Colombey-les-Deux-Mosquées

Veertig jaar geleden was Frankrijk vrijwel dagelijks in het nieuws. Mei 1958 was voor de media een Franse maand, zoals mei 1968 dat tien jaar later ook zou zijn, zij het om andere redenen.

De gebeurtenissen van mei 1968 - studentenoproer, betogingen, stakingen - leken de ondergang in te luiden van de Vijfde Republiek, die door De Gaulle precies tien jaar eerder was gesticht. Zover kwam het echter niet. De Gaulle trad pas een jaar later af en de Vijfde Republiek bestaat nog steeds, tot tevredenheid van de meerderheid der Fransen. De Vijfde Republiek was in 1958 ontstaan, omdat het stelsel van de Vierde Republiek niet opgewassen bleek tegen de vele problemen waarmee Frankrijk in die tijd kreeg te maken. Kenmerkend voor de Vierde Republiek was een zwakke uitvoerende macht. De regering was in feite niet meer dan een commissie uit het parlement, belast met het dagelijks bestuur van het land. De Franse regeringen vielen dan ook aan de lopende band, meestal overigens om in enigszins gewijzigde vorm weer terug te keren. De ministeries mochten instabiel zijn, de ministers waren dat niet. De Vierde Republiek zou ten slotte ten onder gaan aan de dekolonisatieproblemen.

De dekolonisatie van Indochina overleefde zij nog net, met de akkoorden van Genève in 1954, maar in datzelfde jaar begon de Algerijnse opstand. Deze oorlog, die de Fransen ondanks grote inspanningen en veel wreedheden niet konden winnen, sleepte zich jarenlang voort. In 1958 begonnen de Franse kolonisten in Algerije, de zogenoemde pieds noirs, te vrezen dat Parijs hun zaak had opgegeven en kwamen zij in opstand. Met een dreigende burgeroorlog en de vrees voor een staatsgreep in Frankrijk zelf voor ogen wist de Franse president, René Coty, geen andere oplossing dan een beroep te doen op 'le plus illustre des Français', generaal De Gaulle.

Op 1 juni aanvaardde deze de regering, zij het onder speciale voorwaarden. De Gaulle had er nooit een geheim van gemaakt dat hij het stelsel van de Vierde Republiek verwierp. Dit was volgens hem de oorzaak van Frankrijks gebrek aan aanzien in de wereld. Hij eiste daarom speciale volmachten en kondigde aan een nieuwe grondwet bij referendum aan het Franse volk te zullen voorleggen. Dit laatste gebeurde op 28 september 1958. Zo ontstond de Vijfde Republiek.

Na de laatste minister-president van de Vierde Republiek te zijn geweest, werd De Gaulle toen de eerste president van de Vijfde. Inmiddels was ook in Algerije de rust weergekeerd. De militairen beschouwden de generaal als een van de hunnen en de pieds noirs zagen in hem de man die Algerije Frans zou houden. Daar was ook wel reden voor, want direct na zijn benoeming was De Gaulle naar Algerije gereisd en had daar op het grote plein in Algiers zijn vermaarde toespraak gehouden, die begon met de legendarische woorden: 'Je vous ai compris!' Geen wonder dat de pieds noirs dit opvatten als een blijk van steun aan hun zaak. Het zou, zoals bekend, anders lopen. In maart 1962 werden de akkoorden van Evian ondertekend, waarbij Algerije onafhankelijk werd. Wat heeft De Gaulle tot zijn beslissing ten gunste van de onafhankelijkheid van Algerije bewogen? Was het een ommezwaai of was hij dit van het begin af aan van plan geweest? Deze vragen zijn de tijdgenoten en de historici blijven intrigeren en terecht, want ze waren voor de betrokkenen van ingrijpende betekenis en ze zijn voor de geschiedenis van groot belang.

Uit het eerste deel van Alain Peyrefitte's fascinerende boek C'était de Gaulle uit 1994 (waarvan vorig jaar het tweede deel is verschenen) blijkt de ontwikkeling van De Gaulle's denken over deze zaken. De Algerijnse kwestie komt in dat deel uitvoerig aan de orde. Volgens Peyrefitte zijn De Gaulle's opvattingen in de loop van 1959 sterk gewijzigd. In maart van dat jaar waren het nog de problemen van een eventuele integratie van Algerije en Frankrijk die hem bezighielden. In oktober stond het voor hem vast dat Frankrijk van zijn koloniën af moest, niet alleen van Algerije maar ook van de andere. De reden hiervoor was gelegen in de economische situatie in de koloniën. Het ontwikkelingsniveau was er te laag om de bewoners een met die van Frankrijk vergelijkbare levensstandaard te kunnen bieden. Om dat te bereiken zou de welvaart van de Fransen zelf met de helft moeten verminderen en dat was natuurlijk onaanvaardbaar.

De koloniën waren dus molenstenen aan Frankrijks nek geworden. De Engelsen, zei De Gaulle, hadden dit probleem veel beter begrepen. Die hadden altijd de verschillen tussen rassen en culturen onderkend. De Fransen daarentegen hadden met hun assimilatiepolitiek een republiek van honderd miljoen Fransen van alle kleuren en rassen tot stand willen brengen. Maar dat kon niet. Daarvoor waren de verschillen te groot. Omdat de Fransen de bewoners van de koloniën niet de gelijkheid konden bieden, moesten zij hun nu de vrijheid bieden en tegen de mensen daar zeggen: 'Bye, bye, vous nous coûtez trop cher!' De Gaulle was met andere woorden een 'cartiériste' geworden, een aanhanger van de ideeën van de journalist Raymond Cartier, die onder het motto 'La Corrèze avant le Zambèze' verkondigde dat Frankrijk om economisch vooruit te komen zijn koloniën moest afstoten. Voor Cartier was Nederland hiervan het beste voorbeeld. Het had laten zien hoe je zonder koloniën rijk kon worden. Een poldermodel avant la lettre dus.

Algerije was natuurlijk een speciaal geval, omdat daar meer dan een miljoen Fransen woonden. Het was de enige echte Franse volksplanting overzee. Vandaar ook dat de gedachte aan een integratie van Frankrijk en Algerije zo sterk leefde. Volgens De Gaulle was dit echter een illusie. De overgrote meerderheid van de inwoners van Algerije was niet Frans, maar Algerijns en islamitisch. Deze mensen zouden niet met de Fransen integreren. Daarvoor waren de verschillen in cultuur, godsdienst en geschiedenis te groot.

Er was nog een probleem. Als Algerije een onderdeel van Frankrijk zou worden - of liever gezegd blijven, want officieel was het dat al - dan zouden de Algerijnen dezelfde rechten als de Fransen moeten krijgen en dus ook het kiesrecht. Gegeven de grote huwelijksvruchtbaarheid in Algerije en het lage geboorteniveau in Frankrijk, zouden dan binnen de kortste keren twee-, drie-, ja vierhonderd Arabieren in het Franse parlement zitten. Bovendien zouden veel Algerijnen naar Frankrijk emigreren, omdat het welvaartsniveau daar nu eenmaal hoger was. Dat kon Frankrijk niet hebben. De Gaulle had een buitenhuis in het plaatsje Colombey-les-Deux-Eglises. Als de immigratie uit Algerije zou doorgaan, zo voorspelde de generaal, zou zijn dorp weldra Colombey-les-Deux Mosquées gaan heten. Daar was hij tegen en daarom moest Algerije onafhankelijk worden.