Mof

De geschiedenis van het woord mof bevat verschillende verrassingen. In de eerste plaats is het veel ouder dan menigeen denkt. Ik weet niet hoeveel ouderen menen dat mof van de Tweede Wereldoorlog dateert, maar een kleine steekproef leert dat er nogal wat jongeren zijn die dit denken. Zij zitten er ongeveer 366 jaar naast, want mof is in 1574 voor het eerst opgetekend. Een tweede verrassing is dat wij dit woord uit het Duits hebben overgenomen.

Het lijkt een beetje vreemd om een scheldnaam voor 'Duitser' uit het Duits te lenen, maar toch is het zo. Onder Duitse soldaten was muff indertijd een scheldwoord voor knorrepot, mopperaar, iemand die onbeleefd, ongemanierd en zwijgzaam is. Zo iemand noemden zij ook een muffmaff. Wij verbonden deze woorden al snel met de bij uitstek Duitse voornaam Hans, wat combinaties opleverde als Hans Mof, Hans Mofmaf, Hans Mifmaf, Hans Mafmaf en Hans Moefmans; allemaal scheldwoorden die eind zestiende, begin zeventiende eeuw in het Nederlands te vinden zijn.

Waren hier toentertijd dan zoveel Duitsers? Dat was inderdaad het geval. In de Gouden Eeuw had Holland een groot gebrek aan vakbekwame arbeiders. Tegelijkertijd woedde in Duitsland, van 1618 tot 1648, de 30-jarige oorlog. Een en ander leidde ertoe dat duizenden geschoolde arbeiders, vooral stucadoors, kleermakers, (suiker)bakkers en slagers, naar Holland emigreerden. Daarnaast trokken nogal wat marskramers de grens over. Bovendien kwamen jaarlijks duizenden ongeschoolde seizoenarbeiders uit Duitsland hierheen, vooral uit Westfalen. Zij bleven gemiddeld drie maanden en verdienden hun relatief hoge loon voornamelijk met grasmaaien en turfsteken. Omdat grasmaaien zo'n belangrijke plaats innam, werden ze wel hannekemaaiers genoemd, waarbij hanneke een verbastering is van 'Hannes'.

De Duitsers hadden hier geen goede naam, maar we dachten toen heel anders over ze dan nu. De hedendaagse vooroordelen over stipte, gedisciplineerde, hardwerkende en oorlogszuchtige Duitsers dateren pas uit de tweede helft van de negentiende eeuw. In de vakliteratuur wordt dit het 'Pruisische cliché' genoemd. Van de zestiende tot het begin van de negentiende eeuw werd bij ons het beeld van 'de Duitser' echter bepaald door cliché-opvattingen over mensen uit Beieren. Duitsers werden in die periode niet alleen uitgemaakt voor mof en hannekemaaier, maar ook voor knoet, (gras)poep, mier, bovenlander, pikmaaier en spekvreter.

We weten zoveel over de beeldvorming over Duitsers omdat er in de zeventiende en achttiende eeuw een stuk of twintig 'moffenkluchten' zijn geschreven. De afgelopen decennia zijn daar studies over gepubliceerd door W.A. Ornée, H. Mertens-Westphalen en Leo Lucassen. Het gaat om kluchten van Isaac Vos, Samuel Coster, Thomas Asselijn, Pieter Langendijk en Pieter Bernagie, met titels als 'De gelukte list, of bedrooge mof', de 'Klucht van de Moff', de 'Klucht van de Moffin' en 'De dwaalende Moff'. Deze stukken waren buitengewoon populair, meer nog dan toppers van Vondel en Bredero. Bovendien deden allerlei anekdotes de ronde over oliedomme en bezopen hannekemaaiers. Bijvoorbeeld over enkele poepen die de weerspiegeling van de maan in een slootje aanzien voor een emmentaler, en natuurlijk in het water donderen.

Maar voor onze beeldvorming over de Duitsers zijn de kluchten belangrijker geweest dan de grappen en grollen. De namen van de hoofdpersonen spreken al boekdelen. We hebben er te maken met Baron de Ossekop, Hans Koekop, Robbert Leverworst, Wessel Keutel, Wessel Poep, Hans Yzerfresser, Hans Zwetser, Herr von Poederenstein en Olaf Harmensz. Propdarm. Die laatste twee zijn kwakzalvers, dat zal duidelijk zijn.

De 'moffen' verbeelden bijna altijd dezelfde typetjes. Het zijn huwelijksbeluste kwakzalvers die zich voor edellieden uitgeven en die tegen het eind van de klucht worden ontmaskerd - meestal door een nuchtere Hollandse dienstmeid. Het zijn domme, bedelende hannekemaaiers of soldaten en zeelui die schaamteloos over hun heldendaden opscheppen. De 'moffin' deugt nooit, of ze nu een echtgenote, stiefmoeder, grootmoeder of koopvrouw is. De 'moffen' spreken altijd een zonderling nep-Duits dat het bij het Amsterdamse publiek goed schijnt te hebben gedaan. Zo laat Langendijk in 1712 Hans de Zwetser, die net als veel andere 'moffen' een afstotelijk gezicht heeft, zeggen: “Ich haab durch myn' gesicht, ein kompanjie Franceezen/ Doen laufen, phoe!, pha! phoe! er liefen wie dem wind.”

Vooral de hannekemaaiers zouden volgens onze kluchtschrijvers vreselijk hebben gestonken. Zo laat Thomas Asselijn in 1684 een van zijn personages over de Westfaalse grasmaaiers zeggen: “Ze stinken of ze in gien zes dagen uit de bolster [beddegoed] benne geweest.”

Of deze negatieve beeldvorming tot beperkende maatregelen heeft geleid, daar zijn de deskundigen het niet helemaal over eens. Volgens de een zijn er in Holland verschillende resoluties uitgevaardigd waarmee maaiers, turfgravers, dekenventers en ketellappers werden geweerd. Maar volgens de ander is er nooit sprake geweest van grootscheepse of van overheidswege gesteunde discriminatie. In 1760 riep een Amsterdams spectatoriaal tijdschrift op de Duitsers net als de joden in een getto onder te brengen, in een speciale 'Moffenwijk' - iets wat ons nu erg wrang voorkomt. Maar deze oproep vond helemaal geen gehoor, want in feite lukte het de Duitse immigranten om snel te assimileren. Zij waren geliefde huwelijkspartners en sommigen - zoals Brenninkmeijer, Vroom, Dreesmann en Cloppenburg - hadden veel succes in zaken.

Er is nog iets in de geschiedenis van het woord mof dat mij verraste: wij gebruiken het nu alleen als scheldnaam voor Duitser, maar aan het begin van deze eeuw gebruikten de Hollanders mof ook voor iemand uit Gelderland, Overijssel of domweg voor iemand uit de provincie. Er is zelfs een tijd geweest dat men van een Franse mof kon spreken. Mof was toen even een erg vaag scheldwoord. Wat dat betreft is er sinds de Tweede Wereldoorlog een hoop veranderd.