'Illegaal naar geheime samenleving'

De illegale immigranten komen steeds meer klem te zitten. De overheid scherpt haar vreemdelingenbeleid aan en eigen verwanten kunnen minder te hulp schieten. Hun fondsen raken langzamerhand uitgeput. Onderzoekers berichten nader uit 'De ongekende stad'.

ROTTERDAM, 4 JUNI. Bij de jaarlijkse rapporten over armoede zijn de onderzoekers steeds vaker gestuit op illegalen in Nederland. Naarmate het net zich sluit door de Koppelingswet, waarbij verschillende instanties hun gegevens over burgers per 1 juli bij elkaar nagaan, kreeg de socioloog professor G. Engbersen het idee dat de illegalen steeds verder verpauperen en 'ondergronds' raken.

Vandaag verschenen de twee rapporten die hij en een aantal medewerkers hebben samengesteld met als werktitel 'De ongekende stad'. Daaruit blijkt dat illegalen steeds minder op officiële hulp kunnen rekenen. Zij worden steeds meer uitgesloten van de arbeidsmarkt en van voorzieningen.

In hun eigen gemeenschap, die steeds meer verantwoordelijk wordt voor hun opvang als er geen bruid of baan gevonden wordt, raken de fondsen voor die directe steun uitgeput. Zo dreigen de veertig- à tachtigduizend illegalen vooral in de grote steden nog meer in de marge van de samenleving terecht te komen. Sommigen zoeken een uitweg in de criminaliteit. Anderen vormen een bedreiging voor de volksgezondheid door - onder andere via prostitutie - overdraagbare ziektes en beperkte toegang tot medische zorg.

Weliswaar bestaat er een sociaal vangnet in de vorm van een gedoogbeleid en door particuliere en kerkelijke initiatieven, maar de nieuwe wetgeving dwingt illegalen ertoe zich meer 'onzichtbaar' te maken. Zij zullen dus minder een beroep willen doen op personen die hun anonimiteit kunnen aantasten en die de kans vergroten dat zij worden aangehouden.

Engbersen: “Er bestaat wel degelijk een relatie tussen ons meer restrictieve migratiebeleid en de illegaliteit en criminaliteit. Dit zijn mensen op zoek naar welvaart en geluk en zij dreigen steeds verder in de versukkeling te raken. Zij moeten leren leugens te vertellen in specifieke omstandigheden, leren zich te bewegen in publieke ruimten maar bovenal 'schaduwlevens' te leiden met altijd de dreiging van een lek, van verraad en onthulling. Hun zoektocht binnen de samenleving wordt steeds grimmiger. Dat blijkt uit ons onderzoek.”

Engbersen haalt de Franse cultuursocioloog Pierre Bourdieu aan die in zijn boek 'La misère du monde' de nationale staat vergelijkt met een figuur waarvan de handen niet met elkaar in balans zijn. De rechterhand is de politieke elite van staatsadel, ambtenarij en 'Den Haag', terwijl de linkerhand wordt gevormd door de 'bureaucraten van de straat' die belast zijn met de uitvoering en die geconfronteerd worden met armoede en ongelijkheid. De rechterhand weet niet precies wat ze doet en kent de effecten daarvan ook onvoldoende. De linkerhand weet wel precies wat ze doet, maar wordt beperkt door schaarse middelen en door haar onmacht. Engbersen: “Zo wordt aan de ene kant in Nederland het gevoel opgeroepen dat er wel degelijk iets aan het vraagstuk van de illegalen wordt gedaan. Maar daarnaast wordt steeds duidelijker dat het beleid niet kan worden gehandhaafd en dat we er niet in slagen hun komst tegen te houden en aanhouding en uitzetting te realiseren. Gegeven het huidige beleid is dit een onoplosbaar sociaal probleem.”

Voor Engbersen en zijn team is de Gümüs-affaire, de ijverige kleermaker in de Amsterdamse Pijp die na vijf jaar trouwe, 'witte' arbeid toch terug moest naar Turkije omdat hij niet zes jaar officieel had gewerkt, een heel goed voorbeeld. Hij is van mening dat de uitzetting van Gümüs en zijn gezin kan doorwerken in de politiek. Als de gespierde taal uit 'Den Haag' niet in concrete daden op straat wordt omgezet, is dat automatisch een signaal aan de politiek dat het roer toch enigszins om moet.

Oplossingen zijn niet een, twee, drie te geven en als socioloog voelt Engbersen zich allereerst onderzoeker. Toch is hij van mening dat Nederland er niet aan ontkomt om, in navolging van Australië en de Verenigde Staten, een meer gedifferentieerd beleid te voeren. Dat zou kunnen door meer verschillende groepen toegang te verlenen, maar daarnaast moeten de excessen van illegaliteit (vrouwenhandel, verpaupering, hongerlonen, prostitutie, criminaliteit) worden tegengegaan.

Hij ziet wel iets in tijdelijke werkvergunningen en in het instellen van tussencategorieën van migranten. Hij houdt een pleidooi voor een coulanter beleid inzake gezondheidszorg en voor het recht op basiseducatie. Als een illegaal hier langere tijd heeft gewerkt en niet in aanraking is gekomen met de politie, zou er gemakkelijker tot legalisering moeten worden overgegaan.

Wat Engbersen het meest dwars zit is dat te veel ogen voor het probleem van de illegalen gesloten blijven. In het begin verwelkomde Nederland 'spontane arbeidsmigranten'. Daarna kwam er een gedoogbeleid waarbij illegalen nog voor zichzelf konden zorgen. Nu belanden vooral de grote steden in een derde fase van uitsluiten en uitzetten van illegalen. Daarbij worden razzia's vermeden en opereren politiediensten met vage instructies en werken ze ook langs elkaar heen.

Engbersen: “Bij de affaire-Gümüs was een rechtvaardigheidsbeginsel in het geding: loon naar werken en integratie in de buurt. Dat werd op dat moment heel goed begrepen, ook door politici en door kranten waarvan je dat niet direct had verwacht. Waarom zouden we dat laten varen als steeds duidelijker wordt dat het probleem van de illegaliteit alleen maar groter wordt? Of, zoals bij de Bijlmerramp, toen plotseling aan het licht kwam wat het leed was in de Ghanese en Nigeriaanse gemeenschap”, vraagt Engbersen zich af.

Hij waarschuwt voor het ontstaan van 'geheime samenlevingen' in de grote steden van westerse verzorgingsstaten, waaronder Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht. Een coulanter beleid voor illegalen kan een aanzuigende werking hebben. Maar Engbersen rekent enigszins op de zelfregulerende werking binnen de etnische gemeenschappen. Omdat de illegalen vanuit die kringen worden geselecteerd en uitgenodigd om te komen, worden er ook wel degelijk eisen aan hen gesteld. De etnische groeperingen bepalen zelf wie welkom is en wie niet en wie nog geholpen kan worden en wie niet.

    • Willebrord Nieuwenhuis