Trou moet blijcken

Anoniem (zestiende eeuw)

Een ghenoeghlijck Refereyn

Een Kalver-staert, ende een Mosselmande

Toghen beyde te samen uut den lande

Over twilde Meyr, om Ridder te zijne;

Een Erte, ende een Keern-melck-stande

Quamen ghecropen op voeten, en op hande

Ende brachten met hem een poppen schrijne;

Een Stroobant heeft met kleynder pijne

Twaelf Molen-steenen deursmeeten teenen slaghe;

Twee Vlieghen zijnder ghecomen vanden Rijne

Ende hebbender al twater uut ghedraghen;

Een Stiere ghingh doe in stucken saghen

't Kasteel ter Sluys soo elck wel weet.

Diet niet en ghelooft, moch tselve gaen vraghen.

Een Miere doen een Olyphant verbeet

Dat icker om loghe dat waer mijn leet.

Twee Blaesbalghen, ende een Lanteerne

Toghen samen int lant van Aveerne

Om een Keers korf Bisschop te maken;

Een Biervat dreven sy tscheerne

Om dattet hadde ghestaen buyten de Taveerne

Ende hadde nochtans van Hoy geweven goet Laken;

Noch quam daer een Buffel verroter staken

Ende maeckte Nachtegalen van doode Koeyen

Want daer quamen drie blinde Bagijnen van Aken

Diet saghen sy waren ghesloten in boeyen;

Oock quamender smeden twee Vilte hoeyen

Op eenen Aenbeeldt van gras sonder smeet;

Een gheroockt Bockens hooft sachmen bloeyen

Om dattet teghen een Kemel street

Dat icker om loghe dat waer my leet.

Dit leugenrefrein staat in de bloemlezing met gedichten uit de zeventiende en achttiende eeuw, omdat het afkomstig is uit de fameuze bundel Veelderhande geneuchlicke dichten uit 1607. Het bevindt zich eigenlijk in het verkeerde boek. Nu is het bij een leugengedicht niet zo erg als het op een willekeurige plaats staat, want zulke gedichten kennen een lange voorgeschiedenis en blijven al even trouw voortleven. 't Is een volksgenre dat je in allerlei gedaanten steeds weer ziet opduiken.

Zo kom je in de leugenverhalen van de baron van Münchhausen anekdoten tegen die al eeuwen rondzongen. Avonturen van anderen beleeft de baron opnieuw. In dit genre stelen en bloemlezen ze van elkaar dat het een lust is.

Een moorddadige beer komt op de held afgestapt. Maar de held is onvervaard -

En stack zyn hant in den mond tot aen den steert Hy keerden hem om, tvleesch buyten met pyne Ende hy vercocht het vel

We herkennen de kloeke daad van de baron, maar in werkelijkheid staan deze regels in een Nederlands gedicht uit 1603. Dieren die aan menselijke of anderszins branchevreemde dingen doen, zoals in het bijgaande refrein waar vliegen de emmer hanteren en stieren de zaag, blijven tot ver in de negentiende eeuw de fantasie prikkelen:

Een Meerbaars zag ik op een boom Die dronk een glaasje warme room En ging toen verder vliegen

schrijft een zekere Hendrik anno 1850 in een bundel met kindergedichten. In de kinder- en volksliteratuur houden vaker thema's stand die door de officiële literatuur in de hoek zijn gesmeten. Leugenliteratuur vertoont als genre de neiging tot uitwaaieren. Niet altijd zijn de grenzen duidelijk. Je hebt de afdeling Münchhausen en Gulliver. Je hebt de utopie van luilekkerland en je hebt het negatief van de verkeerde wereld. Het is het genre van de idealisering en de omkering. Zeer geschikt voor satire dus, en zedenlessen. En voor het foppen van de censuur.

Leugengedichten als het bijgaande vormen een genre op zichzelf. Het betreft hier het aan elkaar naaien van ongelijksoortigheden, een spel dat later bij de surrealisten weer geliefd zou zijn. 't Is een ongelukkige term, leugengedichten. Niet alleen omdat het pleonastisch is - alle dichters zijn leugenaars - maar vooral omdat het zo braaf klinkt. Om de leugentjes of grappige verzinsels gaat het niet, van belang is het vervreemdende effect dat uitgaat van het opsommen van zoveel mogelijk herkenbare onbestaanbaarheden. Om het irreële binnen de realiteit. Om de ongeloofwaardige daden van de meest geloofwaardige dingen.

Onmogelijkheidsgedichten zou al een betere omschrijving zijn. Niet de schijnbaar oneindige uitbreidbaarheid van de ongelijkwaardige ontmoetingen is daarbij van belang - er moet een zekere samenhang zijn om het gedicht geslaagd te maken. Niet alles wat in de bloeitijd van deze gedichten het publiek door het hoofd schoot valt voor ons te achterhalen, net zomin als we de aanwezigheid van elk voorwerp op een van die overvolle schilderijen van Bosch of Brueghel kunnen verklaren. Wat in dit gedicht opvalt is - naast die alledaagsheid en de dode voorwerpen die handelend optreden - dat het veel met consumptie te maken heeft, met eten en drinken of met visioenen daarvan. Kalverstaart, mosselmand, erwten, karnemelk. Buffel, dooie koe, gerookte bokking.

Voorts wordt er veel tegen iets opgevochten. Klein tegen groot, wel te verstaan. De strooien band die in één klap twaalf molenstenen stukslaat. Vliegen die de Rijn leegscheppen, stieren die een kasteel in stukken zagen. Een mier die een olifant bijt. Komen we die herculische taken vooral in de eerste strofe tegen, in de andere overheersen de metamorfosen. Een kaarskorf wordt bisschop. Uit hooi weeft men laken. Nachtegalen worden dooie koeien.

Het sociale aspect is onmiskenbaar. Het is een gedicht van en voor hongerlijders en underdogs. Dat er iets is wat er niet is en dat er iets gebeurt wat niet kan gebeuren vormt het tijdloze aspect. Wat ons blijft fascineren is het beangstigende van de zinloosheid. Daarvan, en niet van vrijblijvende scherts, getuigt dit soort gedichten.