succesvol te zijn.”

Van den Dijssel: “Wij zijn altijd op zoek naar gebouwen die niet te dupliceren zijn. Unieke gebouwen die er over honderd jaar nog staan.”

Tom Bas: “Maar we zijn geen handelaren in onroerend goed.”

Van den Dijssel: “Onroerend goed is ons gereedschap. We kopen voor de lange termijn. We zijn slim op het moment van instappen en niet om zo snel mogelijk weer uit te stappen.”

Dat leerde hij van Maup Caransa, zegt hij, de man die groot werd in onroerend goed. “Die zei: ik heb een vermogen verdiend door te handelen, maar ik heb nog veel meer verdiend door níet te handelen.”