Het Westen krijgt rekening gepresenteerd

De vijf kernproeven binnen twee dagen die India gehouden heeft (drie op één dag: een novum), en Pakistans antwoord daarop met eigen kernexplosies, horen tot de zeldzame gebeurtenissen die nieuwe lijnen trekken op de wereldkaart.

Er is gerede kans op een angstaanjagende wapenwedloop in Zuid-Azië, met het reële gevaar van een 'nucleaire veldslag' tussen India en Pakistan. Noord-Korea komt terug op eerdere afspraken om essentieel nucleair materiaal af te dragen. China overweegt volledige nucleaire veiligheidsgaranties aan Pakistan, waardoor een complexe, instabiele, vierzijdige patstelling in Azië ontstaat tussen India, Pakistan, China en natuurlijk Rusland. Volgens veel regionale deskundigen is de kans op een kernoorlog nu groter dan ooit tijdens de Koude Oorlog.

Anders dan bij Russen en Amerikanen vroeger, heeft tussen de Aziatische volkeren de afgelopen tijd daadwerkelijk bloed gevloeid - van miljoenen tijdens de tweedeling van India in 1948 en ook in nog drie oorlogen daarna. Bovendien houdt een bitter geschil over wederzijdse aanspraken op Kashmir India en Pakistan nog steeds verdeeld. Maar de kans op een kernoorlog, hoe gruwelijk ook, is mogelijk niet de belangrijkste consequentie van India's kernproef. Dat is namelijk het levensgrote gat dat is geslagen in het (bij weinigen bekende) mechanisme dat de wereld sinds de Koude Oorlog tegen nucleaire gevaren moet beschermen. Ruw in hun slaap gestoord, beseffen mensen overal ter wereld tot hun schrik dat we nog altijd in het nucleaire tijdperk leven.

Dit onopvallende beschermingsmechanisme is in 1968 ingesteld op grond van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) inzake kernwapens, ondertekend door 185 landen, waarbij twee echelons staten werden gecreëerd. Het eerste echelon bestond uit de vijf landen die kernwapens bezaten (de VS, de Sovjet-Unie, Groot-Brittannië, Frankrijk en China), die (krachtens artikel 6 van het Verdrag) beloofden ze af te schaffen; het tweede bestond uit landen zonder kernwapens die beloofden die ook niet te zullen verwerven. Het NPV was een afschaffingsverdrag, waarin stond dat niet-nucleaire landen zouden beginnen op het streefpunt, géén kernwapens; en dat nucleair bewapende landen toezegden dat streefpunt te zullen bereiken. Ooit in de toekomst zouden beide echelons samenvallen en zou de wereld kernwapenvrij zijn.

Tijdens de Koude Oorlog kwam van deze afspraken niets terecht. De kernwapenlanden bouwden bijna 100.000 kernwapens, met een gezamenlijke explosieve kracht van ongeveer 1,6 miljoen 'Hiroshima-bommen'. Na het eind van de Koude Oorlog begon de wapenbeperking, maar de kernmogendheden - vooral Amerika - zwoeren openlijk de totale nucleaire ontwapening voor 'onbepaalde tijd' af - zoals Robert Bell van de Amerikaanse Nationale Veiligheidsraad het onlangs formuleerde. De VS en de overige kernmogendheden waren van plan het systeem met de twee echelons praktisch ongelimiteerd te laten voortduren.

In deze context is India zo dwaas en roekeloos geweest de bal aan het rollen te brengen. (“Het nieuws van de dag is: India tart de wereldopinie”, verkondigde premier Atal Bihari Vajpayee vol krankzinnige arrogantie.) Wat India zei, kwam erop neer dat als er na de Koude Oorlog nog twee klassen van landen moesten zijn, India tot de eerste klasse zou behoren. Het land wilde “mondiaal meespelen”, in de woorden van Pramod Mahajan, een adviseur van de premier. Pakistan, dat onder zware binnenlandse druk stond om zijn nucleaire vermogen te tonen, tartte zijn eigen economische belang door - in de woorden van de Pakistaanse premier - “de gelijkmaker te scoren”.

Beide gedurfde zetten zijn volkomen logisch als men ervan uitgaat dat de wereld na de Koude Oorlog nucleair bewapend blijft en dat kernwapens het belangrijkste machtsinstrument zullen blijven vormen. Maar is dat wel zo? Zijn de kernmogendheden van plan hun kernwapenarsenalen “voor onbepaalde tijd” te behouden? Of zijn deze mogendheden (waaronder nu ook India) bereid zich ingevolge onderlinge afspraak in te zetten voor een wereld zonder kernwapens? Dat is de vraag die India de wereld heeft gesteld.

De Indiase en Pakistaanse kernproeven betekenen dat het mechanisme van de twee echelons ter ziele is. De wereld beweegt naar een stelsel met één standaard toe, en de vraag is of die standaard het bezit dan wel de afzwering van kernwapens zal zijn.

Hoewel India het land was dat de vraag heeft gesteld, kunnen Zuid-Aziatische landen deze niet beantwoorden. Dat moet de wereld, en vooral Amerika, doen. Als president Clinton het streven naar een wereld zonder kernwapens (of andere massavernietigingswapens) zou omarmen, dan is er gerede hoop dat ook andere kernmogendheden dat zouden doen. Hoe terecht de Amerikaanse sancties tegen India ook zijn, de belangrijkste reactie op de Indiase test zou een internationaal debat zijn.

Een aanzienlijk aantal van de meest prominente figuren uit de Koude Oorlog in Oost en West steunt trouwens de afschaffing van kernwapens. Onder hen bevinden zich de vroegere Duitse bondskanselier Helmut Schmidt, Paul Nitze, door velen beschouwd als de geestelijke vader van het Amerikaanse kernwapenbeleid tijdens de Koude Oorlog, de vroegere NAVO-bevelhebber Andrew J. Goodpaster en de Russische generaal Aleksandr Lebed. Hoewel de pleitbezorgers van afschaffing erkennen dat een wereld zonder kernwapens niet zonder gevaren zou zijn - vooral van regeringen die zouden besluiten afschaffingsakkoorden te schenden - vallen deze dreigingen in het niet bij het gevaar te leven in een wereld van onbeheersbare proliferatie, en in die richting wijzen de Indiase kernproeven.

In zijn afkondiging van sancties tegen de Indiase leiders zei president Clinton: “Zij zouden de grootheid van India moeten formuleren in het kader van de 21ste eeuw, niet in een kader dat verder door iedereen is afgewezen.” Maar heeft Amerika, hebben de andere kernmogendheden dat andere kader wel afgewezen? Zijn zij bereid het door India en Pakistan verworpen advies te volgen en hun kernarsenalen af te schaffen? De grote kernmogendheden dienen hun voornemens niet alleen met woorden maar ook met daden te bevestigen.

    • Jonathan Schell