India verbreekt zijn isolement

India en Pakistan hebben een serie kernproeven gedaan. De internationale gemeenschap is boos, maar weet er geen antwoord op. J.H. Sampiemon is van oordeel dat de tegenstellingen tussen India en Pakistan te lang zijn genegeerd.

Opgewonden dansen Indiërs en Pakistani in de straten van hun steden. De bom, zo lijkt het wel, heeft hun onverwachte waardigheid gegeven, een nieuw doel in het leven. De rest van de wereld kijkt toe alsof zij de tweede zondeval meemaakt: bezorgd, verontwaardigd, mistroostig, schuldbewust en vooral passief. Geen 'ban-de-bom-protest' van betekenis heeft zich voorgedaan sinds de berichten over de vijf Indiase en de zes Pakistaanse kernproeven het nieuws gingen beheersen. De officiële veroordeling is eensgezind in woorden, maar verdeeld waar het op daden aankomt. De internationale gemeenschap heeft de tegenstellingen tussen beide landen te lang genegeerd. Met het einde van de Koude Oorlog was het atoomwapen verdwenen uit de nieuwsbulletins en daarmee uit de algemene aandacht. Er is nu reden genoeg voor hernieuwde en intense belangstelling.

De eerste vraag is in hoeverre beide series experimenten een toch al labiele toestand verder uit het lood doen slaan. Wat zijn de motieven geweest van de regeringen van India en Pakistan om juist nu een vermogen, dat hun al lang werd toegeschreven, luid en niet voor misverstanden vatbaar te demonstreren?

Nog maar een paar jaar geleden is, met veronachtzaming van de wensen van India, het verdrag tegen spreiding van kernwapens voor onbepaalde tijd verlengd, en is een totaal kernproefverbod overeengekomen dat India en vervolgens Pakistan hebben geweigerd te ondertekenen. Vooral India is gehekeld. De afwezigheid van de twee elkaar vijandig gezinde staten van het subcontinent bij dit verdrag had de internationale gemeenschap ernstig moeten nemen. Nu ligt haar fraaie bouwwerk in duigen zonder dat zich een kans op spoedig herstel aandient.

De uitlatingen van de twee betrokken regeringen hebben de zaak verder vertroebeld. Enerzijds zijn er de geruststellingen. Beide hebben verzekerd niet als eerste het nieuwe wapen te zullen inzetten en overigens geen reden te zien voor een gewapend conflict. Daartegenover staan de waarschuwingen dat men de vijand zal weten te treffen als die tot gevaarlijke handelingen zou overgaan. Weliswaar is de acute vrees voor een preventieve aanval op de proefinstallaties van de ander ongegrond gebleken - wat er op zou kunnen wijzen dat een dergelijke aanval al niet meer risicoloos kon worden ondernomen. Maar in de tientallen jaren oude twist over het gedeelde en door beide landen opgeëiste Kashmir ligt voldoende explosief materiaal opgeslagen voor een uit de hand lopende escalatie.

De tweede vraag betreft de onverschilligheid van de wereldleiders voor de, overbekende, Indiase kritiek op het discriminerende karakter van het zogenoemde non-proliferatieverdrag. Dat verdrag gaat uit van de toestand van begin jaren zeventig. Toen waren er vijf erkende kernwapenmogendheden. Volgens het verdrag mochten zij de bom behouden. Alle andere staten dienden ervan af te zien. De kernwapenstaten zouden zich onthouden van hulp aan niet-bezitters om te voorkomen dat zij een eigen kernwapen zouden ontwikkelen. Onmiddellijk werd dit scenario doorkruist doordat China en Frankrijk, erkende atoommogendheden, zich niet bij het verdrag aansloten. China ontzag zich niet Pakistan te hulp te komen.

Het Chinese kernwapen plaatste India, dat eerder slachtoffer was geweest van Chinese agressie, al in een kwetsbare positie. De voorziene ontwikkeling van Pakistan tot kernwapenstaat maakte de kwetsbaarheid van het land alleen maar groter. India ontbeerde, anders dan West-Europa en Japan, een garantiemacht. Toenadering tot de Sovjet-Unie voorzag niet in een tegenwicht tegen de latente Chinese dreiging. De betrekkingen tussen de twee communistische mogendheden waren zonder India al gecompliceerd genoeg.

Van het begin af heeft India geijverd voor totale en algemene atoomontwapening. Op zijn best werd dat voorstel, voor het eerst gedaan op het hoogtepunt van de Koude Oorlog, in het Westen uitgelegd als naïef, op zijn slechtst als verkapte steun aan de Sovjet-Unie, die met dergelijke slogans de eensgezindheid binnen de NAVO trachtte te ondermijnen. India probeerde zich vervolgens onder het nucleaire pat, dat de betrekkingen tussen de supermogendheden steeds meer ging beheersen, uit te werken door zich op te werpen als leider van een zogenoemde groep van niet-gebonden landen. Maar de anti-Westerse toonzetting van die groep deed in het Westen de verdenking postvatten dat niet-gebondenheid geen onpartijdigheid inhield.

De Koude Oorlog was natuurlijk vooral een krachtmeting tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Het Britse kernwapen was nauw met het Amerikaanse verbonden, het Franse, in Frankrijk destijds force détonateur genoemd, werd in Amerika aanvankelijk beschouwd als een ongewenst risico voor het delicate machtsevenwicht tussen Oost en West. Sinds men inzicht had gekregen in de vijandschap tussen Peking en Moskou, heeft Amerika het Chinese kernwapen beoordeeld als een welkome complicatie voor de Sovjet-strategen. Van 1972 af zochten de VS met succes hun relaties met China te verbeteren. Een van de opties was het in de Vietnam-oorlog aangetaste Amerikaanse aanzien weer enigszins op te vijzelen. Daarbij verkeek de regering-Nixon zich op China's wil en mogelijkheden om in de kwestie-Vietnam te bemiddelen, maar in Amerika's verhouding tot de Sovjet-Unie kreeg de nieuwe vriendschap zeker betekenis.

De relaties tussen Amerika en China ontwikkelden zich in de loop der jaren als de processie van Echternach. Het isolement van India nam intussen alleen maar toe. De verdwijning van de Sovjet-Unie uit de mondiale machtsbalans en de verdere ontplooiing van China als regionale macht voltooiden het isolement. Van de groep van niet-gebonden landen was niets overgebleven.

Pakistan is een oude bondgenoot van Amerika. Het was opgenomen in de reeks van verdragen en organisaties met behulp waarvan de VS in de jaren vijftig het internationale communisme trachtte in te dammen. In 1972 bewees het land zijn diensten bij de Amerikaanse toenadering tot China. In de jaren tachtig stelde het zich beschikbaar als uitvalsbasis voor de Afghaanse mujaheddeen in hun strijd tegen de invasiemacht van de Sovjet-Unie. Pakistans belangrijkste begunstiger, het olierijke koninkrijk Saoedi-Arabië, is onmisbaar bij het veiligstellen van de energievoorziening van West-Europa, bij het onder controle houden van Iraks Saddam Hussein en als tegenwicht tegen het onvoorspelbare Iran.

De nauwe banden die Amerika met Pakistan onderhoudt, hebben de VS niet verhinderd dat land met sancties te treffen. Pakistans kernwapenprogramma vormt, evenals dat van India, een inbreuk op het per verdrag vastgelegde nucleaire oligopolie in de wereld. India straffen en Pakistan ongemoeid laten was uitgesloten. Maar dat de Amerikaanse betrekkingen met India aanmerkelijk killer zijn dan die met Pakistan staat vast.

India ziet zichzelf als een grote mogendheid die recht heeft op een permanente plaats in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en nu ook op de status van kernwapenmogendheid zolang er geen alomvattend ontwapeningsverdrag is. Na het einde van de Koude Oorlog leek het zich open te stellen voor het marktdenken van de Amerikanen, maar de BJP, de nationalistische Hindoe-partij die aan de macht is en die de jongste vijf kernproeven heeft doorgedreven, keert zich weer naar binnen. Het Amerika van Clinton heeft daar geen antwoord op.

Hoewel India de oudste en nog steeds de geloofwaardigste democratie in de Derde Wereld is, maakt dat op de Amerikanen geen indruk. Het land past niet in het Amerikaanse concept van globalisering, tegelijkertijd is het ook nooit een tegenstander geweest van het formaat van China en de Sovjet-Unie, tegenstanders waarmee Washington noodgedwongen rekening moest houden. De Indiase ambassadeur in de Amerikaanse hoofdstad leefde gewoonlijk in een vacuüm. Daarin is nu wel verandering gekomen - sinds India's hoge vertegenwoordiger bij CNN de politiek van zijn land mag komen toelichten.

    • J.H. Sampiemon