De nederlaag

Waarmee brengt een fan zijn tijd door? Misschien is het voor mij maar het beste dat Richard Krajicek al zo vroeg is uitgeschakeld op Roland Garros. Want het gaat de rechtgeaarde fan die ik ben niet in de koude kleren zitten. Weer dik anderhalf uur aan het toestel gekluisterd geweest.

Een toernooi in real time, niet samengevat, terwijl je eigenlijk iets anders moet doen, dat is toch al slopend voor de dagindeling. Nu zwijg ik nog van al die regen. Al is het schitterend hoe de televisiebeelden zelf aan het wachten zijn. Traag zwenkt de camerablik langs het enorme sombere zwerk boven Parijs, het Bois de Boulogne, de Eifeltoren. En weer terug naar de met zeilen afgedekte banen en naar de paar mensen die nog steeds of alvast maar weer op de tribunes zitten.

Dief van eigen tijd. Ja nou. En waarom? Alsof je de speler met jouw opwinding van nu zou kunnen zijn. Drommels goed weet ik wat er met de dag gedaan zou moeten worden. En waar bevind ik mij weer eens? Maar wat is het in al zijn holheid weer prachtig en aangrijpend, deze eigenaardige vorm van tegenwoordigheid bij een wedstrijd. Laat niemand denken dat het identificerend kijken inspanningsloos zou zijn. Elke gooi naar de volledige aandacht kost inspanning. Dat om mee te beginnen.

Maar wanneer je zo goed en zo kwaad als dat gaat meespeelt aan de zijde van de grote Krajicek en de wedstrijd verloopt zoals deze tegen Pioline, dan krijg je klap op klap.

Dan word je op den duur, wanneer je je taak als kijker serieus neemt, precies de Krajicek die daar op het scherm aan het spelen is. Je berust erin, deze Krajicek van vandaag te zijn. Met al zijn ongeloof en zijn wanhoop. Een tijd lang weet je het beter dan de speler zelf. Je hebt gezien met wat voor onwaarschijnlijke precisie Pioline de ene passeerbal na de andere slaat. Dat is geen dom geluk meer, dat is niet alleen maar een favoriete Fransman die in Parijs speelt, dat is het noodlot zelf. Ook heb je vastgesteld dat Krajiceks service het weldra niet meer doet. Je kijkt naar zijn gezicht en naar dat karakteristieke sjokken van hem, terug naar de baseline, na de niet gelukte eerste opslag.

Voor de zoveelste keer heb je je afgevraagd wat toch de zin en de betekenis is van het door elke speler hoogst persoonlijk ontwikkelde opslagritueel - het houvast. Daar laat Krajicek de bal weer zes keer zachtjes stuiteren, tot kniehoogte, in voorovergebogen stand. Toegewijd als altijd. Maar vandaag helpt het niet. Wat is fut? Wat is geloof?

Wat kan Krajicek toch wanhopig kijken; of liever, uit het veld geslagen. Hij zoekt nu, zegt de commentator, de blik van zijn trainer. De eenzaamheid van de tennisser die zijn slokje genomen heeft en nu wacht tot de volgende game begint. De loden achterstand. Het is verboden, zegt de commentator, om tijdens de wedstrijd aanwijzingen te geven. De blik van Krajicek is die van een godzoeker.

Ik stel me voor dat Krajicek een oortje zou hebben. Waarin ik (of een ander die het goed met hem voor heeft) al een paar keer onzichtbaar gezegd heb: Niet meer naar voren, Richard. Die Pioline passeert zo verduiveld goed. Niet meer naar voren! Afwachtender gaan spelen. Een, twee, desnoods drie games lang.

Maar ook die fase van het spel, waarin de analyses zich aanscherpen om uit te monden in simpele aanbevelingen, is voorbij gegaan. Op een gegeven moment weet zelfs de kijker het niet langer beter. Hij beseft: Krajicek, elke speler, heeft zijn eigen onvervangbare innerlijke oor. En in dat oor klinkt nu misschien een koor van machteloze stemmen. Als het er al niet doodstil is geworden. Want de wedstrijd zelf is de les. Het is mogelijk om minder goed te spelen. En om je volop te herkennen in die verliezer.

    • Nicolaas Matsier