Onze buurtschap

De plek in de heuvels waar wij wonen, 'Les Babots', is een zogenaamde lieu-dit, een vlek, een buurtschap. Met geen andere status dan een historische naam. De buurtschappen liggen verspreid in de streek. Het merendeel van de bevolking buiten de steden en dorpen woont in zo'n buurtschap. Soms is het een samenklontering van huizen zonder duidelijke samenhang, dan weer ligt er maar een enkel huis op de lieu-dit, zelfstandig, afgelegen, geïsoleerd en introvert van bouw, met enkele kleine vensters.

Elke buurtschap heeft zijn eigen oorsprong en geschiedenis. Ooit moet er een aanleiding zijn geweest zich daar te vestigen: een waterbron, een samenloop van beken of rivieren, een kruising van paden of wegen, de aanwezigheid van een molen. Maar soms is de oorsprong ver te zoeken. En zeker niet bij de huidige bewoners die er ver vanaf staan.

Onze buurtschap telt vier verspreide huizen. Drie daarvan, die aan dezelfde kant van het bospad liggen, zijn zeker tweehonderdvijftig jaar oud.

Het zijn twee voormalige boerderijen en een woonhuisje. Het vierde huis ligt aan de andere kant van het bospad en aan de landweg die onze enige verbinding is met de buitenwereld. Het is een eigentijds huis, hoogstens twintig jaar oud.

Over de geschiedenis van 'Les Babots' heb ik wel een theorie. Maar toen wij hier pas woonden, zo'n zes jaar geleden, kon ik nog niet duidelijk zien waar de natuur was opgehouden en waar de mens verder was gegaan. Ik stelde die vraag aan mijn buurman, die van het 'nieuwe huis'.

Het was onze eerste kennismaking en de ontvangst was hartelijk. Maar toen ik hem vroeg wat hij wist van de geschiedenis van deze buurtschap, kreeg zijn gezicht een gekwelde uitdrukking. Voor hem was het een vraag uit een andere wereld. Wel begon hij over de gewassen die het goed deden in de moestuin. En het wild dat je tegenkwam op de jacht. En als je kippen wilde houden, moest je rekening houden met de vos en andere rovers die ze weghaalden. “Kool doet het ook goed”, vond hij. “Maar dan moet je wel rekenen op hazen en konijnen die er ook van houden. Gaas erover dus”, waarschuwde hij nog.

Maar ik kwam niet voor de teelt van gewassen noch voor het houden van pluim- of ander kleinvee. Jammer, vond hij. Want van de geschiedenis wist hij niets. Maar daarna klaarde hij toch op. Want al kon hij zelf niet van dienst zijn, hij kende iemand die dat wèl kon en dat ook zeker graag zou doen. Dat was Gray Horne, de bewoner van het nabije kasteel, Château du Basty. “Een vriendelijke en behulpzame man”, vond hij. “Wacht, ik geef u zijn telefoonnummer, hij zal u zeker ontvangen.”

Dat klonk veelbelovend. Het kasteel was me wel bekend. Vanuit ons dorp Thenon passeer je de wanden van de rots waarop het kasteel deels zijn ballustrade en deels zijn verweerde, halfhoge middeleeuwse ommuring toont, met nog de ruïne van een toren, een baken uit lang vervlogen tijd.

Ik stak het telefoonnummer bij me en niet lang daarna, vol verwachting draaide ik het nummer van Gray Horne, Château du Basty.

    • Gijs van Stijgeren