Kunst in vrijheid

Het Rijksmuseum organiseerde direct na de bevrijding de tentoonstelling Weerzien der meesters. Rembrandts, Vermeers, Jan Steens en andere topstukken waren al in '39 in veiligheid gebracht voor eventueel oorlogsgeweld. Na zes jaar keerden ze terug uit de onderduik. Voor veel mensen was het een emotioneel weerzien.

De oude meesters werden op de voet gevolgd door de nieuwe. September '45: Kunst in vrijheid. Heel de bovenverdieping van het museum werd ingeruimd voor kunstenaars die zich nooit met de Duitsers hadden afgegeven, die níet bij de Cultuurkamer waren gegaan. Van Paul Citroen tot Jan Wiegers, een prachtige rij veelzeggende namen (om over de nietszeggende maar te zwijgen). Uiteindelijk kwamen er meer dan 1.100 kunstwerken te staan, te hangen.

De ene krant constateerde een toename van het abstracte, 'wat niet verbazen kan, als men de al te nuchtere werkelijkheid bedenkt waarin wij gedwongen waren te leven'.

De andere juist een terugkeer naar het naturalisme: 'Het extreme neemt op deze expositie een betrekkelijk bescheiden plaats in. De tijd voor het experiment schijnt voorbij.'

Jonkheer Sandberg was er niet kapot van. Volgens een boekje over de historie van het Stedelijk, waar hij najaar '45 net tot directeur was benoemd, bekeek hij de tentoonstelling aan de overkant van het Museumplein met wrevel. 'Was dit nu waar men na een wereldoorlog naar uitzag? Hij zag slechts een voortgaan op gebaande paden, een enorme schouw van werken, meest figuratieve landschappen en stillevens.'

In oktober werd de expositie verlengd, én nog eens uitgebreid. Er kwam toen ook werk van koningin Wilhelmina te hangen, drie olieverfjes uit haar Londense tijd. Ja, als iemand goed was geweest, was zíj het wel.

Zo werd het '46. Uit het jaarverslag blijkt dat het in het Rijksmuseum indertijd zinderde van de verbouwingsplannen. Het gebouw inmiddels zestig jaar in gebruik, de interieurs dringend aan vernieuwing toe. Het moment leek geschikt: de eigen collectie was nog grotendeels afwezig of in reorganisatie. Het moment bleek ongeschikt: er heerste een nijpend gebrek aan bouwmaterialen. Uiteindelijk kon alleen de Drucker-uitbouw, dat wat nu de Zuidvleugel heet, worden gemoderniseerd.

'In overleg met de Amsterdamse politie', aldus dat jaarverslag, 'werden verbeterde beveiligingsmaatregelen overwogen; o.m. werd geadviseerd tot het aanbrengen van natriumverlichting in de tuin. Nog in het verslagjaar werd een proefverlichting aangebracht.'

Het carillon, dat door het uitvallen van tonen een onherkenbaar deuntje voortbracht, kon in februari '46 worden verstoken. 'Tevens werd overgegaan tot het electrificeren van het uurwindwerk in de klokketoren.'

Veel zorg baarden de voortdurende lekkages, 'die bij de bestaande methode van dakbedekking onvermijdelijk schijnen.'

En ergens in een bijzinnetje wordt gewag gemaakt van een Cultureel Accoord, gesloten tussen de regeringen van Nederland en België. Dat illustreert nog eens hoe voortvarend men bezig was de samenleving weer op de rails te zetten. Een cultureel akkoord (of wat voor akkoord dan ook), daar doen ambtenaren en bewindslieden tegenwoordig jaren over; dat werd toen in een handomdraai geregeld. Eerst maar eens aan het werk, redeneerden de mensen, de trauma's zien we later wel. En daar kun je veel van zeggen, maar níet dat het andersom beter was geweest.

Afijn, in het kader van dat akkoord ging Van Jeroen Bosch tot Rembrandt naar Brussel en kwam Van Jan van Eyck tot Rubens naar Amsterdam. Tussen 23 maart en 18 mei 1946, in acht weken tijds, bracht deze expositie bijna 82.000 bezoekers naar het Rijksmuseum.

Tienduizend mensen per week, in een land waar nog lang niet alle bruggen waren hersteld, waar het openbaar vervoer nog lang niet op streek was.

Met medewerking van de Franse regering volgde in november van dat jaar de expositie Wandtapijten der Franse kathedralen en paleizen en de tapijtweefkunst van heden. Meer dan honderdduizend bezoekers in minder dan twee maanden.

Het jaarverslag: 'De tentoonstelling had vooral de laatste weken een dusdanige toeloop, dat deze bij de ouderwetse en te kleine ingang niet verwerkt kon worden en de vorming van lange files tot gevolg had.'

Voor wándtapijten, vraag je je dan af. Maar het waren wel stukken waarvoor je nu naar Frankrijk moet, die je nu nooit van z'n leven meer van een museum zou loskrijgen, net zomin als het Rijksmuseum ooit de Nachtwacht in bruikleen zou geven. Het is alsof de koortsachtige reislust die toen, na de oorlog, was vaardig geworden over de mensen, zich ook van de klassieke kunstwerken had meester gemaakt.

En zelfs de zomerexpositie, aanwinsten uit de periode '40-'46, trok 83.902 bezoekers. Terwijl er in die jaren toch echt niet veel bijzonders was aangewonnen. 'Ten gevolge van de Duitse concurrentie', meldt de bijbehorende catalogus droogjes, 'was het niet mogelijk zeer kostbare objecten aan te kopen'.

Wat verder opvalt in dat jaarverslag over '46: dat jonkheer Roëll, directeur van het Rijksmuseum, enige tijd afwezig was. Hij moest naar de Verenigde Staten om 'aldaar de toestand op te nemen van de zes schilderijen, waaronder de Keukenmeid van Vermeer, welke in 1939 in bruikleen waren afgestaan voor de World's Fair te New York en sindsdien, in verband met het uitbreken van de oorlog, in Amerika waren gebleven.'

Niettegenstaande allerlei vervelende geruchten, werden de betreffende werken in goede staat aangetroffen. Voor de terugreis stelde de Amerikaanse regering het oorlogsschip Adria beschikbaar. Op 18 december arriveerden de schilderijen veilig en wel in het museum. De volgende dag kregen de officieren van het Amerikaanse schip een diner aangeboden in het Amstelhotel.

De Keukenmeid van Vermeer, beter bekend als het Melkmeisje. Laten we, nu we toch in de buurt zijn, even bij haar langsgaan.

Ook zij is in de tussentijd een halve eeuw ouder geworden. Maar haar is het niet aan te zien. Ze staat erbij alsof ze gisteren pas geschilderd is. Zo sereen, zo in zichzelf gekeerd.

'Een schilderij over zuiverheid', zeg ik.

'Een schilderij over beheersing', zegt de conservator.

Heel dat meisje geconcentreerd op het uitschenken van precies de gewenste hoeveelheid melk.

Nu je het weet, zíe je het ook. Zij heeft de oorlog niet meegemaakt. Haar vertrouwen - in zichzelf, in de wereld - is ongeschokt.