De Held doet eindelijk zijn intrede in Der Ring des Nibelungen; Siegfried is een verwende puber

Voorstelling: Siegfried van R. Wagner door de Nederlandse Opera en Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen. Decor: George Tsypin; kostuums: Eiko Ishioka; regie: Pierre Audi. Gezien: 1/6 Muziektheater Amsterdam. Herhalingen: t/m 29/6 (uitverkocht).

Hij is de lang verbeide Held die de wereld zal moeten bevrijden van de vloek van de Ring. Maar Siegfried, een klassiek voorbeeld van de opvatting dat spierbundels en herseninhoud omgekeerd evenredig zijn, is geen held waarmee de toeschouwer zich makkelijk identificeert. De titelheld van de derde opera uit Wagners Der Ring des Nibelungen is een primair reagerend personage, om niet te zeggen een primitieveling. Hij is een bruut die iedereen die hem een strobreed in de weg legt uit de weg ruimt. Zijn pleegvader Mime bijvoorbeeld, die hem met valse motieven grootbracht of de reus Fafner, die in de gedaante van een draak het Rijngoud bewaakt.

Met de nieuwe Siegfried, die deze maand wordt opgevoerd door de Nederlandse Opera, vervolgen regisseur Pierre Audi en dirigent Hartmut Haenchen de lijn die zij in de eerdere producties van de Ring-enscenering hebben uitgezet. In het huidige en het komende seizoen wordt Wagners opera-tetralogie in vier afzonderlijke afleveringen vormgegeven. Das Rheingold en Die Walküre waren eerder te zien; in september volgt Götterdämmerung. Tijdens de zomer van 1999 zal de Ring tenslotte vier maal compleet worden uitgevoerd.

Wotan, die in Das Rheingold nog een megalomane heerser was en die in Die Walküre moest toezien hoe zijn zoon Siegmund ten offer viel aan de rigide moraal van zijn echtgenote, is in Siegfried een dolende Wanderer die beseft dat het einde nabij is. Nog één keer blijkt zijn superioriteit, wanneer hij in een Russische roulette van vraag en antwoord Mime veruit de baas is. De dwerg Mime heeft Siegfried opgevoed omdat hij beseft dat hij slechts met zijn hulp de wereld kan beheersen.

Wat Mime jarenlang tevergeefs probeerde, doet Siegfried in een handomdraai: het aaneen smeden van de twee helften van het godenzwaard Nothung. Het vuur weet Siegfried zo hoog op te stoken dat de vlammen tot buiten de ovens likken. Met dit onoverwinnelijke zwaard zal Siegfried zich een weg banen naar het Rijngoud en naar Brünnhilde, omringd door vuur. Zelfs de oppermachtige speer van Wotan kan hem daar niet van weerhouden. Dat Brünnhilde zijn tientallen jaren oudere tante is: soit! Incest zit het Wälsungen-geslacht in het bloed. Siegfrieds vader en moeder waren immers broer en zus.

In de enscenering van Pierre Audi heeft Siegfried iets van verwende puber, die voortdurend zijn zin wil krijgen. Als hij een held is, dan is hij een tragische held. Een held die niet begrijpt en niet wordt begrepen. Een held die niet beschikt over het talent met zijn 'medemensen' te communiceren. Daarmee maakt Audi de Babylonische spraakverwarring op psychologisch niveau tot het belangrijkste thema van Siegfried.

De Siegfried-productie biedt zowel auditief als visueel prachtig theater. De 'Felsenhöle im Wald', het 'Tiefer Wald', en de 'Wilde Gegend am Fusse eines Felsenberges' - de locaties waar de drie aktes zich volgens Wagner zouden moeten afspelen - hebben bij de Nederlandse Opera een nagenoeg identiek uiterlijk: een imposant fly over-complex van houten banen en metalen wegen die kriskras door elkaar lopen en diep het Muziektheater induiken, waarboven nog altijd de houten 'adventure seats' hangen.

Het orkest is opnieuw geïntegreerd in de speelvloer. De musici zijn ingebouwd tussen betonwapeningen en een glazen vloer. De tl-buizen tussen de musici, onder de glazen vloer en onder de baar van Brünnhilde maken deel uit van een geraffineerd lichtplan in de kleuren rood, wit, geel en groen. Met twee grote spots op de metalen baan en vervaarlijk opstekende stekels wordt een suggestieve draak gecreëerd. De overige attributen zijn tot een minimum beperkt: kookpotjes waarmee Mime wat kwakzalvert met een plasje en struisvogeleieren, een bed van leisteen, een aambeeld en een oven in Mime's smidse, een televisie waardoor Wotans alziende oog kijkt, wat nagels op de weg naar het Rijngoud.

De situering van het orkest op de speelvloer vormt een markant contrast met de orkestplaatsing in Wagners Bayreuth, waar het zich buiten het zicht onder het podium bevindt. Deze keuze veroorzaakt soms balansproblemen met de solisten, maar Wagners weelderige orkestraties komen wel aangenaam tot hun recht. Hartmut Haenchen blijkt in staat een andere Wagner te laten horen dan men gewend is. De orkestklank van het Rotterdams Philharmonisch Orkest is niet diffuus maar doorzichtig, en van een - voor conventionele wagneriaanse begrippen - nogal licht aandoende toets. Pathetiek is in de vitale, beweeglijke orkestbegeleiding goeddeels uitgebannen. Wel veroorzaken de gedurig wisselende tempi ritmisch soms wat oneffenheden.

In muzikaal opzicht is Siegfried (1848-1856) de meest hybride opera uit de Ring-tetralogie, wat deels is terug te voeren op de lange ontstaansperiode. Letterlijk tussen de Siegfried-bedrijven door componeerde Wagner onder meer Tristan und Isolde. De eerste twee aktes zijn met de korte pregnante motieven muzikaal nog vrijwel identiek gestructureerd als de beide voorafgaande Ring-opera's.

In de derde akte treedt evenwel een nieuwe, met chromatiek doordrenkte stijl aan het licht die in Götterdämmerung de boventoon zal voeren. Leidende motieven worden plotseling afgebroken, terwijl andere motieven juist in meer uitgesponnen muzikale mijmeringen resulteren. Hoewel die stilistische ommekeer bij Haenchen goed is te horen, lijkt hij toch niet het idiomatische verschil, maar veeleer de eenheid te willen benadrukken.

Volgens wens van Wagner wordt de rol van Waldvogel gezongen door een jongenssopraan. Stefan Pangratz, solist van het Tölzer Knabenchor, doet dit schitterend met een zeer overtuigende fysieke aanwezigheid. Mimisch staat hij zijn mannetje, zoals hij als beschermengel Siegfried keer op keer waarschuwt voor de listen van Mime. Zijn vlucht over de bühne aan een kabel, terwijl op een projectiescherm vliegende vogels te zien zijn, is een van die lumineuze vondsten van de vormgevers van deze productie.

De zangers zijn zowel in fysiek opzicht als in stemkleur goed gecast. Heinz Kruse is een verdienstelijke Siegfried, maar mist op cruciale momenten toch de kracht van de echte Wagner-tenor. Met de ritmische invulling van zijn rol heeft hij moeite, zoals te horen was aan zijn late inzetten en het niet altijd even accurate gehamer op het aanbeeld. Graham Clark is met zijn gemene, wat blikkige tenorstem een uitstekende Mime die ook nog met gevoel voor humor weet te acteren.

John Bröcheler geeft met subtiele kleuring een imposante invulling aan de rol van de statig wanderende Wotan. Hoewel Jeannine Altmeyer in Die Walküre bewees over een stem van wagneriaanse allure te beschikken, had zij bij de premìere problemen met de intonatie van haar Brünnhilde-partij. De laatste vier voorstellingen wordt de rol gezongen door Nadine Secunde. Henk Smit is een alleszins uitstekende Alberich; Carsten Stabell moet het als Fafner vooral hebben van de enorme diepte van zijn stem. De alt Anne Gjevang is beduidend veelzijdiger. Zij weet de vele lage noten van haar Erda-partij probleemloos te treffen, maar schittert tevens in de hogere registers.

    • Emile Wennekes