Een plekje voor Frans Coenen

Optima. Literair Tijdschrift. Zestiende jaargang nr.1 - mei 1998. Uitg. Prometheus. ƒ 17,50.

De Parelduiker. Jaargang 3, nr. 1, april 1998. Uitg. Stichting Oog in t zeil i.s.m. Bas Lubberhuizen. ƒ 17,50.

'De nieuwe Optima', zoals nummer 1 van de zestiende jaargang van Optima heet omdat het van uitgever is veranderd, verscheen vlak voor de uitreiking van de Libris Literatuurprijs. Kennelijk had de redactie gegokt op Helga Ruebsamen of J.J. Voskuil, want beide auteurs komen we in dit nummer tegen. Het blad opent met een nieuw verhaal van Ruebsamen, 'Een hofje in Den Haag', dat mij een beetje tegenviel, zeker na Het lied en de waarheid. Zo trefzeker en ontroerend als ze in die roman haar Indische jeugd oproept, zo flodderig beschrijft ze in Optima de tijd die zij (of haar hoofdpersoon) doorbracht in een hofjeshuis in de Haagse Mallemolen

Librisprijs-winnaar Voskuil wordt geïnterviewd door Volkskrant-recensent en Optima-redacteur Arjan Peters. Er staat in het vraaggesprek weinig dat Voskuil-liefhebbers nog niet (kunnen) weten. Curieus vond ik - gezien het debat dat her en der gaande is over de verhouding werkelijkheid-fictie - vooral Voskuils antwoord op de vraag of hij literatuur mooier en beter vindt als zij 'echt' is. Voskuil: “Het heeft geen zin om mensen lastig te vallen met je fantasieën. Die zijn zo doorzichtig. Als een schrijver in zijn hoofd zoekt, vindt hij daar een heleboel gekke dingen en als je die verhult kun je wel allerlei verhalen schrijven, maar ik verlies dan onmiddellijk mijn belangstelling. Terwijl als iemand duidelijk rekenschap aflegt van hoe hij geleefd heeft, dan ben ik geboeid.”

Op de vraag wat hij vindt van de opvatting dat literatuur juist daaruit bestaat dat de waarheid via de verbeelding wordt uitgedrukt, antwoordt hij: “Ik heb nooit gezien wat daar het ware van is. Als iemand dat doet verveel ik me geweldig.”

Optima bevat verder onder andere een verhaal van Russell Artus, zes ongepubliceerde gedichten van Joseph Brodsky in een vertaling van Peter Zeeman en de nieuwe rubriek 'Grof vuil', die volgens het redactioneel ongetwijfeld stof gaat opleveren 'voor de nodige onverkwikkelijkheden in de vaderlandse literaire wereld'. De eerste aflevering van 'Grof Vuil' stelt in dit opzicht teleur omdat Arjan Peters er op een nogal particuliere wijze afrekent met de dichter Huub Beurskens (nadat die in De Gids op zijn beurt Peters had aangevallen).

Niet wegens het vuil, maar om de onverwachte schoonheid ben ik altijd nieuwsgierig naar De Parelduiker, een tijdschrift dat als geen ander geïnteresseerd is in literair-historische vondsten. De titel van het blad is ontleend aan de regel van Multatuli 'Een parelduiker vreest den modder niet', een mooi motto dat de redactie echter niet al te letterlijk moet nemen. Niet dat er in het jongste nummer alleen maar modder te vinden is, zeker niet, maar echte pareltjes worden er deze keer helaas niet opgedoken

Een artikel over de vrienden van Jacques Perk onder de kop 'Laat ons eten, drinken en vroolijk zijn' levert weinig nieuws op over de nog altijd tot de verbeelding sprekende vroeg gestorven dichter. Aardig, maar niet opzienbarend, is het doorwrochte stuk van August Hans den Boef over Frans Coenens Onpersoonlijke Herinneringen uit 1936. Deze roman van Coenen, kort na zijn dood verschenen,is geïnspireerd op de geschiedenis van het pand aan de Amsterdamse Herengracht 605, waarin later het Museum Willet-Holthuysen gevestigd werd. Coenen was daar van 1895 tot zijn pensionering in 1931 werkzaam als conservator. Omdat Coenens naam onafscheidelijk verbonden is met dit pand, pleit Den Boef ervoor dat het museum een plaats voor deze schrijver-conservator inruimt 'met zijn bureau, pen en inktpot, briefpapier van Groot-Nederland en De Groene, wat andere parafernalia.' Wat mij betreft zou er op dat bureau dan ook een exemplaar moeten liggen van Henri Wiessings memoires Bewegend Portret waarvan het eerste hoofdstuk 'Een koffiemaaltijd bij Frans Coenen' heet. De journalistiek-literaire lunch in het jaar 1918 die hierin wordt beschreven, speelt zich af in het museum Willet-Holthuysen en onder de illustere aanwezigen bevindt zich ook Coenens vriendin Carry van Bruggen.

    • Elsbeth Etty