'Het woord rechtsstaat slaat niet op Rusland'; Rapport nucleaire vervuiling werd mensenrechtenzaak

Een Russische oud-officier wordt wegens 'landverraad' vervolgd omdat hij milieuproblemen in beeld bracht. Inhoudelijk heeft hij allang gelijk gekregen, maar de aanklacht blijft. Een milieuzaak werd een mensenrechtenkwestie in het nieuwe Rusland.

ST. PETERSBURG, 2 JUNI. Honderd tot tweehonderd afgedankte Russische kernonderzeeboten liggen in Severomorsk bij Moermansk en langs de oevers van de Barentsz-Zee weg te roesten, de meeste met de kernbrandstof en de kernreactoren nog aan boord. Honderden andere zijn, met reactoren en kernbrandstof en al, tot zinken gebracht in de Barents-Zee en de Karazee ten oosten van Nova Zembla. In veel gevallen is kernbrandstof simpelweg overboord gekieperd, verpakt niet in beton, maar in simpele ijzeren vaten die nu op de zeebodem doorroesten. Kortom: aan de noordelijke kusten van Rusland voltrekt zich, langzaam maar onherroepelijk, een nieuwe kernramp, een sluipend Tsjernobyl. Iedereen weet het. President Jeltsin heeft het toegegeven, vorige week nog, in een gesprek met de Noorse koning: “Het Noorden is verzadigd met nucleair materiaal. De bezorgdheid aan Noorse zijde [over die sluipende kernramp] is gerechtvaardigd”, zei Jeltsin. De Russische onderminister van Kernenergie heeft het toegegeven, eveneens vorige week. De Russische media hebben het opgeschreven: dat van die sluipende kernramp is gemeengoed.

Alleen de Russische geheime dienst, de FSB, opvolgster van de KGB, die weet het nog niet: die heeft Aleksandr Nikitin, gepensioneerd kapitein van zo'n kernonderzeeboot met een staat van dienst van meer dan twintig jaar, beschuldigd van het verraden van staatsgeheimen, landverraad en spionage, omdat hij twee jaar geleden als eerste details op schrift stelde over die sluipende kernramp. En daarvoor kan Nikitin altijd nog levenslang krijgen, en in theorie zelfs de doodstraf die in Rusland nog met regelmaat wordt uitgesproken.

Aleksandr Nikitin (45) is een forse, sombere man met een bleek gezicht en een grote snor. Een zwijgzaam mens: bij zijn ontmoeting met een groepje Nederlandse journalisten in St.-Petersburg laat hij liever zijn advocaat, Joeri Sjmidt, het woord doen. Zelf zit hij er luisterend en peinzend bij, gedachteloos bladerend in het Bellona-rapport dat hij twee jaar geleden in opdracht van de Noorse milieu-organisatie Bellona over de kwestie samenstelde ten behoeve van een milieu-conferentie in Moskou - het rapport dat hem zoveel ellende heeft opgeleverd.

Dat Nikitin staatsgeheimen heeft verraden heeft hij steeds bestreden: alles in dat Bellona-rapport, over de wegroestende kernonderzeeboten in Severomorsk, over het afzinken van verouderde kernonderzeeboten en het dumpen van kernbrandstof, heeft hij uit openbare bronnen, alles was in Rusland al gepubliceerd voor hij het bijeenbracht in dat rapport.

Maar de FSB denkt er anders over. Om zeven uur in de ochtend van 6 februari 1996 klopte ze op de deur van Nikitins Petersburgse woning en werd hij ingerekend, als verrader en spion. Niet zozeer wegens het verraden van staatsgeheimen die als zodanig in duidelijke en openbare wetten zijn geformuleerd, maar op grond van schending van een strikt geheime oekaze van het ministerie van Defensie. Sjmidt: “We vragen nu al twee jaar en zeven maanden om ons die oekaze te laten zien. Maar dat is steeds geweigerd: de oekaze is en blijft geheim.” Zo geheim is ze, dat zelfs de advocaten van de tegenpartij, de FSB, haar niet te zien hebben gekregen. “En dat terwijl de Russische grondwet in artikel 15 het gebruik van geheime wetten en oekazen verbiedt”, zegt Schmidt. Dit, zegt hij theatraal, “is een nieuwe Dreyfus-zaak.”

Nikitin werd eind 1996 na tien maanden vrijgelaten, onder internationale druk: de Noren hadden geprotesteerd, de Amerikaanse vice-president Gore had geprotesteerd, Amnesty International had Nikitin geadopteerd als eerste politieke gevangene in het nieuwe Rusland. Maar de zaak was daarmee niet van de baan: zeven aanklachten zijn er nu door de FSB tegen Nikitin ingediend, en alle zeven bestempelen ze de ex-kapitein - die zelf een collega en zwager aan stralingsziekte verloor - tot landverrader. Pas in de zevende en laatste aanklacht, van 8 mei, is elke verwijzing naar de geheime oekaze verdwenen - zonder dat overigens de tenlastelegging werd aangepast.

De zaak-Nikitin is een milieuzaak, maar ook een mensenrechtenkwestie. Inhoudelijk heeft Nikitin allang gelijk gekregen, op het hoogste niveau. Maar de FSB houdt vast aan haar van de KGB geërfde methoden. Hij mag dan voorlopig zijn vrijgelaten, de zaak wordt aangehouden, met alle chicanes die daar verder bij horen. Nikitin: “Ik mag St.-Petersburg al meer dan twee jaar lang niet verlaten. Ik word op straat gevolgd, mijn telefoon wordt afgeluisterd en FSB-agenten maken obscene gebaren naar mijn vrouw. In onze afwezigheid wordt mijn huis doorzocht, de banden van mijn auto worden doorgesneden en de sloten met lijm dichtgespoten.” Een déjà vu. Nikitin is een dissident zijns ondanks: alles wat hij heeft gedaan, heeft hij niet gedaan in oppositie tot de staat, maar juist “uit loyaliteit met die staat”.

En niettemin, denken Sjmidt en Nikitin, komt het niet tot een proces: de FSB kan de aanklachten niet intrekken, omdat dat gezichtsverlies betekent, maar ze kan de zaak ook niet doorzetten, omdat “de aandacht van de wereld een proces in de weg staat”. En dus suddert Nikitin verder in het onzekere, opgesloten in St.-Petersburg, achtervolgd door een aanklacht waar de doodstraf op staat en achtervolgd door het dagelijkse groepje FSB-agenten.

De vraag is of de zaak-Nikitin een late Sovjet-reflex of een illustratie van een nog altijd ontbrekend respect voor de mensenrechten is. Voor Sjmidt gaat het om het laatste. Vrijheid van meningsuiting? Persvrijheid? Kijk naar de Russische media, zegt hij: “In het begin was er veel aandacht voor de zaak in de Russische media, maar sinds twee jaar is duidelijk dat de rol van de FSB is versterkt. Journalisten wordt steeds vaker de mond gesnoerd. Velen zeggen ons dat hun materiaal door hun redacties wordt afgewezen.” Een dag voor ons gesprek verdween op mysterieuze wijze een live uitgezonden vraaggesprek van Nikitin met een Petersburgs radiostation uit de lucht: een kwestie van 'verbroken verbindingen'.

Voor Joeri Sjmidt staat de afkorting FSB gelijk aan de afkorting KGB. “Ik ben ervan overtuigd dat de FSB haar eigen politieke lijn tracht door te voeren en haar eigen agenten in de hoogste structuren van de macht heeft. De FSB oefent druk uit met compromitterend materiaal. Ze werkt met het oude KGB-kader. De FSB-chef in St.-Petersburg, Viktor Tsjerkessov, stond al in de jaren zeventig en tachtig bekend als vervolger van dissidenten.” Ze hebben het standbeeld van Feliks Dzerzjinski, oprichter van de Tsjeka (de latere KGB) weggehaald bij de Loebjanka in Moskou, waar vroeger de KGB zat en nu de FSB, maar, schampert Sjmidt, “loop er binnen en het eerste dat je ziet is een borstbeeld van Dzerzjinski, en in elke werkkamer hangt nog steeds het portret van Dzerzjinski of dat van Lenin.”

De FSB, zegt hij, verlangt terug naar oude tijden. “Ze betreurt haar verminderde rol in de samenleving. Ze grijpt naar elk middel om te bewijzen dat ondanks de goede relaties met het Westen overal spionnen en agenten zitten.” Het woord rechtsstaat, zegt Joeri Sjmidt, terwijl Aleksandr Nikitin somber verder bladert in zijn Bellona-rapport, het woord rechtsstaat is op Rusland niet van toepassing.

    • Peter Michielsen