Ik bewaak mijn eenzaamheid

'Turkije is een narcostaat.' Dat was de hardste conclusie van criminologen Frank Bovenkerk en Yucel Yesilgöz in De maffia van Turkije. De Turkse Koerd Yesilgöz zal zich er in zijn geboorteland niet populair mee hebben gemaakt. Het zij zo. 'Een criminoloog kan niet bang zijn.'

De definitie van 'georganiseerde misdaad' die je in de vakliteratuur aantreft, gaat niet op voor de Turkse mafia. De mafia leeft volgens de heersende opinie bij de gratie van corrupte functionarissen, zwakke schakels in het staatsapparaat. Ook in Turkije zijn zeer hoge functionarissen betrokken bij de georganiseerde misdaad, maar het zijn geen zwakke schakels. Integendeel. Zij zijn loyaal aan de staat. Ze handelen in ópdracht van de staat. Het gaat van boven naar beneden. Dus die cliché-opvatting van criminologen klopt niet.''

Yücel Yesilgöz (Turks Koerdistan, 1951) houdt niet van cliché-opvattingen. Sinds hij in 1984 als vluchteling naar Nederland kwam, heeft hij talloze artikelen gepubliceerd, in dagbladen en in gespecialiseerde tijdschriften als Proces en Het tijdschrift voor criminologie. Ze liggen in stapels in zijn werkkamer en in elk ervan staan zijn meningen, die vaak dwars tegen de heersende opinie ingingen. Over de mensenrechtensituatie in Turkije, de Koerden of de Turkse en Koerdische heroïne-mafia.

Met een verontschuldigend gebaar: “Dwarse meningen misschien, maar het is wel altijd waar, wat ik zeg.” Hij trekt een exemplaar van NRC Handelsblad uit 1989 uit de stapel. Met daarin een stuk van hem over de racistische en nationalistische inhoud van Turkstalig lesmateriaal dat in het Nederlandse Onderwijs Eigen Taal en Cultuur werd gebruikt. Dat werd hem niet in dank afgenomen. “Ik werkte toen bij het Centrum voor Etnische Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Mijn collega's daar vonden me een verrader. Ik was 'zwart', ik moest de kant van de zwarten kiezen. Het racisme zat bij wit. Maar helaas, racisme is niet voorbehouden aan wit.”

“Ook de Nederlandse publieke opinie viel over me heen. Renate Rubinstein vond dat Turkse kinderen de kans moesten krijgen hun zelfbeeld te versterken. Dat vind ik ook, maar zeggen dat het Turkse ras superieur is, is niet de goede manier in mijn ogen.”

Yesilgöz' gedachten gaan te snel voor het zorgvuldige, afgemeten Nederlands dat hij spreekt. Af en toe verschijnt een gepijnigde uitdrukking op zijn gezicht als hij naar een woord zoekt. “Ik weet dat het vaak te radicaal, te ongenuanceerd lijkt wat ik zeg. Ook op dit boek zullen negatieve reacties komen. Ik was al impopulair bij bepaalde Turkse kringen, maar dat zal nu wel erger worden. Misschien komen er ook Koerdische groepen bij. Iedereen vraagt of ik bang ben voor bedreigingen. Een criminoloog kan niet bang zijn. Als ik bang was aangelegd, zou ik wel solliciteren naar een vacature bij de sociologie van de liefde.

“Er staan geen nieuwe feiten in ons boek. Wat wij over de betrokkenheid van de Turkse overheid schrijven, was allemaal al in Turkije gepubliceerd. Ook over de situatie in Nederland hadden we al eerder gerapporteerd. Wij hebben de bekende feiten bij elkaar gezet en in een wetenschappelijk kader geplaatst, dat is alles. Bijvoorbeeld: een algemeen heersende opinie onder criminologen is dat de georganiseerde misdaad niet uit ideologische motieven handelt, maar op eigen gewin uit is. Wij hebben aangetoond dat bij Turkse en Koerdische criminelen ideologische drijfveren als vaderlandsliefde of onafhankelijkheidsstreven wel degelijk een rol spelen. Juist ook in de hogere regionen. Kijk maar naar de gewezen minister Ar, die na het Susurluk-schandaal om zijn verbindingen met de onderwereld in opspraak is geraakt. Hij verdedigde zich door te zeggen dat hij dit voor het vaderland had gedaan. 'Wij hebben nooit iets gedaan waarmee we gezichtsverlies leden', zei hij tegen de pers.”

Het boek is duidelijk voor een groot publiek bedoeld. Bestaat niet het gevaar dat de Turkse en Koerdische gemeenschap in Nederland als geheel gestigmatiseerd wordt? Het boek spreekt bijvoorbeeld van 'verloedering' van de Turkse en Koerdische gemeenschap door de drugshandel. “Ik wil mij niet bezighouden met die vraag. De situatie is zoals hij is. De drugshandel hééft een groot deel van de Turkse en Koerdische gemeenschap hier in zijn greep. Drugshandel ìs een aantrekkelijk alternatief voor jongeren die hier weinig kansen zien. Iets niet schrijven alleen om stigmatisering te voorkomen - dat gaat me te ver. Dan had ik maatschappelijk werker moeten worden, geen wetenschapper.”

Wetenschapper is Yesilgöz uit volle overtuiging. “De objectiviteit, de feiten weergeven zoals ze zijn, de onafhankelijkheid. Dat zou ik in Turkije niet hebben kunnen bereiken. Echt onafhankelijke sociale wetenschap bedrijven is daar moeilijk. Kijk maar naar Besikçi, die zit in de gevangenis.” (Ismail Besikçi schreef in 1969 een studie over de Koerden in Turkije. In die periode was dat onderwerp nog totaal onbespreekbaar, MD)

Vies en immoreel

“De criminologie past goed bij me. Ik interesseer me voor het marginale in de samenleving, iets waar een criminoloog zich per definitie mee bezighoudt. Ik voel me verwant met mensen of groepen die zich moeizaam verhouden tot de bestaande normen. Misschien heeft mijn opvoeding er mee te maken, mijn socialistische verleden, solidariteit met de verdrukten... Ja, ook heroïnebazen beschouw ik als verdrukten, als ze gemarteld worden op politiebureaus. Zoals de bekende peetvader Hüseyin Baybasin overkwam toen hij niet meer met de Turkse overheid wilde samenwerken. We hebben hem voor ons boek zo'n veertig uur lang geïnterviewd.”

Zelf kwam Yesilgöz er achter dat hij een marginaal lid van de Turkse samenleving was toen hij naar de middelbare school ging in Elazi&gcaron;, een stad in oost-Turkije, niet ver van zijn geboortedorp. Hij is Aleviet en Koerd, behoort dus tot een religieuze èn een etnische minderheid. Alevieten zijn niet-orthodoxe moslims, ze hebben geen moskeeën, vasten niet tijdens de Ramadan en drinken alcohol. Zijn ouders bonden hem op het hart om niet te zeggen dat hij Aleviet was. Als zijn vader, die onderwijzer was, in een orthodox dorp werkte, paste hij zich aan, ging ook naar de moskee en vastte tijdens de Ramadan.

“Op de middelbare school hadden we een godsdienstleraar, een dikke, smoezelige man. We hadden elke dag les van hem. Hij vertelde over het jodendom, het christendom, dat dat allemaal slecht was. Islam was het enige. Maar het allerergste waren de Alevieten, die waren vies en immoreel. Dat hoorde ik elke dag, als dertien-, veertienjarige. In de klas zat nog een andere Alevitische jongen. We wisten het van elkaar en we hielden het zorgvuldig geheim. Die jongen vastte tijdens de Ramadan. Ik verzon een smoes - dat ik te hard moest werken en daarom niet hoefde te vasten.

“Zeggen dat je een Koerd was, liet je uit je hoofd. Dat was domweg gevaarlijk. En strafbaar, want Koerden bestonden niet volgens de staatsideologie. Thuis spraken we meestal Turks, Koerdisch praten was asociaal. Turkije is één staat, één natie, nog steeds. Het staat in de grondwet: geen enkele gedachte en ideologie die zich tegen het nationalisme van Atatürk keert, zal beschermd worden. En nog steeds moeten Turkse èn Koerdische kinderen elke ochtend op school de spreuk opzeggen: Ik ben een Turk, ik ben ijverig en oprecht, mijn bestaan schenk ik aan de Turkse natie.

“Wat een ironie hè? Het laatste wat een Nederlander zal toegeven is dat hij een racist is. De CD is iets voor zielepoten. In Turkije moet je CD-achtig gedachtegoed aanhangen om carrière te kunnen maken.” Toegevend: “Hoewel, het is tegenwoordig niet meer strafbaar als je zegt dat je van Koerdische afkomst bent. Als je er maar geen consequenties aan verbindt, zoals eigen rechten.”

Yesilgöz durfde pas uit te komen voor zijn Koerdische identiteit toen hij in 1969 rechten ging studeren in Ankara. Hij werd actief in de studentenbeweging. Eerst in een Turkse linkse groepering (“ik durfde toen nog niet bij een Koerdische organisatie”), later in de Özgürlük Yolu (“de enige Koerdische organisatie die niet gewelddadig was.”) De Turkse samenleving was in de jaren zeventig volkomen gepolariseerd. Talrijke linkse facties, trotskisten, aanhangers van de Albanese president Enver Hoxha, stalinisten, maoïsten voerden een verbeten en vaak gewelddadige strijd tegen elkaar en tegen rechts, de ultra-nationalistische Grijze Wolven.

“De Grijze Wolven hadden de staat achter zich, dus die strijd was oneerlijk. Ik ben een aantal malen door Grijze Wolven in elkaar geslagen. Ze verspreidden pamfletten over mij. Dat ik een terrorist was, dat ik iemand van hen vermoord had, dat ik dood was. Waarom ze me zo belangrijk vonden weet ik niet. Ik was prominent aanwezig in de studentenbeweging, dat wel. En ik was geen naprater, net zo min als ik dat nu ben, ik bewoog me buiten de heersende ideologische clichés, onderbouwde mijn beweringen altijd goed.

“Maar een echte leidersfiguur was ik niet. Een leider moest een voorbeeld zijn. Ik dronk graag, ging veel uit, had geen trek in die puriteinse levensstijl. Je werd geacht altijd maar met theoretische vraagstukken bezig te zijn, meetings bij te wonen over marxisme-leninisme. Apo (Abdullah Öcalan, de huidige leider van de Koerdische PKK, MD) had veel kritiek op me, weet ik nog. 'Die man zit alsmaar moppen te tappen in de kantine, hij is niet serieus genoeg', dat soort dingen.

“Een goede student was ik wel, ik had ambities. Ik wilde rechter worden of officier van justitie. Eén keer heb ik een jaar moeten overdoen omdat ik gedurende de hele tentamenperiode op het politiebureau zat. Ik werd in die tijd herhaaldelijk gearresteerd. Ook de opleiding tot rechter mocht ik niet doen. Het is nooit duidelijk geworden waarom niet. Ik voldeed aan alle eisen. Ik heb die opleiding nog aangeklaagd bij de rechtbank. Later stuurden ze nog een brief naar mijn huisadres, dat ik in het gelijk gesteld was. Maar toen was ik het land al uit.”

Stadse jongen

Na zijn studie werd Yesilgöz advocaat van TÖB-DER, de linkse onderwijsvakbond, en van DISK, de linkse vakcentrale. In 1980 greep het leger de macht. Alle politieke partijen werden ontbonden, de vakbonden gesloten, er vonden massale arrestaties plaats. Over de radio werden lijsten met namen opgesomd van mensen die gezocht werden. Yesilgöz' naam was er ook bij en hij besloot te vluchten.

Drieëneenhalf jaar verbleef hij in de bergen van Iraans en Iraaks Koerdistan, lopend van dorp tot dorp, vluchtend voor raketaanvallen en bombardementen van de troepen van Khomeiny en Saddam Hoessein. Uiteindelijk kwam hij in 1984 naar Nederland. “Het was een zware tijd geweest. De oorlog, natuurlijk. Maar ook de aanpassing aan de levensstijl van de Koerdische boeren met wie ik leefde. Geen enkel comfort, geen kranten, geen drank. Heel leerzaam. Ik heb de Koerdische cultuur van nabij meegemaakt en ik heb er ook eindelijk goed Koerdisch leren spreken. Maar voor een stadse jongen was het zwaar.

“Nu kwam ik weer in een cultuur die ik goed kende, dacht ik. Ik was toch ook modern, Europees georiënteerd. Pas de laatste jaren realiseer ik me hoe anders het hier is.” Zacht: “Mijn conservatieve landgenoten hebben het altijd over de eenzaamheid in de Westerse wereld. Vroeger vond ik dat een cliché-opvatting, maar ik moet ze nu toch gelijk geven. Iedereen is hier eenzaam, bewust eenzaam. Ik ook. Natuurlijk heb ik hier goede vrienden en is mijn gezin hier. Maar iedereen heeft onzichtbare muren rondom zich opgetrokken. Delen - emoties, materiele dingen - bestaat niet. Maar ik moet zeggen: ik ben me gaan hechten aan die eenzaamheid. Ik bewaak mijn eenzaamheid angstvallig. Ik zou in Turkije niet meer kunnen wennen. Het leven daar is een jungle. Je moet steeds alert zijn, vechten. Hier is rust. Hier kun je werken.

In zijn beginjaren in Nederland werkte Yesilgöz vrijwillig bij de universiteit van Utrecht. Hij schreef en hield lezingen over de belabberde mensrechtensituatie in Turkije en over de Koerdische kwestie. Dat werd niet op prijs gesteld door de Turkse overheid. De Turkse ambassade hield hem angstvallig in het oog. “Ik zou tijdens een lezingendag iets vertellen over de mensenrechten in Turkije. De ambassade had twee mannen gestuurd om te verhinderen dat ik daar zou spreken. Ik heb het verhaal toch gehouden. Een dag later kreeg het College van Bestuur een brief van de ambassadeur dat ik een terrorist was, een gevaarlijke separatist, en dat het hoog opgenomen zou worden als ik daar nog een keer sprak. Waar ik ook optrad, voor welke krant ik ook schreef, steeds volgden er brieven van de Turkse ambassade. Nu zijn ze er mee opgehouden. De meeste Nederlanders trokken zich er niets van aan. Daar ben ik heel dankbaar voor.

“Waarom de ambassade zich zo druk maakte over mij? Het zal er mee te maken hebben dat de dingen die ik beweer goed gefundeerd zijn. Daar zorg ik voor, omdat veel mensen om de hoek staan te wachten om me op fouten te betrappen. Maar dat is ze in al die veertien jaar niet gelukt.”

Liefdesbrieven

De laatste jaren schrijft Yesilgöz niet veel meer voor de krant. “Er zijn nu genoeg deskundigen die dat kunnen doen. Toen ik hier pas was, wist nog bijna niemand wie de Koerden waren. Ik vond het mijn taak om die informatie te verstrekken. En ja, als ik eerlijk ben, ik voelde ook wrok tegen Turkije. Ik had de behoefte om de wereld te vertellen uit wat voor land ik kwam. Nu voel ik eerder verdriet, of medelijden. Dat land leeft nog steeds in de geschiedenis. Turkije kan het niet verkroppen dat het niet meer zo groot is als het was, kan eenvoudigweg niet accepteren dat het een Derde-Wereldland is. De hele wereld is hun vijand, maar zíj zijn superieur - dat wordt de inwoners van Turkije met de paplepel ingegoten. Tragisch, maar mijn behoefte om het land aan de kaak te stellen is weg.”

Na een lange stilte: “In mijn vrije tijd schrijf ik liefdesbrieven. Gewoon, aan iedereen, aan niemand. In het Turks. Turks is een prachtige taal als je hem goed gebruikt. In een van die brieven heb ik het er over hoe heerlijk het is om mooi te schrijven. Hoe ik dat vroeger graag deed. Hoe ik me hier in Nederland ook voortdurend met taal bezighoud, maar dan met een woordenboek erbij. Dieetkoken, noem ik mijn schrijven in het Nederlands. Zonder smaak of kraak. Anderen voegen de kruiden en het zout toe. Dat doet pijn.

“Of ik nog naar Turkije zal gaan, weet ik niet. Ik heb laatst eens door een bevriende advocaat daar laten uitzoeken of ik eigenlijk nog gezocht werd. Toen bleek dat ik niet meer gezocht werd voor mijn activiteiten daar, maar wel voor mijn activiteiten hier. Ik durf niet.

“De verschijning van ons boek zal me er niet populairder maken. De Turkse ambassade liet weten dat de inhoud van het boek 'misleidend en onjuist' is. Misschien wordt het in Turkije totaal genegeerd, zoals het rapport-Van Traa. Toen verscheen er alleen een klein berichtje in de Europese edities van de Turkse kranten, terwijl de Turkse autoriteiten alles op de voet volgden. Bij de persconferentie was alleen iemand van de Milliyet aanwezig, terwijl we toch alle Turkse media hadden uitgenodigd.”