Ongewaardeerde kennis

In de kenniseconomie draait de concurrentie steeds minder om grondstoffen, materialen, machines en fabrieken. Het gaat integendeel om het collectieve vermogen van kenniswerkers deze zó creatief en efficiënt in te zetten dat daarmee toegevoegde waarde gecreëerd wordt die klanten ook herkennen. Bedrijven die dat bijzonder goed kunnen, zijn daarom veel waard, hoe groot of klein de waarde van hun materiële vaste activa ook moge zijn. Toch vormen die laatste nog steeds de basis voor de waardebepaling van ondernemingen in de externe financiële verslaggeving.

Die traditionele waardebepaling heeft daarom steeds minder waarde. Dat zie je bijvoorbeeld bij overnames. Voor bedrijven wordt soms het twintigvoudige neergeteld van hun boekwaarde. In Intelligent Enterprise (Free Press, 1992) publiceerde James Brian Quinn enkele jaren geleden een staatje over dergelijke overnames. Daaronder niet enkel bedrijven uit de hightech, maar ook uit de voeding of petroleum. Zo nam Philip Morris het voedingsbedrijf Kraft Jacobs Suchard (met ondermeer het Belgische Côte d'Or!) over voor het zesvoudige van de boekwaarde. 83,6 Procent was immaterieel, 'gebakken lucht' of zoals Quinn dat noemde: 'service competence value'.

Al jaren woedt de discussie of het niet mogelijk is de waarde van bedrijven beter te kwantificeren. Want nu heeft het de schijn alsof overnemende bedrijven op dat punt een slag in de lucht slaan. In sommige landen (zoals de Verenigde Staten) is men verplicht bij een overname het verschil tussen overnameprijs en boekwaarde als 'goodwill' over een langere periode af te schrijven, maar in Nederland is dat niet gebruikelijk. Het lijkt er daardoor op alsof het overnemende bedrijf ineens over veel minder bedrijfskapitaal beschikt; daar staat dan weer tegenover dat de nettowinst (door de verhouding tot dat lagere kapitaal) hoger lijkt. Het management lijkt dan goed bezig. Maar evengoed kunnen beleggers ten onrechte ongerust raken omdat het kapitaal als sneeuw voor de zon lijkt te zijn weggesmolten. De cijfers van de accountants betekenen dus steeds minder. En wat te denken van investeringen in kennis (R&D, opleidingen) die meestal gewoon als kosten worden geboekt?

Deze situatie is hoogst onbevredigend. Daarom vroeg de minister van Economische Zaken de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) om vanuit internationaal perspectief te adviseren over het mogelijk 'kennisvriendelijker' maken van de financiële verslaggeving. Dat advies (Onschatbare rijkdom aan kennis, AWT, 1998) is opmerkelijk kort geworden: vier pagina's; maar met dertig pagina's bijlage waarin de stellingname vanuit verschillende perspectieven verder wordt toegelicht. De AWT zegt kortweg dat er niet voldoende aanleiding is om de huidige waarderingsgrondslag te wijzigen. Ten eerste omdat het niet uitvoerbaar is: er is geen consensus over adequate methoden om immateriële kennis te waarderen. Het gaat immers om kwaliteit: 'investeringen' in onsuccesvolle opleidingen of R&D zijn inderdaad pure kosten. Daarnaast hanteert de AWT een wat merkwaardige principiële reden: werknemers die de belangrijkste basis vormen voor de kennis van een onderneming, zijn daarvan geen bezit en kunnen die ook weer verlaten. Dat neemt uiteraard niet weg dat de ene onderneming meestal beter in staat is de kennis van haar werknemers te benutten en verder te ontwikkelen dan de andere. En daar gaat het om.

De AWT vindt een andere waarderingsgrondslag ook niet nodig. Bij investeringen van derden in de onderneming gaat het om verwachtingen over toekomstige groei. En zowel de kapitaalverschaffers als de bedrijven die kapitaal zoeken, moeten hun informatievoorziening maar zo organiseren dat de aansluiting tussen vraag en aanbod van kapitaal optimaal tot stand komt. Formele regels en procedures voor de financiële verslaggeving helpen daar niet bij. Een rol voor de overheid is hierbij niet weggelegd. Al bij al een merkwaardige redenering. Toegegeven, ook internationaal is men op dit punt nog niet veel verder, maar feitelijk betekent dit een intellectuele capitulatie. Wat we nog niet kunnen, dat is ook niet nodig.

Gelukkig laat dit volgens de AWT niet onverlet dat het nuttig is dat verschillende bedrijven zoals de Nederlandse Kema en het Zweedse verzekeringsbedrijf Skandia pogingen ondernemen om hun kennisbasis te kwantificeren (zie daartoe de bijlage bij het AWT-advies en ook Goldman & Hoogenboom, No Brains, No Value, 1997, KPMG/Nijenrode). In alle gevallen leidde dit tot meer aandacht voor het in de onderneming aanwezige menselijk kapitaal. Wat niet gemeten wordt, wordt meestal ook niet goed gemanaged. En zoals gezien, we praten al snel over 80 procent van de waarde van een onderneming.

Vandaar de groeiende noodzaak om over een ruimere set indicatoren te beschikken om de kwaliteit van het management te beoordelen. Dat verklaart de populariteit van een boek als The Balanced Scorecard (1996, Harvard Business Review) van Robert Kaplan en David Norton, dat een verdienstelijke poging in die richting onderneemt - zij het gericht op de interne verslaggeving. Maar ook in kringen van accountants wordt de roep om vernieuwing steeds luider (zie bijv. de Financial Times, 2-5-1998). Want daar heeft men in toenemende mate het gevoel zijn werk niet goed meer te doen: het voorlichten van de markt over mogelijke met bepaalde bedrijven verbonden risico's (en kansen).

    • Dany Jacobs