Kapoors kunst bestaat uit optische trucjes

Tentoonstelling: Anish Kapoor. In de Hayward Gallery, Londen. T/m 14 juni. Geopend dagelijks 10-18u, di en wo tot 20u.

Anish Kapoor (Bombay, 1954) verraste de Europese kunstwereld in de jaren tachtig met zijn exotische sculpturen. Hij werd opgeleid aan het Hornsey College en aan de Chelsea School of Art in Londen en combineerde een westers, post-minimaal bewustzijn met Indiase sprookjesachtigheid. Zijn beelden uit die tijd deden denken aan oosterse paleizen, vreemde vruchten en bloemen. Ze waren bedekt met een laagje ruwe pigment in diepblauw, vlammend rood of lichtend geel.

De zinderende kleurencombinaties hadden een sterk optisch effect, de beelden leken voortdurend te verdwijnen en weer op te doemen. Kapoors sculpturen sloegen in als een bom. Deze kleurenrijkdom en onbekommerde schoonheid waren precies wat de bloedeloze post-moderne kunst nodig leek te hebben. Het succes volgde onmiddellijk: in 1990 vertegenwoordigde Kapoor Engeland op de Biennale van Venetië, in 1991 won hij de Turner Prize, en in 1992 waren zijn werken te zien op de Documenta in Kassel. Zijn expositie in de Hayward Gallery in London is het eerste grote overzicht van zijn werk in een prestigieuze instelling.

Hier zijn werken uit de afgelopen zeven jaar te zien. Het zijn niet langer losstaande objecten, maar holtes en zwellingen die groeien in vloeren en muren. Een ultramarijne diepte opent zich in de betonnen vloer van het museum, de diepte is peilloos. Een halve bol van spiegelend staal tegen de wand reflecteert de gestalte van de kijker. Mooi en raadselachtig is een witte, naadloze bult in de muur, met de titel When I am pregnant. De bult is slechts zichtbaar dankzij zijn schaduw. Yellow is een mooie, stralende cirkel van zuiver geel. Een donkerrood gat in de vorm van de hoorn van een trompet, getiteld Suck, zuigt de blik naar binnen.

Kapoors zwellingen zouden associaties kunnen oproepen met baarmoeders en geslachtsorganen, ware het niet dat ze perfect en daardoor juist onlichamelijk zijn. De hand van de kunstenaar is afwezig, het materiaal lijkt als vanzelf getransformeerd te zijn tot een efemere verschijningsvorm.

Juist deze perfectie is Kapoors valkuil. Aanvankelijk wekt de optische tovenarij verbazing en bewondering: de diepte is duizelingwekkend. Maar keer op keer herhaalt deze sensatie zich, zodat je erop bedacht raakt. Het effect is steeds hetzelfde van werk naar werk, van zaal tot zaal. Steeds groter en virtuozer worden de beelden, maar het effect verandert niet. In de laatste zaal hangt een reusachtige, bordeauxrode, hoedvormige schotel aan het plafond waar je onder kunt staan en naar op kunt kijken. Maar tegen de tijd dat je hier aankomt heb je al zo vaak gezweefd en geduizeld dat het je niets meer doet. Hoe langer je hier bent, hoe meer de tentoonstelling verwordt tot kermisattractie.

Het is Kapoor te doen om de leegte, zegt hij in een interview. Hij wil een leegte creëren die de blik terugkaatst als een blinde spiegel. Dat is inderdaad wat gebeurt. Maar is dit nu een boeiende ervaring? Er is wel erg veel goede wil voor nodig om de reflectie in een glanzend gepolijste uitholling in een brok steen te zien als 'de vluchtige verschijning van de geest in de materie'. Dit is Yomanda-kitsch die ongetwijfeld zijn functie heeft, maar die niets met kunst te maken heeft. Op de vraag wat hij toch tegen de moderne kunst heeft antwoordde Ernst Gombrich mij ooit in een interview: 'It doesn't engage my mind sufficiently'. Een irriterend en pedant antwoord, maar Gombrich' woorden spookten in de Hayward Gallery voortdurend door mijn hoofd. De kunst van Kapoor biedt geen voedsel voor de geest.

Er is nog een probleem. Kapoor wil de kijker bewegen tot contemplatie, tot mediteren over het niets. Dit is echter op zijn expositie bij voorbaat uitgesloten. Mensen staan in de rij hun beurt af te wachten om enkele seconden hun plek voor het beeld in te nemen. Van contemplatie kan geen sprake zijn wanneer je voortdurend de hete adem van de volgende kijker in je nek voelt. Dit is wel degelijk iets dat de kunstenaar aangerekend kan worden, want hij heeft zelf zijn expositie ingericht. Als het hem om stilte te doen zou zijn geweest, dan had hij bijvoorbeeld, net als James Turrell, kabinetten kunnen bouwen.

Het is onbegrijpelijk dat de kunstwereld zich zo laat meeslepen door optische trucjes. Nog onbegrijpelijker is het dat dit werk door diezelfde kunstwereld 'sensueel' genoemd wordt. De werken lijken sensueel maar zijn het niet. Kapoors relatie met de kunst is niet die van een minnaar maar die van een pooier: hij exploiteert de erotiek. Wat overblijft is een smetteloze kilheid.