Spieken

In 1912 besprak H.W.J. Kroes in een onderwijskundig weekblad een boek over de taal van Duitse schooljongens. Hij was bij toeval in dit onderwerp geïnteresseerd geraakt. Kroes was leraar Duits op een HBS in Rotterdam. Zijn leerlingen gebruikten het woord spieken voor 'afkijken' en 'heimelijk afschrijven'. In een Duits 'romannetje', dat speelde in München, was Kroes het woord Spickzettel tegengekomen voor 'spiekbriefje'. Hij vroeg zich af of dit hetzelfde woord kon zijn.

In de Duitse studie over schooljongenstaal, samengesteld door R. Eilenberger, trof Kroes niet alleen spicken en Spickzettel aan, maar ook Spicker en Spickage. Bovendien bleken er nog veel meer woorden voor 'afkijken' en 'heimelijk afschrijven' te bestaan. Eilenberger vermeldde er in totaal 28, plus tien voor 'spiekbriefje'.

Een en ander bracht de Rotterdamse leraar op het idee om deze woorden eens voor het Nederlands te gaan verzamelen. Hij riep de lezers van het onderwijzersblad op om hem materiaal toe te zenden en deed zelf alvast een duit in het zakje. Hij somde de woorden op die hij na enig rondvragen bij elkaar had gesprokkeld voor onder andere 'spijbelen', 'blijven zitten', 'blokken' en 'herrie maken' - kortom, de schooltaal van onze overgrootouders. Voor 'afkijken' kende Kroes vijf woorden: in Holland zei men spieken of spieren, in Overijssel smokkelen, in Groningen fielten en in Soerabaja tikken.

Kroes kreeg veel reacties op zijn oproep. Scholen en academies uit Alkmaar, Breda, Den Haag, Schiedam en Leiden stuurden hem - soms uitgebreide - lijsten toe. Op basis daarvan schreef Kroes een korte reeks alleraardigste artikelen, die ten onrechte helemaal zijn vergeten, want er staan verschillende verrassingen in.

De grootste verrassing betreft het woord spieken, een begrip dat deze week, nu de schoolexamens weer beginnen, extra vaak zal klinken. Spieken is, zoals gezegd, een schoolwoord. Nu weten we van maar heel weinig woorden door wie ze zijn verbreid of bedacht. Als we dat wel weten gaat het meestal om woorden die door wetenschappers of schrijvers in omloop zijn gebracht. Bij woorden uit de school- of jongenstaal weten we dit eigenlijk nooit. Behalve dan - dankzij Kroes - van spieken.

Uit Breda kreeg Kroes te horen dat 'afkijken' daar stechelen werd genoemd, in Sneek sprak men van kiepen. Een Rotterdamse collega schreef dat omstreeks 1885, in zijn eigen schooltijd, smokkelen nog het gewone woord was, maar toen hij in 1895 in de havenstad terugkeerde, was dit verdrongen door spieken. Dat bleek ook het geval in Zwolle. Waar was dat spieken opeens vandaan gekomen? Een brief uit Leiden bracht het verlossende woord. In de tweede helft van de negentiende eeuw werkte daar een leraar Duits wie de vermaning “nicht spicken” in de mond bestorven lag. “Vanuit Leiden zou dan het woord sedert ca. 1880 zijn zegetocht door 't land gehouden hebben. Zeker is, dat 't woord zich vanuit 'Holland' verbreid heeft”, aldus Kroes.

Kroes noemt ook de naam van de leraar, namelijk Sicherer. Hij weet over hem niet meer te melden dan dat hij mogelijk uit Zuid-Duitsland afkomstig zou zijn.

Welnu, C.A.X.G.F. Sicherer (1807-1886) kwam inderdaad uit Zuid-Duitsland. Hij werd in Rottweil in Württemberg geboren en was als gouverneur van de kinderen van een Nederlandse generaal naar ons land gekomen. Hij eindigde zijn loopbaan als lector aan de Leidse universiteit en als leraar in de Duitse taal- en letterkunde aan het gymnasium en de HBS in Leiden.

Sicherer was een redelijk bekende man. Hij stelde een spraakleer en enkele schoolboeken samen, schreef kritieken voor De Gids en publiceerde in 1869 een curieuze, breedsprakige lofzang op Holland onder de titel Lorelei. Plaudereien über Holland und seine Bewohner. Daarnaast maakte hij samen met A.C. Akveld een indertijd bejubeld Duits vertaalwoordenboek.

Voor zover bekend zijn er in Nederland slechts drie brieven van Sicherer bewaard gebleven, maar een daarvan gaat toevallig over het samenstellen van dit woordenboek. Op 27 maart 1875 schreef Sicherer aan de Amsterdamse letterkundige Taco H. de Beer dat hij geen tijd had om hem met iets te helpen, omdat hij het zo vreselijk druk had met het deel Nederlands-Duits. “Was het gegaan zooals ik mij bij het aanvaarden van die zaak had voorgesteld, dat namelijk het Woordenboek van De Vries en Te Winkel mij telkens een paar afleveringen vóór was en ik in wezen hun woordenboek slechts in het Duitsch behoefde te schrijven, dan was het werk een kinderspel, maar nu ik zelf eerst een Hollandsch woordenboek moet fabriceren en de geheele phraseologie bijeen schrapen, want die magere Van Dale helpt mij ook bitter weinig, nu mag ik aan niets anders denken. Alle morgen, die God geeft, klokslag 8 uur komt de jongen van de drukker om 'kopij' en moeten zetter en drukker geregeld kunnen doorgaan, dan moet ik zorgen dat ze weer een voldoende dot hooi in de ruif hebben om er een dag aan te plukken. En een jaar heeft 365 zulke dagen. (...) Maar genoeg. Mijn woordenboek kijkt mij al lang genoeg scheef aan, dat ik het zo lang verwaarloos.”

Nam Sicherer in het deel Nederlands-Duits het woord spieken op? Nee. Afkijken wel, maar niet in de hier bedoelde betekenis. In het deel Duits-Nederlands ontbreekt spicken echter niet. Hij geeft alleen de oorspronkelijke betekenis, namelijk 'spekken, larderen, vullen'. Spekken is 'met spek doorrijgen' en werd overdrachtelijk gebruikt voor 'met gestolen gedachten zijn werk opsieren, afschrijven, afkijken'. Mogelijk is ook het Latijnse (con)spicere '(ergens heen) kijken' van invloed geweest.

Er zijn na het artikel van Kroes nog enkele andere woorden voor 'afkijken' opgetekend, zoals het beeldende naplakken, het sjieke tricheren en het Roermondse foetelen. Maar de zegetocht van spieken, begonnen aan de HBS en het gymnasium in Leiden, was niet meer te stuiten. Wie goed luistert kan het Sicherer nog horen bulderen: “Nicht spicken!” Ook toen zullen de leerlingen zich er weinig van hebben aangetrokken.