Adieu, poldermodel

Het is voorbij. De loonmatiging behoort tot het verleden en dus is het afgelopen met de Nederlandse economische successen. Die onheilstijding kwam vorige week van ADP, een grote verwerker van loonstrookjes in Capelle aan den IJssel. Waar de lonen in 1997 nog stegen met 2,75 procent, aldus ADP, zou dat dit jaar wel eens 6 procent kunnen zijn. Een ruime verdubbeling van de loonstijging dus - een loongolf.

Met buitensporig stijgende lonen, doceert de salarisverwerker, wordt arbeid duurder, verslechtert Nederlands concurrentiepositie in het buitenland en stijgen ook nog eens de prijzen. Adieu, poldermodel.

De salarisverwerker is niet de enige die voor een loongolf waarschuwt. Ook het IMF en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) deden dat al. Hun waarschuwing heeft veeleer betrekking op de tweedeling die Nederland bedreigt. Aan de ene kant te weinig werknemers in de sectoren waar karrenvrachten geld wordt verdiend, aan de andere kant te veel werklozen en anderszins niet-werkenden die moeten rondkomen met karige middelen.

Een demografische tijdbom, noemen ze dat bij de WRR. En die kan alleen onschadelijk worden gemaakt als het aanbod van arbeid op de vraag wordt afgestemd. Zo niet, dan moeten steeds minder werkenden voor de uitkeringen van steeds meer vergrijzende niet-werkenden opdraaien en stijgen de loonkosten.

Over de wenselijkheid van een loongolf bestaat net zo veel verschil van mening als over die van de jacht op zeehonden. Werkgevers willen zo min mogelijk loonsverhoging betalen. En vakbonden zeggen te beseffen dat de loonmatiging waarmee ze de afgelopen decennia genoegen hebben genomen, meer mensen aan werk heeft geholpen.

Beide partijen spreken in CAO's af wat de loonstijging komend jaar zal zijn. In die CAO's worden helemaal geen afspraken gemaakt die een loonexplosie in zich herbergen. Vorig jaar kwamen de sociale partners een loonstijging van 2,75 procent overeen, dit jaar zal dat 3,2 procent zijn. Niet bepaald een stijging die tot een loongolf leidt. Dat was in de jaren zestig en zeventig wel anders. Toen kwam een einde aan de grote na-oorlogse loonmatiging en werden jaarlijkse loonstijgingen overeengekomen van tien procent.

“Ja, maar”, zegt salarisverwerker ADP, “die 3,2 procent over dit jaar vertelt maar de helft van het verhaal.” De werkelijke loonstijging is volgens ADP ruim twee keer zo groot, omdat elke werkgever met incidentele loonstijgingen, bonussen en auto's-van-de-zaak zijn personeel permanent tracht te verleiden tot blijven. Vooral in de informatie-technologie plukken werknemers daar de vruchten van. Opvallend is dat afgelopen week een CAO werd afgesproken in de IT-sector met een loonstijging van 2,5 procent. In werkelijkheid, houdt de loonstrookjesgigant vol, zullen de lonen stijgen met misschien wel 6 procent, tegen 2,75 vorig jaar. Alsof werknemers vorig jaar geen dubbeltje bovenop hun in de CAO overeen gekomen salarisstijging kregen, en dit jaar met periodieken en bonussen opeens een dubbele loonstijging ontvangen.

Uit onderzoek van de Arbeidsinspectie blijkt dat het werkelijke loon per definitie boven het in collectieve contracten afgesproken loon ligt; niets nieuws onder de zon dus. De dreigende loongolf die ADP voorziet, is een bevestiging van het verschil tussen contractlonen en werkelijke lonen.

Bovendien groeien de werkelijke lonen veel sneller dan de CAO-lonen. De laatste stegen de afgelopen twintig jaar bijna dertig procent, de werkelijke lonen met zestig procent. Die zestig procent is niet mis, maar in vergelijking met de loonontwikkeling in de Europese Unie blijkt het mager. Want in de EU stegen de lonen drie keer zo snel. De vermeende loongolven zouden in Nederland wel heel hoog moeten gaan om de internationale voorsprong uit handen te geven.

    • Robert Giebels