Schilderlust

Verffabrikant, dat moet je zijn in Nederland. Als ergens een statistiek bestaat van het verfgebruik per hoofd van de bevolking, moet dit land wel hoog op de lijst staan. Loop door een willekeurig dorp, wandel langs de eerste de beste gracht en zie hoe netjes alles in de verf zit, zorgzaam tegen het weer beschermd door de zuinige eigenaren, die weten dat een kwast op zijn tijd het behoud is van hun kostbare onroerend goed.

Zou er een ander land zijn waar de schildersbazen zich hebben verenigd om op de radio reclame te maken, en dat doen op een paramedische toon? Een sonore stem - die van de 'erkende vakman' - spreekt een huis bemoedigend toe, zegt dat het allemaal best meevalt, maar dat hier en daar toch ingrijpen geboden is.

Vrijwel al dat schilderwerk is tegenwoordig wit. Om toch een schijn van variatie te scheppen, vervingen de fabrikanten de oude term gebroken wit door de geniale vondst 'levend wit'. Dit begrip omvat schakeringen met droomnamen als amandelwit en linnenwit, nevelwit en leliewit. Maar het blijft toch vooral wit. Zoals een Amerikaan het liefst vanille-ijs eet, zo kiest een Nederlander voor witte verf. Ja, zelfs baksteen, die vanouds een warme kleur geeft aan de bewoonde wereld, is de laatste jaren vaak van een tint die ik 'huiverwit' zou willen noemen.

Dat is niet altijd zo geweest.

Honderdvijfentwintig jaar geleden noemde een erudiete Fransman, Henry Havard, de Nederlanders grands coloristes. Niet alleen kunstenaars, nee, juist boeren en buitenlui waren dat. Nederland was een kleurrijk land waarvan de bewoners, net als tegenwoordig, als bezetenen steeds maar hun bezittingen opschilderden - maar dan in rood, blauw en geel.

Havard maakte met een Nederlandse vriend een tocht langs de oude Zuiderzeestadjes zoals Edam, Enkhuizen en Stavoren. De heren reisden per tjalk, niet anders dan in deze tijd duizenden toeristen doen die met de 'bruine vloot' het IJsselmeer bevaren. Maar in 1873 was die vorm van toerisme nog niet uitgevonden, en was zoiets een uitzonderlijke, zelfs een gewaagde onderneming.

'De dode stadjes van de Zuiderzee', noemde Havard de armoedige plaatsen die hij bezocht. Eens zo welvarend dank zij walvisvaart en overzeese handel, waren zij nu niet meer dan schimmen van zichzelf, ontvolkt en met dichtgeslibde havens.

Maar die kleuren! Vissershuisjes van hout, die van buiten lichtgroen - of zwart - geschilderd zijn, en van binnen hemelsblauw. De opvallende combinatie van rood en roze, te zien in de Markense klederdracht, maar ook in beschilderde meubels in Hindelopen. En de Grote Kerk in Hoorn, na een brand in 1838 herbouwd als een soort 'Grieks monument' (Havard bedoelt een neoclassicistische voorgevel) waarvan de zuilen om en om kanariegeel en muisgrijs zijn geschilderd, du plus ridicule effet.

De extreemste schilderlust treft de reiziger aan in Opperdoes, dat hij een bezoek brengt vanuit Enkhuizen. Je ziet het dorp van verre, schrijft hij, gelegen achter grote koolzaadvelden, waartegen de huizen (hun daken rood, hun gevels blauw) scherp afsteken: een vreemd samenspel van primaire kleuren. Van dichtbij blijkt er nog een massa andere kleuren te zijn, in kleine toetsen hier en daar, die het effect niet verzwakken, maar intenser maken.

Alleen blijkt dat de verfkwast, de pinceau fatal, niet is opgehouden nadat de raamkozijnen strogeel en de luiken spinaziegroen zijn geschilderd. Ook de bomen in de tuintjes zijn tot de eerste takken wit, parelgrijs of hemelsblauw gesausd... en zelfs de grond, of beter de tuinpaden en het plaveisel rond de huizen zijn strogeel geschilderd, met aan weerszijden twee rode strepen.

Dit bizarre gebruik, dat het effect geeft van uitgerolde lopers, gaat de estheet Havard weer te ver, en dat is begrijpelijk. Maar welke moderne lezer had het gedacht, en wie had het niet graag willen zien, zo'n Hollands dorp in alle kleuren van de regenboog, zo anders dan de huiveringwekkende fletsheid van vandaag?