Keeper; Ultiem gevoel van vrijheid

Hoewel Jan Jongbloed twee WK-finales keepte en hij pas op zijn 44ste stopte, heeft de Amsterdammer altijd in de schaduw gestaan van zijn illustere tijdgenoten. De weemoedige terugblik van een selfmade-man.

EEN JOCHIE van 14 jaar had op die broeierige zondagmiddag, 7 juli 1974, niemand met wie hij zijn verdriet kon delen. Buiten ploegde een boer zijn akker. Maar die glimlachte om zijn tranen na de 2-1 nederlaag van het Nederlands elftal in de WK-finale tegen Duitsland. En wanhopig vroeg hij zich af: waarom keek doelman Jan Jongbloed apathisch toe bij het rollertje van Gerd Müller? Was die bal echt niet te stoppen geweest?

Na 24 jaar legt hij die vraag schoorvoetend voor aan de oud-keeper van DWS, FC Amsterdam, Go Ahead Eagles en Roda JC. “Ik weet heus wel of ik een bal had kunnen tegenhouden of niet en deze was niet te stoppen”, zegt Jongbloed (57) zelfverzekerd.

Maar het zag er zo lullig uit! “Dat klopt”, klinkt het luchtigjes. “Maar ik kan nu een propje papier bijna treiterig naar je toe gooien op een manier dat je hem nèt niet pakt, ook al strek je je armen. Zo rolde die bal van Müller ook langs me heen. Vergeet niet dat ik in een onderdeel van een seconde wel drie beslissingen moest nemen. Toen Müller die draai maakte, stond Ruud Krol vlak voor hem. Als Krol de bal nog had geraakt, zou hij in de linkerhoek zijn gekomen en daarom legde ik het gewicht op mijn linkerbeen. Maar de bal ging door de benen van Krol, op een afstand van zes à zeven meter van het doel. Dat had ik niet meer verwacht. Ik zie het nog gebeuren en toch heb ik nooit wakker gelegen van die goal, omdat ik wist dat ik mezelf niets te verwijten had.”

En zeg niet dat de destijds geblesseerde Jan van Beveren die bal wél had gestopt. “Jan had in deze tijd bij geen enkele eredivisieclub kunnen spelen, want hij kon helemáál niet voetballen.”

Vier jaar later had Jongbloed geen oog voor de militaire dictatuur in Argentinië. Hij was slechts naar de WK gekomen om ballen tegen te houden, niet om zijn sympathie te betuigen aan de Dwaze Moeders. “Er is vaak gezegd dat wij de finale wel moesten verliezen omdat we anders niet levend uit dat stadion waren gekomen. Maar ik heb me nooit onveilig gevoeld.”

Jongbloed had het wel erger meegemaakt. “In Den Haag had ik zelfs dakpannen naar mijn hoofd gekregen. Ik zag laatst een wedstrijd in Griekenland. Als je een held wilt zijn, moet je daar grensrechter worden. Mijn WK werd vooral negatief beïnvloed door de aanwezigheid van twee bondscoaches: Ernst Happel zat alleen maar te kaarten, Jan Zwartkruis riep van alles. En wie nou de eindverantwoordelijkheid had, is voor mij altijd onduidelijk gebleven.

“Ook ik werd gepasseerd na de miserabele voorronde, maar ik heb mijn gram kunnen halen in de halve finale tegen Italië. Kreeg ik later te horen dat ik mazzel had gehad met die blessure van mijn vervanger Piet Schrijvers. Maar Piet keepte niet goed, hij kwam verkeerd uit bij het eerste doelpunt van Italië en raakte door die botsing met Ernie Brandts geblesseerd. Ik zal je dit zeggen: met Piet in de goal hadden wij die wedstrijd nooit gewonnen. Later beweerde die achterlijke Willy van de Kerkhof dat ik in de finale tegen Argentinië schuldig zou zijn geweest aan het eerste doelpunt van Mario Kempes door te vroeg uit te lopen. Wat had ik dan moeten doen? Blijven staan? En dan wachten tot hij de hoek voor het uitkiezen had?”

Jongbloed was al ruim in de dertig, toen Johan Cruijff hem een tweede jeugd gaf door de Amsterdammer te bestempelen als een doelman die als elfde veldspeler fungeerde. Maar als kind had hij al de drang gevoeld zijn goal te verlaten. Jongbloed heeft zichzelf ontwikkeld tot een 'meevoetballende' doelman. “Een keeperstrainer bestond in de jaren zestig helemaal niet. Toen ik in 1964 met DWS kampioen werd, bestond mijn training uit het op doel schieten door Frans Geurts, Henk Wery en Mosje Temming. Zij namen me vanaf elf meter onder vuur en die mannen konden een balletje raken hoor! Ik was dan ook nooit bang voor harde schoten.”

Hij pareerde de bal zonder handschoenen. Jongbloed: “Ik heb de WK-finale in 1974 met blote handen gekeept. Ik vond dat lekkerder, ik had voor mijn gevoel meer greep op de bal. Als het regende, had ik van die gebreide handschoenen. Daar zaten van die rubberen ribbeltjes tussen de vingers. Maar in vergelijking met de huidige handschoenen had je het gevoel dat je geen bal kon pakken. Bij nat weer droeg de Engelse doelman Peter Bonetti een soort glacéhandschoenen voor vrouwen, die van een hele fijne stof waren gemaakt. Ik heb er nog mee geëxperimenteerd. Ze werden inderdaad niet glad, maar als je de bal drie keer had uitgegooid waren de vingertoppen al versleten.”

Was hij zuinig op zijn handen, koesterde hij zijn vingers als een pianist? “Dat kon ik me niet veroorloven”, zegt Jongbloed, glimlachend. “Ik werd pas op mijn 36ste full-prof, voor die tijd moest ik gewoon werken.” Aandachtig telt hij zijn vingers af. “Deze is gebroken geweest, heb ik mee doorgespeeld. Bij deze was een pees afgescheurd, heb ik ook mee doorgespeeld. Mijn pink is uit de kom geweest, heb ik er zelf weer ingeduwd - en spelen. Niet dat ik zo'n dappere jongen was, maar ik wilde keepen.”

Hij streelt zijn handen en staart vervolgens naar de foto's van zijn kleindochter aan de muur. “Die meid is vijf jaar oud. Ik kan met haar doen wat ik wil, soms gooi ik haar metershoog de lucht in. Maar als ik eenmaal iets in mijn handen heb, laat ik dat niet meer los.” Of die handen nu een doos sigaren voor een klant moesten pakken of een bal uit de bovenhoek, dat maakte Jan Jongbloed eigenlijk weinig uit. Aan uiterlijk vertoon had de doelman geen behoefte en dat vertaalde zich tevens in zijn sobere kleding. “Ik droeg meestal een groene trui. Ik hield niet van die schreeuwerige kleuren. Als een keeper daaraan zijn charisma moet ontlenen, heeft hij veel te verbergen.”

Jongbloed had geen trucs nodig om een “verdraaid goede keeper te zijn”, zegt hij zelf, want die waardering is hem vaak onthouden. Met een bittere ondertoon: “Toen ik door Johan Cruijff als de modernste doelman werd geprezen, was ik opeens alles. Nu is iedereen beter dan ik ooit ben geweest. Het is zo typisch Nederlands om altijd het negatieve te onderstrepen. Met mijn carrière zou ik in het buitenland een held zijn geweest.

“Ik was al gestopt toen ik door Henk Wullems werd gevraagd voor elf wedstrijden bij Go Ahead Eagles in het doel te staan. Toen was ik al 41 jaar. 'Je hoeft niet meer naar de bovenhoek te duiken', zei Wullems. Ik moest vooral de achterhoede coachen. Ik debuteerde tegen NEC en na vijf minuten kreeg ik al een geweldige pegel om mijn oren. Ik hoorde het publiek al morren over die ouwe lul die nog zonodig moest. Maar we wonnen met 5-1 en die ouwe lul is nog drie jaar doorgegaan. Tot ik na een duel in Haarlem mijn eerste hartinfarct kreeg. Sindsdien is het om de twee, drie jaar weer raak. Moet ik me effe laten dotteren. Maar het zou in principe ook zo maar afgelopen kunnen zijn.

“Nu werk ik parttime als scout en het geeft me voldoening als ik een ventje van 14 jaar zie stralen als hij naar Vitesse mag. Maar ik had het liefste tot mijn 65ste in het doel willen staan. Een mooier vak dan keepen bestaat niet. Ik kan me een wedstrijd herinneren met DWS tegen Rapid. Ik hield de meest onmogelijke ballen tegen, ik had het gevoel dat ik eeuwig door de lucht kon zweven. Dat ultieme gevoel van vrijheid en geluk heb ik nadien zelden meer gekend.”