JESSYE NORMAN

Das Lied von der Erde door Berliner Philharmoniker, Jessye Norman, Siegfried Jerusalem o.l.v. James Levine. DG 439-948-2

Bruno Walter, in 1911 de dirigent van de postume wereldpremière van Mahlers zesdelige 'orkestliederensymfonie' Das Lied von der Erde, vond het zijn mooiste artistieke ervaring dat hij mocht samenwerken met Kathleen Ferrier, onder andere in een Weense opname van Das Lied von der Erde in 1952, nog steeds een van de fonografische hoogtepunten van de laatste eeuwhelft.

In de nieuwe Berlijnse live-opname van Das Lied von der Erde onder leiding van James Levine overtreft Jessye Norman in ieder geval alle opnamen sindsdien, ook haar eigen Londense opname uit 1982 met dirigent Colin Davis. Haar interpretatie van deze gepassioneerde laatste liefdesverklaring aan menselijkheid, cultuur en natuur op onze aarde is verdiept en gedetailleerd, elke strofe heeft een geheel eigen sfeer. In het slot van Der Abschied lost Normans extase lichtend op in de eeuwigheid van de kosmos.

Al blijft Ferrier met haar intense en integere, hoogstpersoonlijke, vervoerende stemgeluid onovertrefbaar uniek, Norman evenaart Ferrier met haar al even unieke persoonlijkheid zeker op het niveau van indringendheid. En Norman passeert de alt Ferrier met haar enorme stembereik, waarvoor de vocale vocabulaire nog een term moet ontwikkelen. Al lijkt de stralende expressie van haar allerhoogste noten nu iets te vervlakken, Norman combineert de superieure hoogte van een Richard Strauss-sopraan met de laagte van een zeer diepe alt. In een frase als Wohin ich geh'? zingt Norman als een bas, met haar autoriteit is 'bazin' beter, dus is 'superbazin' dè aanduiding voor haar hele stemvak.

Onder leiding van James Levine komen de Berliner tot een al even indrukwekkend gevarieerde en breed uitgemeten begeleiding, van uitbundig, zwoel en lyrisch tot de huiveringwekkende vlagen van trillende sidderingen in het instrumentale tussendeel van Der Abschied. Met het aandeel van Norman, Levine en de Berliner is deze DG-opname even epochemachend als Normans Amsterdamse opname van Mahlers Des Knaben Wunderhorn met Bernard Haitink (1976) en de Leipziger opname van Strauss' Vier letzte Lieder (1982) met Kurt Masur.

De bijdrage van Siegfried Jerusalem in de berucht moeilijke tenorliederen blijft in interpretatie en technische kwaliteit daarbij achter, zodat men wenst dat ook die drie liederen waren gezongen door Jessye Norman.

    • Kasper Jansen