Aandacht voor leraar

De leraar in Nederland staat er slecht op. Hij wordt vaak getypeerd als een zielig hoopje mens. De hedendaagse jeugd heeft de naam vervelend te zijn, dat maakt lesgeven zwaar. Zo ontstaat het beeld van de afgetobde docent, die inert in zijn lokaal zit terwijl leerlingen proppen schieten.

Zoals vaak met makkelijke beelden, gedeeltelijk zijn ze juist. Dat van die jeugd valt overigens wel mee. Jongeren zijn door de bank genomen redelijk braaf. In hun betaalde bijbaantje accepteren ze zonder tegensputteren wat de chef zegt. Op school zijn ze eigenlijk niet anders. Met de leraar is echter wel iets aan de hand, hij heeft aan kracht ingeboet. Bezuinigingen worden hiervoor meestal verantwoordelijk gesteld, maar dat is slechts de halve waarheid. Een nieuwe minister die straks een miljard over de sector uitsproeit, verdooft de pijn, maar heelt niet. Hij gaat dan namelijk voorbij aan een veel groter probleem, de onduidelijkheid over positie en plaats van de onderwijsgevende. De leraar bevindt zich in een diepe identiteitscrisis en dat is kwalijk. Kinderen leren maar één ding van iemand die in de war is: zo moet je nooit worden. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de lerarenopleidingen bij het oud vuil staan. Beleidsmakers mogen zich dit aanrekenen, door hun zwalkend leiderschap zijn docenten van de weg geraakt. Scholen zijn alle kanten tegelijk op gestuurd, met als gevolg dat iedereen maar wat aanrommelt. Onderwijskundig en organisatorisch hebben leraren te veel tegenstrijdigheden over zich heen gehad. Hun energie is verdwenen. Een willekeurige greep uit de verwarring van het afgelopen jaar. Het basisonderwijs wordt blij gemaakt met klassenverkleining. Vreugde die snel weer verdwijnt als blijkt dat er niet voldoende personeel en ruimte voorradig is om de mooie plannen uit te voeren. Vervolgens gaat het onderwijs aan de computer. De minister maakt geld vrij, haakt in op de moderne tijd, op elke tien leerlingen komt een apparaat. Na ontdekking van een rekenfoutje kan ook dit plan de ijskast in. Dan maar de hele bovenbouw van het Havo/VWO vernieuwen. De Tweede Fase wordt ingevoerd. In welk jaar mogen scholen zelf weten, wat ook geldt voor de concrete invulling. Een studiehuis waar leerlingen zelfontdekkend, de vakoverstijgende vaardigheden aanleren zou aardig zijn, maar hoeft niet. Een studiehuis maakt wel omscholing van docent naar begeleider noodzakelijk. Hiervoor reserveert de staatssecretaris twee uren per week. Het geld ter financiering van dit plan komt niet op de plek van bestemming aan, dan maar geen scholing. Dat is niet zo erg, want dezelfde staatssecretaris heeft onlangs laten weten dat al dat eigentijdse gedoe haar wat te veel wordt. Onder haar verantwoordelijkheid werd geschiedenis een vaag algemeen vormend vak, dat niet van maatschappijleer te onderscheiden valt. Inmiddels is ze daar van teruggekomen, historici mogen weer ouderwets feitjes stampen. Ook bij de arbeidsvoorwaarden regeert vaagheid. De bonden hebben succesvol actie gevoerd tegen de te hoge werkdruk. De eisen zijn ingewilligd, maar toch kunnen rectoren met handig rekenwerk een leraar meer dan de afgesproken 26 lessen laten geven. Collectieve bescherming van personeel is uit. Op een flexibele wijze optimaliseren van individuele kwaliteiten ten bate van de organisatie, is modern. Niks is zeker, alles is twijfel. De leraar is dolende op zijn steeds maar groter wordende school. Het onderwijs is net een losgeslagen huishouden. Pa Ritzen is sigaretten halen en blijft wel erg lang weg. Ma Netelenbos paradeert in de stad en heeft een briefje met tips voor het huishouden achtergelaten. De oudste kinderen maken ruzie over de inhoud van het schrijven, de jongsten moeten het werk doen, maar kunnen het niet aan. U krijgt mijn steun als u dit gezin, nieuwe, liefdevolle ouders bezorgt.