De ondergang van de Poolse kolenmijnen; Zonde van al het werk

Ooit was de Poolse mijnstreek de belangrijkste van Europa. Maar nu kunnen ze daar de wereldwijde concurrentie, en vooral die uit de voormalige broederstaten niet meer aan. Russische kolen zijn tegen afbraakprijzen te koop. De Poolse mijnwerkers weten dat het afgelopen is.

'Daar heb ik nou altijd op zitten wachten'', roept een vrolijk besnorde vijftiger vanaf een aanplakbiljet in de hal van de Piast-mijn. Het gaat om het Urlop górniczy, het mijnwerkersverlof. De Poolse regering biedt iedere mijnwerker die langer dan twintig jaar onder de grond heeft gewerkt vervroegd verlof aan met behoud van 75 procent van het laatst verdiende salaris. Iedereen die eruit wil kan weg. En wie nog niet lang genoeg beneden heeft gewerkt kan een éénmalige afkoopsom krijgen van twintig maandsalarissen, een 'lump sum' om een eigen bedrijfje te kunnen opzetten.

Naast de oproep van de regering hangt een oproep van de mijndirectie. Of iedereen zo snel mogelijk zijn steenkooltoelage van het jaar wil komen ophalen. Iedere mijnwerker in Polen krijgt jaarlijks een berg kolen in natura. Wie zijn steenkool nu al komt ophalen maakt kans op een mooie prijs. Onder de eerste gegadigden wordt een Fiat 126 verloot, een paar stereo-installaties, magnetrons en een tiental mixers. De directie van de Piast-mijn in Bierun zit vreselijk omhoog, want de opslag puilt uit. Als de werknemers nou eens een handje mee zouden helpen, en de steenkool alvast in hun garages en op hun balkonnetjes zouden leggen...

Op volle sterkte kan de Piast-mijn, de grootste van Polen èn Europa, 24.000 ton per dag opbrengen. Maar daar is op dit moment geen markt voor. Er wordt op halve kracht gewerkt en dagelijks niet meer dan 14.000 ton naar boven gebracht. In de hele Zuid-Poolse mijnstreek ligt ruim acht miljoen ton steenkool te wachten tot de prijzen op de wereldmarkt omhooggaan.

“Er is gewoon veel te veel goedkope steenkool op de markt”, verzucht Bernard Bednorz, de jeugdige technisch directeur van de mijn. De concurrentie is moordend, vooral uit Rusland en de Oekraïne. Daar komt nog eens bij dat de winter veel te zacht is geweest. De Poolse elektriciteitscentrales hadden niet zoveel nodig als andere jaren. Bednorz hoopt vurig dat een derde van de ruim zevenduizend werknemers in zijn mijn uit eigen beweging zal vertrekken. Alleen dan zou de mijn rendabel kunnen werken.

Vijfhonderd meter lager wordt stief doorgewerkt. In de donkere gangen weerklinken ijzeren hamerslagen en het alarm van de lopende band. “Dit is oost en dat is west”, wijst Andrzej opgewekt, mijn begeleider onder de grond. Even later zegt hij ter verduidelijking: “Als je die gang doorloopt kom je in Moskou en als je die andere neemt in Brussel.”

Boven de grond hebben twee stevige dames ons van mijnwerkerskleding voorzien, een helm, een accu met twaalf uur stroom voor de mijnwerkerslamp en een speciaal apparaat dat in geval van nood koolmonoxide kan omzetten in iets dat minder giftig is. Het is voorschrift, we hoeven niet bang te zijn. Hier gebeurt nooit wat, krijg ik verzekerd. De heilige Barbara, de beschermheilige van de mijnwerkers, schijnt haar werk goed te doen.

We zijn op weg naar de mannen die steenkool delven bij de 'lange muur', een techniek waarbij een graafmachine over de hele breedte van de muur de steenkool afgraaft. Andrzej kent het gangenstelsel op zijn duimpje. Donkere schaduwen met een klein lichtje op het voorhoofd worden steevast begroet met 'Szczesc Boze', God zij met je, de groet van de Poolse mijnwerkers.

Terwijl we door de vochtige gangen baggeren vertelt Andrzej enthousiast over de nieuwste mijnbouwtechnieken. Zelf is hij ingenieur en hij zit op het moment te broeden op een plan om het afval van de mijn, zoals steenafval, in de mijn zelf te bergen. Dan hoeft het niet naar boven gebracht en dat scheelt weer geld en ruimte. Alles draait nu om geld en efficiency.

Van tijd tot tijd opent Andrzej een onvermoede deur in de pikzwarte wand. Even stormt het en dan staan we in de volgende gang. Hier en daar glipt een muis weg die afgekomen is op voedselresten die de mijnwerkers achterlaten. Halverwege de voettocht naar de lange muur hangt een bordje 'Verboden zonnepitten te kauwen'. Hoe verder de mijn in, hoe gezelliger, lijkt het.

Als we eindelijk bij de lange muur aankomen ligt het werk net stil. In de verte zien we een stuk of vijftien lichtjes in het donker dansen. Het zijn voorman Jósip en zijn mannen, die een kapotte lier proberen te repareren. De gang is niet veel hoger dan één meter en de mannen kruipen, hurken, vloeken. Het is behoorlijk warm.

Een echte mannenwereld, krijg ik te horen. Hier is geen plaats voor vrouwen, ja vroeger onder het stalinisme waren er wel vrouwen in de mijn, maar die tijd is gelukkig voorbij. Een vrouw in de mijn is een slecht voorteken.

Jósip en de anderen zijn trots op hun werk. Ze verdienen ongeveer 1.600 zoty (duizend gulden) in de maand en dat is nog altijd boven het Poolse gemiddelde. Hier beneden hebben ze hun eigen wereld. Maar voor hoelang nog? “Iedereen heeft het erover dat de mijnen definitief dicht gaan, dus dan zal het wel zo zijn”, denken ze. Maar hoe en wat en wanneer weet niemand.

Jósip en zijn maat Marian gaan gebruikmaken van het mijnwerkersverlof, ze hebben allebei meer dan twintig jaar onder de grond gewerkt. En wie weet hoelang er nog regelingen zijn. De Poolse steenkool zit nu al voor vier miljard dollar in de schulden, als er niet snel iets gebeurt is dat bedrag over vijf jaar verdubbeld. Straks is er ook geen geld meer voor regelingen.

Maar het gaat hun aan het hart. “Met deze mijn is op zich niets mis, we hebben hier een hele moderne, veilige mijn, alleen kunnen we de steenkool niet kwijt.”

Wacaw heeft er pas negen jaar opzitten. Hij komt niet in aanmerking voor het verlof en wil ook geen gebruik maken van de afkoopsom. Zolang de mijn open is, heeft hij werk en kan hij zijn gezin onderhouden. Hij denkt dat de Piast een goede overlevingskans heeft. En bovendien, hij heeft geen spaargeld en de afkoopsom is nooit genoeg om een eigen bedrijfje op te zetten.

De mannen voelen zich gevangen tussen Rusland en Europa. Rusland kan steenkool dumpen in Polen omdat de Russische mijnwerkers voor niets moeten werken. “Ze hebben daar in Siberië al twee jaar geen cent uitbetaald gekregen. Daar valt toch niet tegen op te boksen. Bovendien wordt het Russische leger ingezet om de steenkool te vervoeren en hoeven ze niets voor het transport te betalen. Geen wonder dat de Russen steenkool kunnen aanbieden voor nog geen tien dollar per ton, terwijl de steenkool die wij produceren 32 dollar per ton kost.”

En de Europese eenwording? “Natuurlijk willen we lid worden van de Europese Unie, maar dan wel zoals we zijn, met onze eigen industrie. Niet als een werkloos achterland!”

De mijnstreek in Zuid-Polen, de grootste en meest compacte van heel Europa, heeft een illustere geschiedenis. Al eeuwenlang wordt hier steenkool gedolven. De grote doorbraak kwam na de Duitse eenwording van 1871. Opper-Silezië was toen Duits grondgebied en de zwarte kolen werden over de pas aangelegde spoorlijnen naar alle uithoeken van het land vervoerd. Het was de belangrijkste energiebron voor de ontluikende Duitse zware industrie.

Na de Tweede Wereldoorlog werd Opper-Silezië proeftuin van de communistische Poolse zware industrie. Arbeiders uit heel Polen werden naar de mijnstreek gelokt met relatief hoge salarissen, woonruimte en tal van privileges, zoals betaalde vakanties en soms zelfs een auto. Werken in de mijnen betekende een relatieve welstand, ook al moesten de arbeiders met hun gezinnen in grauwe arbeidersblokken wonen en zwaar vervuilde lucht inademen.

Met name onder Edward Gierek, partijleider van 1970 tot 1980 en zelf ooit mijnwerker, nam de mijnbouw in Zuid-Polen een enorme vlucht. Naast oude mijnen werden moderne mijnen als de Piast in Bierun aangelegd. Geen millimeter steenkool mocht onbenut blijven. Gierek leende enorme bedragen in het buitenland om zijn industriële dromen te verwerkelijken, aan afzet was toen geen gebrek. De hele Comecon (het Oost-europese economische samenwerkingsverband) lag open voor de Poolse steenkool.

Nu moet de Poolse steenkool op de wereldmarkt concurreren met goedkope steenkool uit Australië en Venezuela, om nog maar te zwijgen van de valse concurrentie uit de voormalige broederstaten in het Oosten. In het monsterlijke maanlandschap waar mijnschachten, woontorens en wonderlijke katholieke kerkbouwsels elkaar afwisselen, leeft de industriële mythe onverminderd voort.

Als Kazimierz Grajcarek vertelt over het leven in de mijnen, doemen beelden op van sterke mannen met glimmende lichamen die zij aan zij tegen de elementen vechten om de schoot van moeder aarde open te leggen. “Niets is mooier dan het gevoel om als eerste de maagdelijke kool aan te raken.” Hij kan dan ook niet begrijpen dat de enorme schat die in de aarde verborgen ligt - en nog zeker tweehonderd jaar energie zou kunnen leveren - niet voor het nageslacht bewaard zou worden. Hij noemt het diefstal van zijn achterkleinkinderen als de mijnen nu voorgoed gesloten zouden worden. Zonde van al het werk.

Grajcarek is leider van de mijnwerkersbond van Solidariteit in Opper-Silezië. Het pakket dat de Poolse regering nu aanbiedt om de mijnen te saneren is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met de vakbond Solidariteit. De huidige centrum-rechtse regering heeft sterke banden met de vakbond en de mijnstreek. De AWS (Kiesactie Solidariteit) is de grootste coalitiepartij en premier Buzek is zelf uit de mijnstreek afkomstig.

De regio Katowice, één van de provincies van Opper-Silezië, wordt geleid door Marek Kempski, een Solidariteitsman in hart en nieren. Hij heeft een brede coalitie georganiseerd van vakbonden, overheid en politiek om te zoeken naar uitwegen voor de catastrofale staat van de zware industrie. De nadruk ligt op nieuwe arbeidsplaatsen.

Over een paar maanden opent Opel een gloednieuwe fabriek in Gliwice, ook Usuzi-motoren opent binnenkort een vestiging in de streek. Het zijn de eerste tastbare resultaten van de plaatselijke overlegeconomie.

Toch zegt Grajcarek niet echt gelukkig te zijn met het sociale pakket dat de regering heeft voorbereid. Hij moet voor zijn achterban het onderste uit de kan zien te halen en eist dat de afkoopsom groter wordt: arbeiders moeten een reële kans krijgen een eigen baan te creëren. Bovendien mag het niet tot gedwongen ontslagen komen. Alles moet op basis van vrijwilligheid.

Gewelddadige demonstraties zoals de mensen van 'Sierpien 80' (een afsplitsing genaamd Augustus 1980 naar de oprichting van de vrije vakbond Solidariteit) die houden, ziet hij niet zitten. 'Sierpien 80' is de afgelopen maanden uit het niets tevoorschijn gekomen als de kampioen van ontevreden mijnwerkers. Voorzitter Daniel Podrzycki zegt de steun te hebben van tienduizenden mijnwerkers. Voorlopig is alleen een handjevol demonstranten zichtbaar dat bij het mijnwerkersprotest vooroploopt en het hardst fluit.

Onlangs werd met veel misbaar op straat een Europese vlag verbrand. Europa is de grote vijand, want die wil de Poolse mijnbouw weg hebben, is de stellige overtuiging van deze obscure vakbond, die door de andere vakbonden in het gebied niet erkend wordt. Podrzycki mag graag wijzen op duistere complotten tegen zijn mensen en zijn land.

'Sierpien 80' schrijft zijn logo in precies dezelfde rode letters met het Poolse vlaggetje als Solidariteit, maar tussen de twee groeperingen is het oorlog. Kort geleden drongen mannen van 'Sierpien 80' met geweld de burelen van de 'verraders' van Solidariteit in Katowice binnen en sloegen de boel kort en klein. Kort daarop kreeg de politie de melding dat ook de burelen van 'Sierpien 80' het moesten ontgelden. Grajcarek ontkent dat zijn mensen er iets mee te maken hebben gehad. De Solidariteitsman wil aan het verschijnsel 'Sierpien 80' geen woorden vuilmaken. 'Een clubje querulanten dat gesteund wordt door de oude communisten'. Echt verzet is er volgens hem ook niet. De meeste mijnwerkers laten de veranderingen gelaten over zich heen komen.

Op dit moment biedt de mijnbouw nog werk aan 240.000 Polen. In totaal zijn naar schatting ruim twee miljoen mensen voor hun inkomen afhankelijk van de mijnindustrie. Als de regering de saneringsplannen weet te verwezenlijken, zal zeker de helft van deze mensen een andere toekomst moeten kiezen. Van de 62 mijnen zal ongeveer een derde de poorten moeten sluiten. De rest moet in snel tempo worden geprivatiseerd.

Premier Jerzy Buzek en zijn minister van Financiën, Leszek Balcerowicz, de man van de strakke hervormingen, hebben herhaaldelijk laten doorschemeren dat de saneringsoperatie gesteund zal worden door Brussel. Geld van de Europese Unie zou de pijn van de Poolse mijnwerkers kunnen verlichten. Maar echt reëel lijkt die hoop niet. Vicente Luqua Cabal, Europees commissaris voor mijnbouw, liet onlangs in Katowice doodleuk weten dat de Europese Unie ook geen geld heeft om de restructuralisering van de Poolse mijnbouw financieel te steunen.