Echtpaar

Het was twintig jaar geleden dat ik voor het laatst in Boedapest geweest was en het lag voor de hand dat er veel veranderd zou zijn. In de buitenwijken viel het nog niet erg op. Dezelfde vervallen rommeligheid als vroeger, leek me.

“De buitenwijken boden een treurige aanblik. Men kan zich er geen voorstelling van maken wat daar werd gegeten.“ Dat mompelde schaakmeester Cortlever altijd als hij in een vijf-minutenpartijtje zijn tegenstander kaalvrat. Hij bedoelde buitenwijken in het algemeen, niet speciaal een post-communistische buitenwijk.

Hoe dichter je de Donau nadert, hoe meer de veranderingen opvallen. Nog veel van de oude winkeltjes die er op de reclameborden na nog uitzien als in de communistische tijd, maar ook glim en glans van spiegelglas. En je ziet de eerste grote gebouwen die schoongewassen zijn. Pas als je een paar schone gebouwen ziet, zie je hoe zwart de stad is.

Er wordt wel eens gemopperd dat het verkeerde prioriteiten zijn, gebouwen wassen voor de toeristen terwijl het volk armoede lijdt, maar daar ben ik het niet mee eens.

Zo ongeveer het eerste wat Havel deed toen hij president van Tsjechoslowakije was geworden, was vrolijke nieuwe uniformen laten maken voor de bewakers van zijn presidentiële burcht. Het belang van uiterlijke veranderingen, die wel eens laatdunkend 'cosmetisch' worden genoemd, kan niet overschat worden, dat wist hij natuurlijk als man van het toneel. Daarna zag je eerst Praag en later Bratislava in de steigers gezet worden en opgeverfd, in het toeristische centrum althans.

Je moet toch ergens beginnen. Wat een vreemde mentaliteit was dat toch, om alles tientallen jaren lang vies en zwart te laten worden en er niets aan te doen. Ze was niet beperkt tot de communistische heersers. André Malraux liet als minister van Cultuur onder De Gaulle de openbare gebouwen en andere monumenten in Parijs schoonmaken en in Nederland vond men dat toen geldverspilling en maniakale grandeur.

Ons Paleis op de Dam zou wel weer eens een sopje kunnen gebruiken. Dat bedenk ik hier, want thuis valt het me niet zo op. Smerigheid went. Als ik hier zie hoe statig en schoon het parlementsgebouw erbij staat, vraag ik me af hoe het twintig jaar geleden was. Toen was het nog zwart, wordt me verteld. Mijn eigen herinnering zou het me niet kunnen zeggen. Toen het nog smerig was vond ik het ook wel een indrukwekkend gebouw.

Aan de overkant van de rivier zie ik het mooiste hotel van de stad, waar koningen en prinsen logeerden. Juliana met haar energieke en charmante echtgenoot, op de huwelijksreis. En ik, toen ik nog goed schaken kon.

Dat zou tot droefgeestige bespiegelingen kunnen leiden, maar het doet het niet. Het schaken ging toen goed, twintig jaar geleden, maar net niet goed genoeg, en het doel dat ik me gesteld had miste ik op een haartje. Mijn reisgenote werd boos en verdrietig, vooral omdat ik het me te weinig leek aan te trekken, want dat vond ze slap. Ik troostte haar en ergerde me daaraan, omdat ik het de omgekeerde wereld vond dat ik haar troostte. Zo maakten we ruzie over de vraag wie het recht en wie de plicht had om droevig te zijn. Hoe je mekaar toch gek kan maken.

Ik laat me op de brug fotograferen op hetzelfde punt als twintig jaar geleden, maar de fotografe is nu iemand anders. Thuis ga ik de foto's naast elkaar zetten en de verschillen bestuderen.

Wat ook veranderd is, is de waakzaamheid waartoe de toerist wordt opgeroepen door de reisgidsen en de folders van het toeristenbureau. De reisgidsen lijken betrouwbaar, want al de eerste avond worden we overvallen.

Eerst een man die je met ingewikkelde onbegrijpelijke praatjes tot stilstand brengt en dan duiken opeens twee kornuiten op, de een haalt een soort legitimatiepasje voor de dag en vraagt om onze paspoorten, we maken ons snel uit de voeten en ze lopen ons niet achterna, maar beginnen te schelden, als boze regisseurs tegen figuranten die uit hun rol vallen.

Niets gebeurd, maar je schrikt toch erg, omdat je je voorstelt dat het ook anders had kunnen gaan, mes, pistool zelfs... Wie het pad der deugd verlaten heeft kent immers geen grenzen meer.

De volgende dag blijken de pseudo-politiemensen een bekend onderdeel van de plaatselijke folklore te zijn. Er is in de internationale pers over geschreven, ook in deze krant. Ze vragen eerst om de paspoorten, dan willen ze je geld zien en dan lopen ze er mee weg. Gewelddadig zijn ze niet, wat achteraf een grote geruststelling is, ook al maakt het nu niets meer uit. We horen het allemaal van iemand die hier woont. “Ze doen het altijd bij echtparen, nooit bij een man alleen of een vrouw alleen, gek eigenlijk“, zegt ze.

Helemaal niet gek. Een man alleen kan gevaarlijk zijn en over onvermoede vechterskwaliteiten beschikken. De man als onderdeel van een echtpaar is getemd en verslapt door het comfort. De vrouw alleen is waakzaam en geneigd om weg te rennen en te schreeuwen. In het gezelschap van haar man verwacht ze dat hij haar zal beschermen. IJdele hoop, want hij zal haar alleen maar in de nesten werken. Vechten kan hij niet, hard wegrennen wil hij niet, want dat is in strijd met zijn waardigheid. “Ik regel dat wel even met die politiemannen, schatje“, zegt hij.

Man en vrouw samen, dat zijn de aangewezen slachtoffers. Stuk voor stuk misschien weerbare mensen, maar als koppel een paar sukkels die er om vragen om in de luren gelegd te worden, dat zien die boeven goed.

Het is een beetje oneerlijk wat ik daar allemaal sta te oreren, want in mijn hart denk ik dat ik alleen maar zo makkelijk ben ontkomen doordat mijn vrouw de furie uitstraalde van een leeuwin die haar jong bedreigd zag. Maar de vrouw aan wie ik mijn theorie uiteen zet, lacht en zegt dat de rovers kennelijk vakmensen zijn die hun klanten goed kennen, en dan moet ze verder om zich met andere gasten te bemoeien, want het is haar bruiloft waarvoor we hier zijn.