Een catastrofe

Dat vreselijke treinongeluk in Duitsland bleef de hele avond als een graat in de keel steken. Zou het komen omdat ik vooral een treinreiziger ben?

Treinreizigers denken dat hun weinig kan overkomen. De meesten komen niet elke dag langs Harmelen. Ongelukken zijn er voor vliegtuigpassagiers, automobilisten, motorrijders en andere roekelozen. Treinreizigers lezen de krant en mopperen goedgehumeurd op de Railtender Service, die altijd te laat komt (of helemaal niet) met zijn opgeblazen meelballen en onvermengde arsenicum, ook wel 'broodjes en koffie' genaamd.

Ook die Duitse treinreizigers zaten mijmerend te genieten van het leven - de essentie van het reizen per trein - toen ze plotseling in een inferno ontwaakten. Het ene moment bekijk je glimlachend de cartoon in de krant, het volgende moment lig je je - in het gunstigste geval - af te vragen of de snijbranders van de reddingswerkers je op tijd zullen bereiken.

Met dergelijke fantasieën in het hoofd kon het geen leuke tv-avond meer worden, en dat werd het dan ook niet.

Op Nederland 2 voerde het Nederlands voetbalelftal bij de TROS onder leiding van Ivo Niehe live twee uur lang actie voor kinderen met een spierziekte. Dennis Bergkamp opende de avond door iemand telefonisch twee WK-kaartjes plus treinreis toe te zeggen. “De trein is nu eenmaal de beste manier om te reizen”, lachte de vliegfobische Bergkamp. Zeg dat wel, Dennis.

Wat moet je verder van zo'n uitzending zeggen? Het doel heiligt de middelen? Vooruit maar.

Maar het blijft filantropie met het pistool van het medelijden op de borst. Hoe gênant dat we het lijden van die kinderen alleen maar kunnen lenigen met dit soort kleffe, sentimentele tv-shows, waarin de topvoetballers en de KNVB als Samaritaanse weldoeners worden opgevoerd en ook de kijker zich van zijn liefdadigste kant laat zien, mits hij beloond kan worden met een paar lullige WK-kaartjes.

Het moet toch mogelijk zijn fondsen te genereren, zonder al dit zelfingenomen vertoon van goeddoenerij? Misschien kunnen die kinderen, die nu in al hun ellende als een zielige kermisattractie aan den volke werden getoond, dan met rust worden gelaten.

In Nova dook kardinaal Simonis op, niet bepaald de eerstaangewezene om de avond op de valreep te redden. Hij begon met een aanzienlijke handicap: dat ongeluk in Duitsland. “Na die beelden is het moeilijk overschakelen”, zei hij.

Vervolgens schakelde hij moeiteloos over naar een exposé van tien minuten over de cultuur van subjectivisme en consumptie waarin wij leven, over het feit dat wij niet trouw genoeg zijn aan ons geloof, over die rampzalige pastor Oostvogel die hem eerst niet goed had ingelicht en vervolgens niet naar zijn waarschuwingen had geluisterd, over de hoogst onverantwoorde situatie met twee gelijkwaardige voorgangers, over protestanten die vooral niet moeten denken dat ze er met de katholieken een oecumenisch potje van kunnen maken, over het Hof dat hij tevergeefs ('ik vond geen ingang') had proberen te waarschuwen, kortom, over de religieuze catastrofe die de katholieke kerk van Nederland tijdens de Pinksterdagen heeft getroffen, doordat drie leden van het koninklijk huis een schijfje ongezuurd tarwemeel hebben ingeslikt dat nog minder smakelijk is dan die broodjes van de Spoorwegen.

Dominee Plaisir was ook naar de studio genood, maar hij kwam amper aan het woord. Af en toe werd hij licht bestraffend toegesproken door de kardinaal, alsof hij een misdienaar was die stiekem van de wijn had geproefd.

“Het ligt allemaal heel delicaat”, besloot de kardinaal. “Wat ons scheidt, is het ambt en de eucharistie.”

Toen sloeg hij zijn ogen vroom ten hemel en sprak: “Ik kan dat ongeluk maar niet vergeten.”