Ethische biografie over Hendrikus Colijn; Hardvochtige boerenzoon uit de Haarlemmermeer

Hendrikus Colijn is de geschiedenis ingegaan als adjudant van Van Heutsz in de Atjeh-oorlog en als de premier die het Nederlandse volk eind jaren dertig bezwoer dat het rustig kon gaan slapen. In het eerste deel van een omvattende Colijn-biografie belicht de historicus Herman Langeveld de wrede kant van deze politicus uit de Haarlemmermeer.

Herman Langeveld: Dit leven van krachtig handelen. Hendrikus Colijn 1869-1944. Deel 1: 1869-1933. Balans, 480 blz. 75,-

Leven en werken van de politicus Hendrikus Colijn (1869-1944) blijven een thema van tegenspraak; ook nu, een halve eeuw na zijn dood in Duitse ballingschap. In hem komen deugden en ondeugden samen, die als zodanig typerend zijn voor een tijdgeest in de eerste helft van de twintigste eeuw. Soldateske dapperheid en hardvochtigheid, waarvoor hij werd geridderd en verguisd; het zelfvertrouwen en de zelfgenoegzaamheid van de klimmer in de maatschappij, die ten slotte zijn eigen fortuin maakt; de magie en het paternalisme van de voorman, die zijn wortels vond in een achterban van orthodoxe kleine luyden en die voor hen een groter aandeel in staat en maatschappij opeiste.

Colijn leeft in de collectieve herinnering voort als een autoritaire dan wel vaderlijke staatsman, die het vaderland en zijn carriere gelijkelijk heeft gediend. Hij was rond de eeuwwisseling militair en bestuurder in Nederlands-Indie in de imperialistische periode, waarin het koloniale gezag tot in de uithoeken van de archipel moest worden gevestigd. Na terugkeer in Nederland in 1909 mengde hij een politieke loopbaan met die van succesvol zakenman bij bijvoorbeeld de Koninklijke Shell. Als minister was hij zowel in de economische crisis na de Eerste Wereldoorlog als tijdens die van de jaren '30 telkens verantwoordelijk voor een hardvochtige dan wel onontkoombare bezuinigingspolitiek. Als sterkste beeld resteert dat van een gezagdrager, die het Nederlandse volk aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog vertelt, dat het rustig kan gaan slapen.

Bazigheid

De tegenstrijdigheden zijn hier opzettelijk genoemd. Colijn was niet voor een gat te vangen, ook niet in de beoordeling van zijn persoon. Wie zijn opkomst als politicus wil begrijpen, kan niet volstaan met een verwijzing naar zijn geldingsdrang. Hij werd om zijn bazigheid evenzeer bewonderd als bestreden. Er was een publiek voor Colijn en er kwam publieke steun. Omdat hij het populaire handwerk verstond en zijn gehoor in eenvoudige en didactisch wel gekozen bewoordingen naar zich toehaalde maar bovenal, omdat in de cultuur van zijn dagen de retoriek van de voorman en het paternalisme van de ambtsdrager werden gewaardeerd.

Colijn was van boerenzoon in de Haarlemmermeer grotendeels op eigen kracht opgeklommen tot het hoogste politieke ambt in de staat; de allereerste minister-president in Nederland met deze achtergrond. Daarom kon hij worden bewonderd. Hij was bovendien een zoon van de Afscheiding, het orthodoxe protest van 1834 tegen een vrijzinnige elite in de Nederlandse Hervormde Kerk. Omdat zijn grootouders door de marechaussee van Willem I in hun eigen kerkdienst waren gehinderd, kon de opkomst van deze gereformeerde politicus in zijn achterban ook worden gezien als de victorie van de eens vervolgden.

Colijn had zijn maatschappelijke succes kunnen behalen door een carriere in Nederlands-Indie. Daar was hij militair gelauwerd en daar had hij zich onderscheiden als adjudant van de 'held van Atjeh', Van Heutsz. Als bestuurder had hij de gehele archipel bereisd, van Sabang tot Merauke, en was een kroongetuige geworden van wat westerse ingenieurskunde en ondernemingszin vermochten. De tijd was ernaar om zulke imperialisten te belonen. Niet alleen koningin Wilhelmina deed dat maar ook een publieke opinie. En het electoraat in Sneek, waar de Antirevolutionaire Partij, die hem in 1909 kandideerde voor de Tweede Kamer, de afwezige alleen verkoos om zijn koloniale reputatie.

Colijn was uit op zakelijk gewin en schroomde niet zijn politieke functies daarvoor te gebruiken. Hij achtte deze uitbating van zijn koopmanstalent niet in strijd met zijn christelijk-gereformeerde overtuiging, integendeel. In dat opzicht was hij een representant van een burgerlijke religie, waarvan de ethiek was bepaald door de opdracht om met de eigen gaven naar vermogen te woekeren en waarin de individuele voorbestemming of goddelijke voorzienigheid werd afgemeten aan het welslagen daarvan. Ook in dat succes ondervond hij niet louter weerstand bij zijn achterban. De gefortuneerde Colijn toonde zich bovendien in eigen kring een weldoener.

Een nieuwe en belangrijke bijdrage aan de kennis over Colijn levert de historicus Herman Langeveld met zijn deze week verschenen eerste deel van een biografie onder de titel Dit leven van krachtig handelen. Het boek is het vierde in de serie van geslaagde biografieen, die door het Prins Bernhard Fonds zijn gesubsidieerd (over Herman Gorter, over Henriette Roland Holst en over Wilhelmina). Langeveld promoveerde eerder op een studie over de Christelijk-Democratische Unie, een vooroorlogse afsplitsing van de Antirevolutionaire Partij, die ook opponeerde tegen Colijns bezuinigingspolitiek. Langeveld is in dubbel opzicht gewetensvol: beroepsmatig en naar de maatstaf van een algemene ethiek. Zorgvuldig is hij in het onderzoek van de feiten. Ethisch vooral in zijn kritiek op Colijns ondeugden waaronder zijn hardvochtigheid en geldingsdrang niet de minste waren.

Het eerste bewijs van Langevelds historische waarheidsvinding staat op de eerste bladzijde van het eerste hoofdstuk. Hendrikus liet, toen hij minister was geworden, zijn stamboom natrekken en meldde voortijdig, dat hij afstamde van Pieter Colijn, een Amsterdamse burgemeester die in 1535 was vermoord. Diens (roomse) zinspreuk Christus mea petra (Christus mijn rots) nam hij voor zichzelf over. In het onderzoek kon een dergelijke verbinding met de regenten-elite tenslotte niet worden aangetoond. De familie had en hield haar wortels in het Land van Heusden en Altena. Zo'n voorkeur voor een mythische uitvergroting heeft hij zijn hele leven getoond. Langeveld heeft er verscheidene in zijn boek behandeld, oude en nieuwe mythen.

Bedrijfsleven

Streng is de biograaf vooral in de behandeling van het zakelijke in Colijns leven en werken: zijn nauwe en eigenlijk onbewimpelde behartiging van de belangen van het koloniale bedrijfsleven. Over zijn betrokkenheid bij de directie van een Landsyndicaat, die meer gronden in Nederlands-Indie wilde verwerven dan wettelijk was toegestaan, is al gepubliceerd in de periode van zijn eerste ministersambt op het departement van Oorlog (1911-1913). Met name zijn persoonlijke olierijkdom wordt in deze biografie gedetailleerd uit de doeken gedaan. Zijn zakelijk instinct bracht hem ertoe compensatie te zoeken voor de toen nog betrekkelijk lage honoraria als Tweede Kamerlid en minister. Hij vond die door zijn Indische bestuurservaring en politieke connecties te koop aan te bieden. De Koninklijke Shell ging op deze uitnodiging in.

Uiteindelijk werd hem de combinatie van zakenman en politicus fataal. Toen hij in de periode tussen 1918 en 1922 in de strijd om de olieconcessies in Djambi (Sumatra) de belangen van de Koninklijke moest behartigen, was hij tevens voorzitter van het Antirevolutionair Centraal Comite. Hij trachtte zijn partijgenoot Idenburg, minister van Kolonien, te bewegen tot een voor de Koninklijke gunstige beslissing en deed dat opnieuw bij een Indische bestuursambtenaar, Simon de Graaff, die op zijn voorspraak in 1919 tot Idenburgs opvolger werd benoemd. Maar toen bleek hij te openhartig. Wanneer de president-directeur van Shell, Deterding, ontdekt dat Colijn de minister teveel bedrijfsgeheimen heeft geopenbaard, wordt zijn ontslag als directeur bespoedigd. Op zijn afscheidslunch in 1922 was Deterding demonstratief afwezig.Een onderwerp van Langevelds waarheidsvinding is het feit, dat in de politionele actie op het eiland Lombok in 1894 Colijn zijn positie als commandant heeft overgewaardeerd. Niet hij was de aanvoerder van de derde compagnie, die de aanval op een van de delen van het vorstelijk paleis heeft ingezet, maar de officiele compagniescommandant, de van het ziekbed teruggekeerde kapitein Van den Ende. Deze onthulling wordt gedaan in het begin van een reeks van hoofdstukken over het militaire en bestuurlijke optreden van Colijn in Nederlands-Indie. Zij is ten opzichte van andere onthullingen, die Langeveld hierover heeft te melden, nog de onschuldigste.

Colijn heeft ruimschoots deel gehad aan de militaire expedities en contra-guerrilla in de hoogtij van het Nederlands imperialisme. Hij vocht in 1894 op Lombok; twee jaar later leidde hij contra-guerrilla acties tegen strijders in de binnenlanden van Atjeh, dikwijls op bevel en met goedkeuring van Van Heutsz. Zulke expedities bleven niet verschoond van geweldsexcessen. In 1901 en in 1907 hebben twee christelijke officieren uit gewetensnood over de wreedheden verslag uitgebracht in Nederland. Colijn heeft in opdracht van Van Heutsz het antwoord moeten schrijven op de eerste klacht. Na de tweede is hij bij zijn partijgenoot, minister Idenburg, in de bres gesprongen voor Van Heutsz.

Tot dusver werd aangenomen, dat Colijn in eigen persoon zich niet aan zulke geweldsexcessen zou hebben schuldig gemaakt. In 1899 voerde hij een contra-guerrilla aan vanuit een plaats aan de zuidkust van Atjeh. In 1902 leidde hij een militaire expeditie door de Gajo-landen op jacht naar een plaatselijk bestuurder. Beide keren bleken de gewonde Atjehers op het slagveld te worden gedood, want het Nederlands-Indische leger was afkerig van het maken van krijgsgevangenen. De christelijk-gereformeerde Colijn heeft dit alles onder ogen gezien, maar koesterde tegen het militaire beleid geen gewetensbezwaar.

Langeveld voert als bewijs van dit gedogen een passage aan uit de nota, waarin Colijn de eerste aanklacht van een mede-officier en geloofsgenoot over geweldsexcessen bestreed. 'Ik ben Calvinist, krachtens opvoeding en overtuiging. Nu was het nimmer een kenmerk van den man van Calvinistische belijdenis om zijn kracht te zoeken in stilzitten of weeklagend zuchten.' Colijn beriep zich op de Engelsman Cromwell, 'Calvinist bij uitnemendheid', die zou hebben uitgeroepen: 'Bidt God maar houdt het kruit droog'. De zwaardmacht werd dus niet afgewezen.

Anders is het gesteld met hetgeen Langeveld te melden heeft over de expeditie naar Lombok, Colijns vuurdoop. Hij nam als officier deel aan de aanval binnen het ommuurde en paleisachtige gebouwencomplex van de Balinese vorst in Tjakra Negara. Naar Balinees gebruik vochten ook de vrouwen mee in de verdediging, soms met hun kind op de arm. Nadat de weerstand van de belegerden was gebroken, werden negen vrouwen en drie kinderen, die om genade smeekten, door bajonetsteken van de onder bevel van Colijn staande eenheid Ambonezen gedood. Het is niet duidelijk of Colijn zelf het bevel daartoe heeft gegeven; in ieder geval was hij als bevelvoerende officier in de buurt en dus verantwoordelijk.

Dit feit heeft in de publieke presentatie van de biografie de volle aandacht gekregen. Het is het duidelijkste bewijs van de grondigheid, waarmee Langeveld zijn archiefonderzoek heeft verricht. Het zijn Colijns eigenhandig geschreven brieven aan zijn vrouw en zijn ouders, waarin men van de gebeurtenis kennis kan nemen. Een andere bron heeft Langeveld niet kunnen vinden. De toon is die van een zekere wroeging, met name in de brief aan zijn echtgenote, die er bovendien zelf in de kantlijn aan toevoegt: 'Hoe vreeselijk!'. Maar het incident is tot dusver onbekend gebleven en dat kan ook te maken hebben met de patriottistische stemming, waarin in Indie en Nederland de overwinning in Lombok werd ontvangen.

Langeveld kritiseert vroegere biografen als Rudolf van Reest en George Puchinger, die van deze brieven kennis hebben kunnen nemen maar dit incident niet hebben vermeld. Als vertegenwoordigers van een verzuilde geschiedschrijving hadden zij er voor alles behoefte aan om hem als de voorman in de gereformeerde wereld te laten zien en in dat beeld paste dergelijke wreedheden niet. De eerlijkheid gebiedt om te schrijven dat ook andere historici, die zich om wat voor reden dan ook met Colijn hebben bezig gehouden - zoals deze recensent - dit feit op Lombok is ontgaan. Eerst recent en diepgaand onderzoek in een nu volledig toegankelijk archief kon deze gebeurtenis blijkbaar aan de oppervlakte brengen.

Harde waarheden

Langevelds beoordeling van Colijn is vooral op een zedelijke grondslag gebaseerd. Hij kondigt dat in zijn Inleiding ook aan. Niet langer wil hij de harde waarheden met de mantel van een liefde voor geestverwanten bedekken. Dat harde oordeel wordt vervolgens in verbinding gebracht met het patroon van normen en denkwijzen uit Colijns eigen tijd, dat een verklaring kan bieden voor de relatieve toelaatbaarheid van diens handelen. De consequente zoektocht naar zulke waarheden is Langevelds grootste verdienste. Zij wordt er nog sterker op, wanneer men bedenkt, dat hij dat heeft uitgevoerd bij diezelfde Vrije Universiteit, die Colijn tot haar directeuren rekent en hem in 1930 haar eerste eredoctoraat heeft verleend.

Het valt niet licht om van deze normatieve biografie de schaduwzijde aan te wijzen. De minste is het feit van een onvoltooide levensbeschrijving. Langeveld kwam niet verder dan 1933 en dat betekent, dat de spanning van een compleet portret wordt doorbroken. Belangrijker is evenwel de constatering, dat het innerlijk van Colijn nauwelijks tot leven komt en dat van zijn echtgenote al helemaal niet. Langeveld erkent dat zelf, maar wijst erop dat het hem aan relevante bronnen zoals brieven of dagboeken ontbrak. Dat geldt toch niet voor de Indische briefwisseling, waaruit hij het Lombok-incident heeft kunnen putten.

Maar dat kan niet de enige reden zijn. Wie zich zo georienteerd heeft op een conscientieus oordeel, wordt daardoor bewust of onbewust gehinderd in een beschouwingswijze waarin sprake is van een inlevingsvermogen, dat zelfs de grootste schurk begrijpelijk maakt, of van ironie, die ruimte schept voor verbazing. Colijn was geen schurk. Maar misschien is zijn biograaf te goed van inborst om de magie van deze 'self made man' terug te roepen.

De Colijn-biografie is al met al een deprimerend boek. Doch waar hier sprake is van een zekere gemeenschappelijkheid van portrettist en geportretteerde, levert het tegelijk een fascinerend toneel op: de hoofdpersoon, even orthodox als zakelijk in het calvinisme, wordt in het kritische licht geplaatst van een bij uitstek ethische waarheidsvinding en beoordeling door de protestantse biograaf.