Vrije pompen: 'alles onder controle'

Branche-organisatie BOVAG luidt in haar ledenblad de noodklok: 300 tot 400 tankstations - waaronder veel vrije pomphouders - dreigen over de kop te gaan doordat ze niet op tijd voldoen aan milieu-eisen. De meeste tankstations zeggen echter “alles onder controle” te hebben.

ROTTERDAM, 3 JUNI. Benzinestation Zwaal in Rotterdam-Zuid is een van de 300 à 400 pomphouders die nog niet voldoen aan de milieu-eisen van het ministerie van VROM, die over een dik jaar van kracht worden. Directeur L. Zwaal peinst er echter niet over om zijn toko te sluiten. “Ik heb dit tankstation nog overgenomen van mijn vader en ik wil mijn kinderen als het effe kan een mooie zaak nalaten.”

Zwaal (59) behoort tot het uitstervend ras van de vrije pomphouders, “de vrije jongens” die niet zijn aangesloten bij een grote oliemaatschappij. “Ik ben gelukkig vrij man, heb met niemand iets te maken. De meeste anderen zijn zetbazen van grote olieboeren, die hebben zelf niks te zeggen.”

De milieumaatregelen die de toenmalige minister van Milieubeheer Alders in 1991 in samenspraak met de branche uitvaardigde, brachten de kleine tankstationhouders in een lastig parket. Alle pomphouders moeten vóór 1 juli 1999 zorgen dat de grond onder hun tankstation schoon is, en schoon blijft. Concreet betekent dat sanering van de grond en vervanging van (ondergrondse) tanks en leidingen. Daarnaast worden preventieve voorzieningen verplicht, zoals vloeistofdichte bestrating met opvang van gemorste brandstof, dampretourleidingen en overvulbeveiligingen.

Al met al een investering van gemiddeld 250.000 gulden per tankstation. Grote oliemaatschappijen kunnen de vele tientallen miljoenen die ze de afgelopen jaren al in het moderniseringsprogramma hebben gestopt wel opbrengen omdat ze de beste stations met de hoogste omzet hebben. Maar het gros van de vrije pomphouders, vrijwel zonder uitzondering kleine zelfstandigen, heeft daar grote moeite mee.

Van de 2.000 zelfstandige tankstations die Nederland in 1991 nog telde, zijn er nu nog 900 over. De rest van de ondernemers koos eieren voor hun geld en maakte gebruik van de 'Subat-regeling'. De Stichting Subat beheert een fonds van 325 miljoen gulden, ingesteld door de gezamenlijke oliemaatschappijen. Tankstationhouders die in 1991 voorzagen dat de investering die nodig was om aan de milieu-eisen te voldoen nooit terug te verdienen zou zijn, konden op kosten van Subat hun grond laten saneren. Zij moesten hun zaak dan wel voorgoed sluiten.

“Dat was een bittere pil voor die pomphouders”, zegt Subat-directeur J. Schipper. Toch hebben uiteindelijk veel pomphouders, veelal kleine zelfstandigen, van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Zo'n 1.000 terreinen zijn al gesaneerd, de rest volgt het komende jaar. “Het aantrekkelijke van de regeling is dat tankstationhouders op die manier zonder kleerscheuren van de milieumaatregelen zijn afgekomen.” De 4.000 overgebleven benzinestations in Nederland, die samen de kosten van het Subat-fonds voor hun rekening namen, kregen in ruil voor hun bijdrage het stuk marktaandeel dat hun weggesaneerde vakbroeders achterlieten.

Volgens de organisatie voor de autobranche BOVAG voldoet één op de tien overgebleven tankstations op dit moment nog niet aan de milieu-eisen. Voor hen dreigt sluiting als ze hun zaakjes niet voor 1 juli 1999 op orde hebben. “Een eigen zaak doek je niet zomaar op, natuurlijk”, zegt Schipper. “Veel pomphouders dachten in '91 dat ze het wel zouden redden. Achteraf blijkt dat wat al te optimistisch.”

Woordvoerder R. Boon van de BOVAG zegt dat de betrokken 300 à 400 pomphouders op tijd maatregelen moeten nemen. “Zij moeten haast maken, want zo'n bodemsanering neemt al gauw enkele maanden in beslag.” Boon wijst er ook op dat de bodemsaneerbedrijven aan hun capaciteit zitten. Een deel van de pomphouders heeft volgens de organisatie nog geen werk gemaakt van de sanering omdat zij de benodigde investering van enkele tonnen niet kunnen opbrengen. “Maar de meesten redden het wel”, verwacht Boon. “Wat wij vooral hebben willen bereiken met dat stukje in ons ledenblad, is dat ondernemers die niet zo'n haast maken eens goed wakker geschud worden.”

De Rotterdamse vrije-pomphouder Zwaal heeft geen moment aan sluiting gedacht. “Ik ben al vijf jaar bezig. Ik doe alles één voor één, zodat ik niet een paar maanden dicht hoef. Er moeten immers wel centjes verdiend worden.” Zwaal probeert de kosten zo veel mogelijk te spreiden. “Ik heb net al mijn leidingen vernieuwd en binnenkort komen er nieuwe pompen.”

Zwaal hoeft alleen te investeren in preventieve maatregelen, de grond onder zijn station hoeft niet gesaneerd te worden. “Bij mij wordt veel minder benzine geknoeid dan bij andere tankstations, dus mijn grond is schoon. Ik bedien de mensen namelijk zelf. Dat is ook de reden dat ze bij mij komen tanken, al staat er geen Shell op het dak.”

Toch blijft de hele operatie een behoorlijke financiële aderlating voor hem. “Vergis je niet, een nieuwe benzinepomp kost al gauw 25.000 gulden per stuk. En zo heb ik er drie staan.” Anders dan de ondernemers die een grote oliemaatschappij achter zich hebben staan, draait Zwaan volledig zelf voor alle kosten op. “Je houdt er wel rekening mee, natuurlijk, maar het blijft een hoop geld.”

Nu werkt Zwaan zelf twaalf uur per dag in de zaak, samen met zijn kinderen. Zes dagen per week. “Maar je hoort mij niet mopperen hoor, ik vind het heerlijk.” Zwaan maakt zich geen zorgen over een dreigende sluiting. “Ik heb nog een dik jaar de tijd, dat haal ik makkelijk.”

Ook volgens de Nederlandse Organisatie voor de Energiebranche (NOVE), de club van onafhankelijke oliehandelaren en de 900 bij hen aangesloten tankstations, geldt voor de meeste vrije pomphouders dat ze op 1 juli 1999 aan de richtlijnen zullen voldoen. “Ondernemers die in 1991 besloten om door te gaan, hebben die beslissing weloverwogen genomen. Zij kunnen de investering opbrengen.”

    • Jochen van Barschot