Mist hoort bij de formatie

De kabinetsformatie voltrekt zich als de processie van Echternach, twee stappen voorwaarts, een stap terug. J.M. Bik meent dat de lange duur van de formatie vooral het gevolg is van ons kiesstelsel, dat ertoe dwingt het kabinet als uitvoerende macht uit parlementaire krachtsverhoudingen tussen minderheidspartijen 'af te leiden'.

Formatietijd. Vier weken pas. Of al? Al - over vijf weken beginnen de vakanties, Nederland wordt ongeduldig. Muurvast onder de kaasstolp luidde de trefzekere kop boven de klachtenlijst die Mark Kranenburg in zijn column (NRC Handelsblad, 28 mei) gaf. Er gebeurt nog weinig tot niets, willen de informateurs en onderhandelaars ons laten geloven. En dat ondanks een heldere verkiezingsuitslag, die een ruime meerderheid gaf aan paarse partijen die vóór 6 mei al zeiden dat ze met elkaar verder wilden regeren en die een onveranderde krachtsverhouding bracht tussen de beide (versterkte) grootste paarse partners, PvdA en VVD (samen 83 zetels).

Zwaar verloren heeft D66, zo zwaar zelfs dat een vertrek naar de oppositie logisch zou zijn. Maar de Democraten hebben, mooie maatstaf, ten opzichte van de somberste opiniepeilingen licht gewonnen en zijn bijgevolg welkom als een coalitiepartner die tenminste optisch helpt voorkomen dat PvdA en VVD almaar directe Tuchfühlung met elkaar hebben. Een complicatie is dat D66 paradoxaal genoeg nu meer profileringsmateriaal in een regeerakkoord eist.

De paarse partijen kennen elkaar, hun personages, hun programma's, na vier jaar behoorlijk goed. Ze hebben - op weg naar Paars II - elkaar zelfs in de verkiezingscampagne redelijk ontzien. Ook het laat gestarte schijnduel van Kok en Bolkestein om het premierschap deed daaraan niet af. Bovendien: de economie draait goed en via de effectenbeurs raken zoveel meer mensen rijk dat Nederland op inkomensgebied intussen misschien beter van een driedeling (rijk, welvarend, arm) dan van een tweedeling kan spreken.

Er is méér. PvdA en VVD kunnen elk afzonderlijk geen meerderheid vormen met het CDA. De paarse partijen zijn misschien nog meer dan in 1994 verbonden door een gemeenschappelijke afkeer van het CDA, dat als debuterende oppositiepartij geen succes had maar - tot groot genoegen van de VVD - niettemin van plan blijft om onder leiding van zijn rechtsbenige spits De Hoop Scheffer aan de linkerkant van het middenveld kiezers te zoeken. Wat is er nóg meer nodig om een snelle, niet al te geheimzinnige formatie mogelijk te maken, waarom zitten de informateurs en onderhandelaars aan het Binnenhof ons zelfs onder deze omstandigheden nog achter zelfgemaakte dikke mist voor de gek te houden?

Waarom? Omdat schijnopenbaarheid en een marstempo à la Echternach nu eenmaal kenmerken van Nederlandse kabinetsformaties zijn, zegt de waarnemer. Partijen die zich eerst in de verkiezingscampagne 'tegen elkaar' hebben geprofileerd - stem op ons, want de duvel woont bij de buren - hebben in de formatie tijd nodig om hun kiezers en kaders eraan te laten wennen dat met dezelfde buren nu toch zaken moeten worden gedaan, respectievelijk een coalitie moet worden gevormd of voortgezet. En omdat in het land van de minderheden voor zulke coalities programmatische concessies nodig zijn, terwijl de partijkaders in verkiezingsprogramma's hun meetlat vinden en volksvertegenwoordigers op die programma's zijn gekozen, is het vinden van zulke compromissen per definitie een bezigheid die het niet zonder omfloersing, mist en cosmetica kan stellen. Dat leidt op zichzelf al tot het type onduidelijkheid waarbij iedere partij gelegenheid krijgt de gevoeligheid van sommige compromissen althans voorlopig te verhullen. Bovendien is een formatie niet alleen “een eufemisme voor het uitkleden van elkaars verkiezingsprogramma's”, zoals Kranenburg het noemde, maar moet de pijn daarvan redelijk over de partijen worden verdeeld. Dat kan pas goed in een eindafweging, waarin alle programmadossiers, hoe verschillend ook, betrokken worden en op hun compromis-pijn gewogen zodat iedereen aan het eind mede op andermans pijn kan wijzen.

Anders gezegd: te vroege openbaarheid over compromissen op deelterreinen kan tot gevaarlijke emoties in de ene of de andere partij leiden en daarmee de sfeer en zelfs het gehele formatieproces problematisch maken. Over de kwaliteit van zulke emoties en de betekenis van verkiezingsprogramma's in een snel veranderende wereld kan men twisten, maar niet over het bestaan van zulke emoties en de geur van halve heiligheid die programma's hebben als hun inkt net droog is.

Het echte antwoord op de vraag waarom kabinetsformaties in Nederland doorgaans zo lang duren, behoudens snelle toevalstreffers als in 1948 (kabinet-Drees, 31 dagen), en steeds in kleine, ondoordringbare Haagse kringen geschieden, ligt in het kiesstelsel. In het parlementaire evenredigheidsstelsel dus, dat alles te maken heeft met de compositie van Nederland als land van op hun eigenheid bedachte minderheden. In dat Nederlandse stelsel wordt het parlement door de kiezers als soeverein en controleur van de macht gemandateerd. De uitvoerende macht, die ooit bij de door God gelegitimeerde koning lag, is in Nederland een uit het parlement 'afgeleid' instituut: het kabinet. Dat het staatshoofd, dat van zijn oorspronkelijke legitimatie als uitvoerende macht democratisch 'beroofd' is, nog zo'n rol in speelt in de kabinetsformatie mag wat dat betreft letterlijk een (bruikbaar) anachronisme heten.

In de afgelopen dertig jaar is de ene na andere mislukte stormloop uitgevoerd om ook de uitvoerende macht een meer of minder rechtstreekse legitimatie van de kiezers te geven - en daarmee de kiezers zeggenschap in de vorming van een nieuw kabinet. Een partij als D66 is daarvoor in feite opgericht. Als het Van Mierlo's Democraten zou zijn gelukt om het districtenstelsel (winner takes all) en de gekozen premier, dan wel, iets indirecter, de door de Tweede Kamer gekozen formateur ingevoerd te krijgen zou Nederland staatkundig gestroomlijnd en de kabinetsformatie een kleinigheid geworden zijn.

Maar die vernieuwing, die een praktische tweedeling in het electorale gevecht om de uitvoerende macht vooronderstelde, is er niet gekomen. De partijen die daarbij geen belang hadden, zoals het CDA en zijn voorlopers, hebben zo'n uitnodiging tot zelfliquidatie niet willen honoreren. En partijen die er principieel bezwaar tegen hadden de kiezers in zo'n op twee blokken gericht stelsel tussen linkse of rechtse 'dranghekken' te zetten (de VVD en kleinere partijen) evenmin.

Binnen het bewaard gebleven kiesstelsel en zijn veronderstelde dualisme tussen de volksvertegenwoordiging en de uitvoerende macht kan in de kabinetsformatie trouwens nog best wat worden verbeterd. Bijvoorbeeld als slechts een akkoord op hoofdpunten zou worden afgesproken, dat financieel solide is maar overigens geen dossiers dichtspijkert, daardoor de regeringsfracties niet knevelt en de oppositie ruimte laat om echt iets aan het wetgevende debat bij te dragen.

Maar zo zal het niet gaan. De volksvertegenwoordiging wordt, als soeverein die daaraan gedeeltelijk zelf mag meewerken, via een gedetailleerd regeerakkoord uitgenodigd in de richting van het type tandenloosheid dat secure bestuurders graag als stabiliteit aanprijzen. De toch al goedbeklante antiparlementaire bittertafel kan daar straks weer zijn voordeel mee doen.