Verhalen uit Kosovo

TERWIJL DE SERVISCHE luchtmacht en artillerie dorpen in West-Kosovo met de grond gelijk maakt, roept het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken de president van rest-Joegoslavië, Slobodan Miloševic, op het conflict met de Kosovo-Albanezen aan de onderhandelingstafel op te lossen.

Voor de zoveelste keer maakt Miloševic duidelijk zich, als het er op aankomt, van niets en niemand wat aan te trekken. Kosovo zal pas handelbaar zijn als het gewapend verzet daar is uitgeroeid. Daarmee zijn de Serviërs nu bezig. Het gebied is geheel geïsoleerd, niet-combattanten worden niet ontzien. Het enige nieuws komt van de honderden vluchtelingen die over de grens met Albanië een goed heenkomen zoeken.

Hoe ver het diplomatieke beraad afstaat van de werkelijke gebeurtenissen blijkt uit de reacties van het Amerikaanse State Department. De afgelopen weken is binnen de NAVO eindeloos gedelibereerd over het legeren van troepen in de buurlanden Albanië en Macedonië. Er is niets van terecht gekomen, maar ook als het tot tijdige troepenverplaatsingen was gekomen, zou het nog maar de vraag zijn geweest of die op Miloševic indruk zouden hebben gemaakt. De man is, hoewel hij de voornaamste aanstichter was van alle narigheid, in de kwestie-Bosnië steeds weer opgewaardeerd als serieuze onderhandelingspartner. Zoals hij in de aanloop naar de liquidatie van 'veilige haven' Srebrenica de internationale gemeenschap aan het lijntje hield, en zonodig intimideerde, totdat het beulswerk was gedaan, om daarna aan de onderhandelingstafel te verschijnen, zo heeft hij nu de voorbereiding van de verwoesting van West-Kosovo gemaskeerd met tot niets verplichtend overleg met de Albanese voorman Rugova. DE ERVARING leert dat Miloševic slechts inbindt voor geweld. Maar wat ten langen leste in Bosnië en Kroatië mogelijk was, is uitgesloten in Kosovo. De Kroaten maakten in 1995 korte metten met de Serviërs in eigen land, Kroaten en moslims, gesteund door de NAVO, deden hetzelfde in (delen van) Bosnië. Kosovo is deel van de republiek Servië en daarmee van de bondsstaat Joegoslavië. Zwaarbewapende Servische politietroepen hebben er vrij spel. De NAVO of de VN zouden pas kunnen ingrijpen als er sprake was van een risico voor de internationale vrede. Dat was de overweging bij het plan in de buurlanden troepen te legeren. Maar kennelijk wordt dat risico zo gering geacht dat besluiten almaar zijn uitgesteld.

Alles bijeen blijft er niet veel over van de bespiegelingen die na de val van de Muur in het Westen opgeld deden. Conflicten die een gewelddadig karakter dreigden te krijgen zouden zoveel mogelijk in de kiem worden gesmoord. Een heel scenario werd ontwikkeld dat varieerde van preventie via bemiddelende tot vrede afdwingende interventies. Maar gezien de ervaringen in Kroatië, Bosnië en nu weer Kosovo is van al die mooie voornemens weinig overgebleven. In Kosovo werkt de internationale diplomatie aan preventie terwijl het geweld al is uitgebroken. Miloševic heeft zijn les geleerd: er gaat niets boven het scheppen van voldongen feiten. De overlevenden kunnen slechts hun verhaal vertellen. Dat verhaal was al bij voorbaat bekend.